De schatkamer van Abraham Tuschinki

Pathé sloot in november 2000 de deuren van haar paradepaardje Theater Tuschinski voor een grondige restauratie. Een tijdrovend proces begint: het vernieuwde filmpaleis zal op de dag dat het gebouw zijn tachtigjarig jubileum viert, 28 oktober 2001, worden heropend. Verfrist en opgeknapt in de staat waarin de bezoekers het voor het laatst hadden gezien.
Meer zou ook niet nodig zijn: Theater Tuschinski verkeerde immers in een opmerkelijk originele staat. Wie over het dikke tapijt door de majestueuze hal de zaal inliep, waande zich in de jaren twintig.
Wáánde, zo blijkt, want zodra het werkelijke restaureren begon, gaf Tuschinski een hoop geheimen prijs.

Voordat de restauratie van het theater begon, was besloten de Grote Zaal terug te brengen in de staat van de jaren dertig. In 1921 toen het theater opende, was de zaal zo bont gedecoreerd dat het de ogen van de critici pijn deed. Daarom, zo ging het verhaal, had Abraham Tuschinski de zaal laten versoberen. En zo kent ook de tegenwoordige bezoeker de zaal, want de enige aanpassingen die sinds de jaren veertig hebben plaatsgevonden, bestaan uit het oversauzen van plekken waar restauratie van de oorspronkelijke schilderingen te tijdrovend of te kostbaar zou zijn.
Maar dat verhalen in zeventig jaar sterk kunnen veranderen bleek toen de feiten aan de hand van publicaties uit de jaren twintig en dertig eens goed op een rijtje werden gezet. En dat gebeurde pas toen de restauratiewerkzaamheden al een paar maanden op streek waren.

Niet verloren
Al tijdens het leeghalen van het theater (alle meubelstukken, van lampen tot stoelen, moesten ter restauratie worden verwijderd) werden opmerkelijke vondsten gedaan: beschilderd behang in de Grote Zaal, fragmenten tapijt uit de jaren twintig, wandbespanning uit de Japanse Kamer (voorzien van swastika's en draken), linoleum onder het tapijt op het tweede balkon. Al deze zaken waren op foto's uit de beginjaren van Tuschinski te herkennen, maar men verkeerde in de veronderstelling dat de originelen verloren waren gegaan. De grootste ontdekking werd echter gedaan in de Grote Zaal.
Op de steiger was een stagiaire aan het werk de muren van het tweede balkon van een bruine verflaag te ontdoen om het onderliggende bekende vlakkenpatroon te ontbloten. Het idee was om een deel van het zich repeterende patroon vast te leggen om een reconstructie over de toplaag heen te kunnen schilderen: een tijd- en geldbesparende techniek waarin het restauratiebedrijf, Rescura, is gespecialiseerd. Ideaal voor opdrachtgever Pathé.

Gouden vondst
Donderdag 1 maart 2001 controleerde de leidinggevend restaurateur het werk van zijn stagiaire. Hij kon zijn ogen niet geloven. Onder een gouden vlak dat was blootgelegd onderscheidde hij vaag een lijnenspel dat niet de drukke beschildering van 1921 kon zijn. Hij liet het vlak verder afkrabben en zo kwam een oog, een gezicht en uiteindelijk een hele dame tevoorschijn in een art deco stijl die onmiskenbaar die van Pieter den Besten was: de schilder die onder andere de vlindermeisjes in de eerste wandelgang van het theater maakte, en verantwoordelijk was voor het in de oorlog uitgebrande cabaret La Gaîté.
De sierlijke, bijna hautaine gestalte die op linnen was geschilderd deed vermoeden dat ook op andere plekken dergelijke figuren gehangen moesten hebben. Deze verwachting werd op fantastische wijze bewaarheid: aan weerszijden van de steiger, die de helft van de zaal beslaat vanaf de kopwand tot het midden, werden zes unieke dames gevonden. En er zijn er zeker nog twee en misschien zelfs vier te vinden onder de verflagen in de andere helft van de Zaal.

Niemand wist van het bestaan van deze schilderingen af, en naar de datering kon slechts worden gegokt tot één zinnetje in een NRC-artikel van zaterdag 31 oktober 1931 over het tienjarig bestaan van Theater Tuschinski uitkomst bood: '[Abraham Tuschinski] deed de gedetailleerde mededeelingen over zijn eigen jubileumsgeschenk: de veranderingen in en aan het theater, die het publiek dezen avond, en rustiger nog de volgende dagen en weken zou kunnen aanschouwen: de nieuwe decoraties van den kunstenaar Pieter den Besten, die thans eveneens tien jaren met den heer Tuschinski heeft samengewerkt […]'
De restaurateurs waren gestuit op Tuschinski's jubileumgeschenk aan zichzelf. Abraham Tuschinski had zijn theater nooit laten versoberen, dat gebeurde pas toen de bioscoop in 1936 in handen kwam van Tubem en Abraham Tuschinski als directeur alleen nog een marionet was in de handen van het bestuur onder leiding van Koop Blom.

Een moeilijk besluit
Iedereen op de steiger, de architect, de schilders en de restaurateurs, waren het eens: zulke unieke schilderingen moeten behouden blijven. Maar men zou de restauratieplanning helemaal moeten omgooien. Om een historisch verantwoorde zaal te maken zou immers, als gekozen werd voor het terughalen van deze decoratie uit 1931, ook de oude kopwandschildering, het met pauwen gedecoreerde plafond, de balkonversiering en het gedecoreerde behang dat in die tijd de muren sierde in de oorspronkelijke staat hersteld behoren te worden.
De enorme consequenties van deze beslissing kwamen hard aan bij Pathé. De subsidie van de kanjerregeling waren ze al misgelopen doordat de commissie de aanvraag niet goed doortimmerd vond en nu zou het hele proces nog veel meer tijd en geld gaan kosten.

Strijd tussen historie en commercie
Tuschinski is een bontgekleurde paradijsvogel tussen de megatheaters van Pathé: een lastig element binnen het corporate image van het bioscoopbedrijf. Maar is wel het mooiste en meest oorspronkelijke filmtheater in Nederland met internationale allure. 'Ons visitekaartje,' noemt Pathé-directeur Lauge Nielsen het.
Hoe combineer je commercie met behoud van identiteit? Pas zes weken na de ontdekking, toen ook de Rijksdienst en de Gemeentedienst Monumentenzorg overtuigd waren van de waarde van de wandschilderingen, kon bekend worden gemaakt welke schatten het theater verborgen hield en was het gevaar van de witkwast verdwenen.
Ieder detail is een bron van discussie. Neem de stoelen in de Grote Zaal, die allemaal groter en comfortabeler worden waardoor de zaal niet langer 1260 maar tussen de acht- en negenhonderd mensen zal kunnen herbergen. Bioscoopstoelen zijn rood, vindt Pathé. Maar in Tuschinski horen stoelen met een streepjesmotief, vindt de architect, en als het dan toch effen moet, dan in een kleur die bij het interieur past. Ze zijn er nog niet uit.
Wel is al besloten om de zalen 4 en 5 af te sluiten. Er is geen geld voor restauratie, dus de deur gaat daar op slot. Een stukje geschiedenis wordt opgeborgen.

Tuschinski zal schitteren
Inmiddels hebben de hal en de wandelgangen al een opzienbarende gedaanteverwisseling ondergaan. Niet dat daar nieuwe schilderingen zijn aangetroffen: daar was alles nog origineel. Maar onder de warmbruine laag, die pure nicotine bleek te zijn, kwamen kleuren tevoorschijn, zo fel alsof ze in de eenentwintigste eeuw zijn geschilderd: neonrose, knalpaars, gifgroen, kanariegeel en fonkelend goud.
Er wordt met man en macht gewerkt om nog eind dit jaar te openen. Dan zal het theater weer schitteren zoals ooit onder de leiding van Abraham Tuschinski.
Als de koningin op het openingsgala over het nieuwe haltapijt schrijdt, zal het zijn zoals Abraham Tuschinski in zijn openingsrede onder woorden bracht: 'Droom, legende en werkelijkheid, het is een mixture.'


Dit artikel is eerder verschenen in Skrien, (c) Jesse Goossens, 2001