
De oorlog is voorbij. De schade wordt opgemaakt.
Het grootste verlies is de dood van diegenen die Theater Tuschinski maakten
tot het onvergetelijke droompaleis van weleer: Abraham Tuschinski, Herman
Ehrlich en Herman Gerschtanowitz. Van de hele familie hebben alleen twee
neven en een nicht de nazi-terreur overleefd: Max Gerschtanowitz en Nathan
en Sofia Ehrlich. De materiële schade aan het gebouw aangericht valt
daarbij in het niets - het cabaret is in de brand van 1942 vernietigd, alle
losse beelden in het theater zijn gestolen en de kostbare Western Electric
projectoren zijn vervangen door Duitse apparatuur, maar verder is het gebouw
nog in de goede staat. Aan de Duitse directie heeft het theater zelfs een
verbetering te danken: de uitbreiding van het Wurlitzer orgel van een twee
klaviers naar een vier klaviers orgel, en de plaatsing ervan op een lift
aan de linkerkant van het podium, waardoor de organist al spelend naar boven
in het zich van het publiek komt.
De gehate kreet 'Tivoli' verdwijnt van het gebouw en de naam Tuschinski
herrijst aan de gevel terwijl aan de torens twee Nederlandse vlaggen wapperen.
De Tuschinski Maatschappij wordt weer in ere hersteld. De heer Strengholt
wordt de nieuwe directeur. De twee overlevende neven van Abraham, Max en
Nathan, komen ook in het theater te werken. Nathan zal niet lang blijven,
maar Max wordt uiteindelijk directeur.
Gouden tijden
Op zondag 29 juli 1945 om half zes 's middags vindt de eerste gala-voorstelling
in Tuschinski plaats. Het Tuschinski-orkest is er niet meer.
Het Wurlitzer wordt bespeeld door Fred Wolfers. Na het journaal kan het
publiek genieten van de Walt Disney kleurencartoon Mother Goose Goes to
Hollywood en van het korte Left of the Line. Daarna speelt op het toneel
het Royal Canadian Army Service Corps een aantal nummers, eindigend met
'God Bless America' en 'The Star Spangled Banner'. Na de pauze draait de
hoofdfilm So Proudly We Hail met C;audette Colbert, Paulette Goddard, Veronica
Lake en George Reeves in de hoofdrollen - een drama over drie verpleegsters
in de Stille Oceaan tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Theater Tuschinski is terug. En het publiek laat zich niet onbetuigd.
Net als tijdens de crisistijd - toen de bezoekers zich het eigenlijk ook
nauwelijks konden veroorloven de bioscoop te bezoeken - loopt het storm
in Theater Tuschinski. Het genot van een avondje uit dat de meesten jarenlang
hadden ontbeert, zorgt voor een ongekende bloeitijd in de Nederlandse bioscoopwereld.
Om niet uren in de soms wel honderden meters lange rijen voor de kassa's
te hoeven staan, wenden veel bezoekers zich tot de zwarte kaartjeshandel.
Voor wat extra geld besparen ze zich graag de tijd. De zwarte kaartverkoop
is alom aanwezig en de runners zijn algemeen bekend. Een Amsterdamse runner
krijgt de bijnaam Zatopek - naar de Tsjechische hardloper - omdat hij iedereen
te snel af is. Dagelijks verdienen deze jongens wel honderden guldens met
hun zwarte handel.
Vanaf 5 april 1946 is het theaterbezoek in Tuschinski voor het publiek pas
weer echt ouderwets. Het Tuschinski orkest is weer ingevoerd. Onder leiding
van Govert Verheul verzorgen negentien muzikanten nu dagelijks het voorprogramma.
Jubileum
Het wordt een merkwaardig jubileum, het vijfentwintigjarig bestaan. Veel
gasten zien elkaar weer voor het eerst sinds de oorlog en halen tijdens
de feestelijkheden herinneringen op aan de rampjaren.
Overduidelijk aanwezig door hun afwezigheid is het drietal dat Theater Tuschinski
groot maakte. 'Wanneer daar straks het doek vaneen zal gaan, dan zullen
we ontegenzeggelijk daar in gedachten voor ons zien die drie kleine mannen,
in het midden Abraham Tuschinski met rechts en links zijn beide zwagers
en medewerkers, Herman Gerschtanowitz en Herman Ehrlich. Daar stonden ze
bij de opening met hun drieën, toegejuicht [sic] door vele vooraanstaanden
in Amsterdam en in den lande, die op dat oogenblik beseften, welk grootsch
werk dit drietal, maar vooral onder de bezielende leiding van Tuschinski,
tot stand had gebracht,' schrijft het Weekblad voor Cinematografie.
Het theater is een zee van bloemen. Onder andere is er een bloemstuk aanwezig
van de zwarte handelaren in bioscoopkaartjes. Het kaartje vermeldt: 'Hartelijk
gefeliciteerd door de Bedrijfsgroep Straathandel, vakgroep bioscoopkaartjes-handel.
Honi soit qui mal y pense. (Wee hem, die er kwaad van denkt)'
De avond wordt geopend met het Wilhelmus.
Alex de Haas staat voor het eerst sinds 1940 weer op de planken. Hij heeft
het scenario geschreven voor een herdenkingsfilmpje '25 jaar Tuschinski'
dat Polygoon heeft uitgevoerd.
Op de plek waar Abraham Tuschinski zou hebben gestaan als hij het jubileum
mee had mogen maken, legt Alex de Haas een krans. De zaal neemt minutenlang
stilte in acht om Tuschinski, Gerschtanowitz en Ehrlich te herdenken.
Na talloze sprekers en een uitgebreid voorprogramma wordt de film La Belle
et le Bête gedraaid. De regisseur, Jean Cocteau, is zelf aanwezig
op de galavoorstelling en komt na de vertoning op het podium om het publiek
te danken. Terwijl hij op het toneel van Theater Tuschinski staat wordt
de Marseillaise gespeeld.
De avond wordt afgesloten met een bijzonder filmpje: de entree van de gasten
zoals ze slechts vier uur eerder op die avond het theater binnenkwamen.
Het zichzelf terugzien op het witte doek veroorzaakt bij de bezoekers veel
hilariteit veroorzaakte.
Na afloop van de galavoorstelling die met opnieuw het Wilhelmus voor de
meeste gasten het einde van de feestavond inluidde, werd er in La Gaîté
nog een receptie gehouden waar zich Burgemeester d'Ailly, leden van het
Amsterdams gemeentebestuur, vertegenwoordigers van de bioscoopbond en prominenten
uit de film en artiestenwereld bevonden.
Het eerste kwart eeuw van het theater zit erop. Bij dit zilveren jubileum
hebben ruim vijfendertig miljoen bezoekers in Theater Tuschinski de film
bezocht - drieëneenhalf keer het aantal inwoners van Nederland.
Dankbetuiging en eerbetoon
29 oktober 1946 is het theater gesloten.
Ter gelegenheid van het jubileum heeft de directie voor het personeel een
bijzonder feest georganiseerd. Maar liefst tweehonderd man heeft plaatsgenomen
aan de lange tafels die in de Grote Hal zijn neergezet, 122 medewerkers
van het theater en hun echtgenoten.
De directie heeft een buitengewoon cadeau voor het personeel georganiseerd:
een pensioenfonds. De personeelsleden hoeven zelfs geen deel van hun salaris
af te staan om van te fonds te kunnen genieten, het wordt helemaal door
de directie bekostigd. Daarbovenop heeft de directie ook nog honderdzestigduizend
gulden vrijgemaakt om alle achterstallige premies van de medewerkers aan
te zuiveren. Het behoeft geen uitleg dat de feestvreugde niet groter kon
worden.
Het personeel heeft op zijn beurt ook een kado voor de directie. De assistent
bedrijfsleider van Tuschinski, de heer Stans, biedt de directeuren een schets
aan. Daarop staat een reliëf afgebeeld die de beeltenissen van Abraham
Tuschinski, Ehrlich en Gerschtanowitz weergeeft. De schets is het symbool
voor het échte werkstuk dat door de Rotterdamse kunstenaar Han Reen
uitgevoerd zal worden. Om dit te kunnen betalen hebben de personeelsleden
gezamenlijk een fonds opgericht waarin ze een deel van hun loon storten.
Precies drie jaar later, bij het theaterjaarfeest in 1949, wordt in aanwezigheid
van al het personeel de plaquette onthuld. Niet Han Reen maar de beeldhouwer
L. Sondaar heeft het kunstwerk uiteindelijk vervaardigd. Hij onthult zijn
werkstuk dat in de Grote Hal van het theater in een van de pauwenbogen is
gemonteerd.
De zittende directie aan wie de plaquette door het personeel was aangeboden,
is in de tussentijd veranderd. Tuschinski fuseerde met Royal om de filmvoorziening
eenvoudiger te laten verlopen en in juli 1947 heeft het Engelse bedrijf
Rank een derde deel in de Maatschappij Tuschinski N.V genomen. De directie
is nog steeds Nederlands, maar naast de heren K. Blom en F.L.D. Strengholt
heeft de heer John Davis plaatsgenomen in de raad van beheer, later wordt
Davis vervangen door Kenneth Winckles van Rank.
Rechtszaak
De minister van Economische Zaken heeft een nieuwe manier bedacht om de
gemeentekassen te spekken: de Prijzenbeschikking Bioscoopvoorstellingen.
Zijn plan houdt in dat de toegangsprijzen voor de bioscopen worden verlaagd,
en tegelijkertijd de vermakelijkheidsbelasting wordt verhoogd. Dat komt
erop neer dat de bioscoop minder gaat verdienen - de toegangsprijs is immers
verlaagd, maar dat het kaartje voor de bezoeker niet goedkoper wordt omdat
de toeslag van de vermakelijkheidsbelasting erbovenop komt. En alle inkomsten
uit die belasting verdwijnen in de gemeentekas. De bioscoopwereld gaat er
dus fiks op achteruit, de bezoeker heeft geen voordeel en de gemeente is
de lachende derde.
De Tuschinski Maatschappij vindt dit een onacceptabel
In maart 1948 dagvaardt Tuschinski de Staat der Nederlanden en de minister
van Economische zaken. Bij de Haagse arrondissementsrechtbank eist Tuschinski
dat de inwerkingtreding van de Prijzenbeschikking Bioscoopvoorstellingen
1948 wordt opgeschort totdat de rechter heeft beslist of aan deze beschikking
al dan niet verbindende kracht kan worden toegekend.
De advocaat van Tuschinski, Meester Dijkstra, splitst de Prijsbeschikking
op in twee delen: de prijsverlaging van de toegangsprijzen en de prijsverhoging
van de vermakelijkheidsbelasting. Over de prijsverlaging stelt hij dat die
alleen mag worden doorgevoerd als de omstandigheden voor de exploitant in
positieve zin zijn veranderd. Maar in het geval van het bioscoopwezen is
dat niet zo: sterker nog, de omzet is juist met 20% gedaald, wat pleit tegen
een prijsverlaging. In het geval van de prijsverhoging beroept de advocaat
zich op de Hamsterwet van 1939 die is ingesteld om prijsopdrijving te voorkomen.
Het lijkt een beklonken zaak.
Maar dan komt de eis van de tegenpartij: de Staat en de minister willen
een schadevergoeding voor de onbeschaamdheid van de maatschappij - nooit
eerder is de Staat op deze manier voor de rechter gedaagd en alleen een
strafrechter kan lagere wetten aan hogere toetsen, waardoor, zo redeneren
zij, Tuschinski voor een verloren zaak vecht.
Het is wachten op de uitspraak van de rechter.
Twee weken later stelt de rechtbank de zaak niet ontvankelijk. Hiermee is
in de jurisprudentie vastgelegd dat het beleid van de minister in dit opzicht
niet door een rechtbank getoetst kan worden.
Einde van het orkest
Het lijkt een ongeluksjaar, 1948. Na de Prijsbeschikking wordt er een wetsontwerp
openbaar gemaakt waarin wordt gesteld dat in bioscopen alleen nog maar films
mogen worden vertoond.
De gevolgen zijn nauwelijks te beseffen. Wanneer dit ontwerp wet wordt zal
in Tuschinski geen orkest meer mogen optreden en geen variété
meer worden opgevoerd. Dat betekent het einde van een avond uit zoals dat
sinds de oprichting van het theater gebruikelijk is.
Omdat Tuschinski altijd voor langere tijd orkestcontracten afsluit, besluit
het in september 1948 de contracten van de musici niet meer te verlengen
in afwachting van de definitieve wet.
De wet wordt uiteindelijk niet uitgevoerd, maar twee jaar later verdwijnt
toch het orkest uit Theater Tuschinski. Het is eenvoudigweg niet meer te
betalen. Het bioscoopbezoek loopt terug en de gemeentelijke restitutie op
de vermakelijkheidsbelasting dekt de kosten niet.
De Nederlandse Organisatie van Musici en Artisten klopt tevergeefs bij de
gemeenteraden van Amsterdam en Rotterdam aan om de vermakelijkheidsbelasting
voor theaters en bioscopen waar levende muziek wordt gebracht terug te brengen
tot 20% (in plaats van de nu geheven 35%) om de orkesten te kunnen behouden.
Niet alleen in Theater Tuschinski, maar ook in Royal, Amsterdam en de
Tuschinski bioscopen Arena en Lutusca in Rotterdam worden de orkesten ontslagen
zodat geen enkele Tuschinski bioscoop nu nog een orkest heeft.
Door de harde maatregelen komen tachtig musici op straat te staan. Zij zijn
aangewezen op 'overbruggingssteun' omdat zij door hun eenzijdige vak moeilijk
elders aan de slag kunnen.
De orkestloze periode in Theater Tuschinski duurt gelukkig maar een paar
maanden. Vanaf 1 juni 1951 neemt een zeventienkoppig orkest onder leiding
van Anton Kersjes de plaats van het oude ensemble in.
Ook worden er weer variété nummers in de voorstellingen gebracht,
maar daar gaat wel eens wat mis. Aan het eind van dat jaar spelen honden,
bij wijze van act, voetbal op het toneel, de keepers zijn twee doggen die
met een ketting aan hun doel verbonden zijn. Het enthousiaste publiek vergelijkt
de hondse wedstrijd met 'Holland-Finland'. Maar na een paar dagen rukken
de doelverdedigers zich tijdens de wedstrijd los en gaan elkaar te lijf.
De rest van de honden mengt zich ook in het gevecht, en er ontstaat hevige
consternatie onder het publiek - we schrijven hier over tijden dat de hooligans
het voetbalvermaak nog niet hebben overgenomen.
Op last van de plaatselijke Commissie van Toezicht op Bioscopen wordt het
variété nummer gestaakt. De honden worden naar circus Baver
teruggestuurd en een nieuwe act wordt voor Tuschinski ingehuurd.
Hoffelijkheid
In Theater Tuschinski wordt het publiek altijd zo galant mogelijk benaderd.
De bedrijfsleiding ziet het als zijn taak het de bezoeker zo aangenaam mogelijk
te maken. Een echtpaar bijvoorbeeld, dat op straat voor het theater wordt
bestolen en daarbij de net bemachtigde filmkaartjes kwijtraakt, krijgt gratis
kaarten voor de beste plekken om van de schrik te bekomen.
Op klachten van bezoekers wordt zo adequaat mogelijk gereageerd. Zo gebeurt
het regelmatig dat publiek dat in de rij op hun beurt bij de kassa staat
te wachten het overkomt dat iemand die even opbelt om kaartjes apart te
laten leggen de laatste tickets voor hun neus wegkaapt. Dat is onverdraaglijk:
de mensen in de rij zijn notabene helemaal naar het theater gekomen om een
kaartje te bemachtigen en dan kan iemand met één telefoontje
al hun moeite teniet doen.
Om de filmreserveringen te reguleren stelt het Tuschinski Theater aparte
tijden in waarop gebeld mag worden: doordeweeks kunnen kaartjes gereserveerd
worden op de dag van de voorstelling tussen elf en vier uur, voor zaterdag,
zon- en feestdagen mag één dag vantevoren op dezelfde tijd
worden gebeld om filmkaartjes apart te houden. Omdat er toch nog vrij veel
kaartjes niet worden opgehaald, wordt er een zwarte lijst bijgehouden van
'dagboekaniers'. Personen die op de zwarte lijst terecht zijn gekomen mogen
niet meer reserveren.
Dat de hoffelijkheid niet alleen aan het personeel van het theater is voorbehouden,
maar ook aan de bezoekers wordt bevestigd op vrijdag 20 januari 1950. Die
avond vindt de première plaats van The Third Man in aanwezigheid
van regisseur Carol Reed en echtgenote. Tijdens de filmvertoning wordt een
man onwel en valt flauw. Degene die dat opmerkt is niemand minder dan
Carol Reed in eigen persoon. De beroemde regisseur helpt de man naar de
garderobe te dragen waar deze bij kan komen.
De man in kwestie durft tijdens de film niet terug te keren in de Grote
Zaal, maar kijkt wel even naar binnen als Reed op het podium gehuld wordt.
Hij wil wel zien wie hem geholpen heeft
Het nieuwe beleid
Directeur F.L.D. Strengholt is een bekende film-importeur. Hij heeft dan
ook een naam hoog te houden in de programmatie van de Tuschinski theaters.
En dat lukt hem.
De theaters onder zijn directie, en met name Theater Tuschinski, onderscheiden
zich van andere bioscopen in hun filmkeuze door zich niet veel aan te trekken
van de wensen van het doorsnee-publiek. In plaats van voor de hand liggend
amusement valt de keus vaak op bijzonder Franse, Italiaanse en Engelse films,
die uitstijgen boven wat Simon van Collem de 'technicolor zoetigheden uit
Hollywood' noemt.
De leiding gaat er prat op een 'onafhankelijk en Nederlands karakter' te
dragen, in het bijzonder in Theater Tuschinski. Het is vrij en onafhankelijk
in de keuze van de films en wil zijn naam als 'Showplace of the nation'
waarmaken.. Een traditie is inmiddels de première van de avondvullende
Disneyfilms.
Bij het zoeken naar vernieuwing in de programmatie wordt het verleden nooit
vergeten. Ter gelegenheid van het dertigjarig jubileum worden in een intieme
personeelsbijeenkomst Tuschinski en zijn zwagers herdacht. De heer Strengholt
spreekt: 'Het is feest vandaag, maar onze gedachten gaan uit naar deze drie
mannen. Het is het feest van hun creatie, maar het wrede lot heeft bewerkt,
dat huist zij dit jubileum niet kunnen meemaken. Zij hebben ons alleen een
erfenis gelaten. Met grote plichtsbetrachting, ijver en moed hebben zij
gewerkt - laat hun voorbeeld voor ons blijven voortbestaan.'
Bij de plaquette in de hal wordt een krans met witte bloemen gelegd en de
personeelsleden die vanaf de eerste dag in het theater hebben gewerkt, krijgen
een gouden horloge met inscriptie. Het zijn zeven personen: bedrijfsleider
J.F. Stans, chef meubelmaker G.C. Vonk, chef schilder Th. Zeiss, toneelmeester
machinist A. van Loopik, zaalcontroleur O.P. Cupido en portiers W.A. Fritz
en G. Mosman.
Er is nog een man die het verleden niet vergeet: Max Tak. In 1958 komt
hij nog één keer over uit New York om de gala première
van Getuige à décharge in Theater Tuschinski luister bij te
zetten. Op het podium wordt hij gehuldigd door Alex de Haas en de anders
zo statige man krijgt het opeens te kwaad. Hij begint te huilen.
'Ik heb het geweten,' zegt hij. 'Als ik hier weer zou staan zou mijn hart
breken en dat is gebeurd.'
copyright: Jesse Goossens, 2002
Deze tekst is gepubliceerd in Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.
Bzztôh, 2002
Niet meer leverbaar.