Het was kermis in Rotterdam toen de zeventienjarige Abraham Içek Tuschinski in 1904 voet zette op Nederlandse bodem. Zijn Joodse komaf had hem gedwongen te vluchten voor de pogroms in zijn vaderland Polen. Hij was op weg naar het land der belofte, Amerika, en zou te Rotterdam inschepen op de Holland-Amerika Lijn. Het plan was dat hij, wanneer hij in de Nieuwe Wereld een onderkomen en werk had gevonden, zijn vrouw uit Polen zou laten overkomen. Maar het zou anders lopen.
Jesse Goossens
Tot zijn verrassing werd Abraham Tuschinski bij aankomst in Rotterdam
op het station opgewacht. Een kleermaker had van zijn broer uit Polen een
telegram gekregen waarin hij van de komst van Tuschinski op de hoogte was
gesteld: 'Hou dien knaap vast,' luidde het bericht, 'daar zit goud in dien
jongen.'
Tuschinski was, als zoon van een vestenmaker, inderdaad uitgegroeid tot
een vaardig kleermaker die ondanks zijn jonge leeftijd al naam en faam in
Polen had verworven. Het aanbod van een verblijf en een betrekking in Nederland
kon hij niet weerstaan. Met zijn vrouw Mariem Ehrlich vestigde hij zich
in Rotterdam. Bij de firma Kattenburg werd hij al snel een beroemdheid en
aan de extra klussen die hij in zijn eigen tijd aannam hield hij zelfs geld
over.
Polska
Emigranten die op doortocht naar Amerika in Rotterdam verbleven, belandden
meestal in onpersoonlijke, armoedige pensionnetjes. Abraham Tuschinski speelde
daar handig op in toen hij in de Nadorststraat een hotel voor landverhuizers
begon. Hij maakte van Polska een nieuw thuis voor de Oostenrijkers, Polen
en Hongaren op doortocht. Opnieuw bouwde hij in korte tijd een naam op die
de grenzen overschreed. Vaak wisten de toekomstige gasten al bij vertrek
dat het in Polska goed toeven was.
Het hotel breidde uit, maar Tuschinski wist dat de emigratiegolf niet eeuwig
zou duren. Hij spaarde zijn geld om zich op een nieuw project te kunnen
storten.
Cinematographie
Abraham Tuschinski had één grote passie: film. Wanneer het
kon sloeg hij geen enkel bioscoopprogramma over, maar de vlooientheaters
waarin de films vertoond werden, stonden hem niet aan. Denkend aan de Rotterdamse
kermisklanten, wist hij dat er een publiek zou zijn als dezelfde films in
een mooier theater zouden worden vertoond. Zoals hij het zelf verwoordde:
'Zij wachten slechts op den sterken magneet, op den toovenaar, die den weg
naar hun hart en beurs ontsluit.'
Tuschinski wierp zich op als die tovenaar. Hij huurde van de gemeente een
oud zeemanskerkje aan het Coolvest dat op de lijst voor de sloop stond.
Hij liet de muren in heldere kleuren schilderen, een mooi tapijt in de hal
plaatsen en de zaalstoelen met leer bekleden. Hij plaatste borstbeelden
van Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik naast het
filmdoek, zette overal bloemen neer en zorgde voor extra luxe
logeplaatsen. Zijn portiers behing hij met goud en achter de kassa's zette
hij keurig gekapte meisjes.
24 augustus 1911 opende Thalia, de eerste bioscoop van het Tuschinski imperium.
In de vijf jaren die volgden werden in Rotterdam nog drie Tuschinski theaters
geopend: Cinema Royal, Scala en Olympia.
Amsterdam!
Hoewel zijn Rotterdamse theaters bloeiden, had Abraham Tuschinski één
grote droom: een bioscooppaleis in Amsterdam. Het werd hem ten stelligste
afgeraden: 'Amsterdam is de lastigste stad met het meest verwende publiek.'
Niets kon Tuschinski weerhouden.
In 1917 begaf Tuschinski zich met zijn zwagers Gerschtanowitz en Ehrlich
naar Amsterdam om een goede locatie te zoeken voor zijn nieuwste filmpaleis.
Hij twijfelde over de Dam, maar vond het te klein om zijn ideeën ten
uitvoer te brengen. Zijn oog viel op een gebied aan de
Reguliersbreestraat dat in de volksmond bekend stond als 'De
Dûvelshoek' vanwege de lugubere smalle steegjes waar de ergste armoede
huisde. Een ideale plek, vond Tuschinski, tussen de publieksstromen van
de Kalverstraat en het Rembrandtplein.
Het had heel wat voeten in de aarde om alle huisjesmelkers uit te kopen
en, nog erger, alle huurders uit hun woningen te zetten. De ene na de andere
makelaar beet zich stuk op het project. Meer dan een jaar later, en zeven
ton armer, kon Tuschinski zich eindelijk eigenaar noemen van het hele terrein.
Snel liet hij een schutting plaatsen met de tot de verbeelding sprekende
woorden 'Wereldtheater Tuschinski'.
Het theater groeit
Net na de eerste wereldoorlog was het een moeilijke tijd om te bouwen. De
materialen die Tuschinski nodig had kwamen zonder uitzondering te laat of
helemaal niet. Regelmatig ging Abraham Tuschinski er persoonlijk op uit
om de spullen te halen. En nooit keerde hij met lege handen terug.
Zijn sterke wil en bemoeizucht met
ieder detail van het bouwproject leverden hem de bijnaam 'Napoleon van de
Dûvelshoek' op. Niet iedereen kon zich in zijn dwingende inmenging
vinden. Zo vertrok de architect van het theater, Heyman de Jong, na een
hoog oplopend conflict. Gelukkig kon ingenieur Klaphaak de uitvoering op
zich nemen.
Tuschinski zocht persoonlijk decorateurs uit die ieder een eigen stempel
op het gebouw wisten te drukken en het daardoor tot een bont geheel van
stijlen maakten. Zo droeg Jaap Gidding zorg voor de pauwendecoraties in
de Grote Hal en beschilderde hij de prachtige lichtkoepel. Dirk Jan van
der Laan maakte van de wandelgang op het eerste balkon een paradijsvogelgalerij
en Pieter den Besten transformeerde La Gaîté op de eerste verdieping
tot een cabaret dat zich kon meten met de topattracties in Parijs.
Tientallen timmerlieden, technici, stoffeerders, ontwerpers, ingenieurs
en kunstenaars voerden een race tegen de klok: slechts een paar uur voor
de opening was het gebouw voltooid.
28 oktober 1921
De rode loper werd uitgerold, de deuren van het filmpaleis openden en de
mensen verdrongen zich om het droomtheater te betreden.
Op het podium stond Abraham Tuschinski. Van hem zijn de woorden die het
Amsterdamse Theater Tuschinski tot op de dag van vandaag typeren: 'Droom,
legende en werkelijkheid. Het is een mixture.'

Lees de speech van Abraham Tuschinski bij de opening van het Tuschinski Theater.
Veel meer informatie over het theater kunt u krijgen door mee te lopen met de theatrale rondleiding Tuschinski in Maanlicht, of met een reguliere rondleiding in de zomermaanden.