Alles
wat je restaureert moet terug te draaien zijnKees Doornenbal is directeur van Rappange & Partners, het Amsterdams-Haagse architectenbureau dat de opdracht heeft gekregen de restauratie van Theater Tuschinski te coördineren. Bij een restauratie probeer je te achterhalen wat de juiste staat is waarin een gebouw moet worden teruggebracht, vindt hij, zonder je door persoonlijke meningen te laten beïnvloeden. Sterker nog: het beste zou zijn als restauratie helemaal nooit meer nodig was.
Jesse Goossens
'Het begon allemaal, toen we de opdracht hadden aanvaard om een Thais
restaurant te bouwen in de Reguliersdwarsstraat. Omdat ik met mijn architectuur
wilde aansluiten bij wat er stond aan oude gevels, Tuschinski en de oude
toneeltoren van Nöggerath, ging ik praten met de eigenaar van de theaters,
Pathé.
Daar kregen we te horen dat Pathé Nöggerath wilde slopen om
er een nieuwe bioscoop naar ontwerp van Christian de Portzamparc voor in
de plaats te zetten. Zonde, vond ik, want de oude zijgevel was prachtig.
Bovendien was ik ervan
overtuigd dat
de oorspronkelijke voorgevel ook nog achter het plaatwerk moest zitten,
en dat bleek ook uit de archieven. Mijn filosofie is altijd: als een gebouw
casco goed is, dan moet sloop worden voorkomen.
Pathé besloot uiteindelijk de huidige gevels te laten staan, waardoor
het voor De Portzamparc niet meer interessant was het theater te verbouwen.
Zo kregen wij de eerste opdracht van Pathé.'
Het gebouw als uitgangspunt
'Terwijl we in Nöggerath bezig waren, hoorden we dat Pathé Theater
Tuschinski wilde restaureren en dat ze nog op zoek waren naar een architect.
Die restauratie was ons op het lijf geschreven. We restaureren veel neogotische
en middeleeuwse kerken, en hebben daardoor veel met schilderingen, beelden
en daken te maken. Al zijn de
restauratiewerkzaamheden
in Tuschinski misschien nog extremer dan in kerken, omdat je ook met tapijten
te maken krijgt en met stoffen lampen, met die problematiek hebben we de
juiste ervaring.
Een restauratiebureau neemt geen eigen stijl en mening mee. Het gebouw is
het uitgangspunt. Ieder gebouw is een nieuwe uitdaging waarin je je moet
verdiepen: hoe is er gedacht, hoe is met het gebouw omgegaan. Omdat de benaderingswijze
elke keer nieuw is, maakt het niet uit of we een neogotische kerk restaureren,
een middeleeuwse kerk of een Tuschinski met zijn beschilderingen uit de
jaren twintig en dertig.
Een geheel van verschillende stijlen
'Ik vind dat alles wat wordt gerestaureerd weer terug te draaien moet zijn.
Het gevaarlijke is dat wanneer je een gebouw nu restaureert, over vijftig
jaar nog eens, en
vijfentwintig
jaar later weer en je bij elke restauratie iets vernietigd, je op een gegeven
moment niets meer overhoudt.
In Theater Tuschinski restaureren we de laatste schilderingen die in de
tijd van Abraham Tuschinski zijn aangebracht. Soms zijn die geschilderd
over andere afbeeldingen. Tuschinski heeft bewust die keuzes gemaakt omdat
hij mee moest groeien met zijn tijd of dat hij de vorige decoraties toch
minder mooi vond. Al is de echte reden daarvan misschien nooit te achterhalen.
We hebben te maken met allerlei verschillende kunstenaars, maar het blijft
Tuschinski's gebouw. Daar menen wij het recht aan te kunnen ontlenen om
te beslissen recentere aanpassingen weg te halen.
Al is het Tuschinski's theater, het zijn de kunstenaars die de sfeer bepalen.
Ik denk dat Tuschinski niet zelf het artistieke niveau had van zijn kunstenaars.
Hij heeft er bewust voor gekozen met diverse kunstenaars in zee te gaan
waardoor verschillende stijlen toch één geheel hebben gevormd.
Dat is zijn werkwijze geweest. Hij zal zijn invloed hebben gehad op een
bepaalde richting of wat aanwijzingen hebben gegeven, maar het blijven toch
de kunstenaars die daarmee om hebben weten te gaan.'
Niet restaureren maar onderhouden
'Eigenlijk zouden we het theater nu in een toestand moeten brengen waardoor
het nooit meer gerestaureerd hoeft te worden, als het goed wordt onderhouden.
Tuschinski had vroeger zijn eigen schilders, timmerlieden en technici in
dienst, die ieder klein dingetje direct bijwerkten. Eigenlijk zou dat nu
ook moeten. Dan wordt een grootscheepse restauratie in de toekomst onnodig.
De verantwoordelijkheid ligt bij de eigenaar van het theater. Toch is het
onderhoud van een rijksmonument een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.
De subsidie zou dan ook geen eenmalige subsidie moeten zijn voor de grote
restauratie maar een continue subsidie om het gebouw te kunnen onderhouden.
Uiteindelijk zal dat goedkoper zijn. Als een pand niet lekt verrot er nooit
een balk. Een balk verrot omdat de goot lek is en je te laat de goot vervangt.
Je had eigenlijk de goot toen die lek was met subsidie moeten herstellen:
dat is een kleine ingreep.
Dat is mijn visie op restaureren. Gelukkig heerst bij de Rijksdienst ook
steeds meer het idee: we moeten af van die grote restauraties eens in de
vijftig jaar. We moeten naar een goed onderhoudsplan zodat het er over driehonderd
jaar nog zo prachtig bijstaat.'
(c) Jesse Goossens, 2001