Theater Tuschinski: Zwarte bladzijden

uit: Jesse Goossens, Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.

 

14 mei 1940 vallen de bommen op Rotterdam.
Zevenennegentig ton explosieven vagen het hart van de stad weg. Vierentwintig duizend huizen worden vernietigd. Negenhonderd Rotterdammers vinden de dood. De branden die uitbreken zijn zo fel en allesvernietigend dat pas in augustus van dat jaar de laatste vlammen doven.
Het is een wonder dat de hele familie Tuschinski het bombardement overleeft. Abraham en Manja, Herman Ehrlich, Jet Bood en hun kinderen Nathan en Fifi, Herman Gerschtanowitz, Chaia Ehrlich en hun zoon en dochter, Max en Sera. Hun leven hebben zij weten te redden, maar de materiële schade is enorm.
In één klap zijn alle Rotterdamse Tuschinski Theaters met de grond gelijk gemaakt: Thalia aan de Hoogstraat, het Grand Téâtre met Studio '32 aan de Pompenburgsingel, en Olympia aan de Binnenweg bestaan niet meer. Het huis van Abraham en Manja boven de Cineac aan de Coolsingel is weggevaagd.
Abraham trekt in bij Jet Bood, zijn grote liefde. Manja gaat bij haar broer wonen. Ze moeten het leven op zien te pakken.
Ondanks alle waarschuwingen weigert Abraham Nederland te ontvluchten. Tegen Alex de Haas zegt hij: 'Ik ben in DIT land groot geworden en ik wil geen deserteer zijn'. Desertéér, zei de man met het Poolse accent.
Hoewel velen beweren dat Abraham Tuschinski nooit in heeft willen zien hoe bedreigend de situatie voor hem was, blijkt dat hij wel degelijk heeft geweten welk gevaar hij liep door in Nederland te blijven. Al in 1939, bij de dood van zijn zoon Will, zegt hij: 'Ik troost me alleen met de gedachte dat de dood hem misschien voor een veel erger lot behoed heeft, want het gaat mis met ons Joden.'

Machtsovername
Er zijn nog vier Tuschinski Theaters overgebleven: Passage, Roxy en Theater Tuschinski in Amsterdam en het Passage Theater in Schiedam.
Vrijwel direct na de capitulatie, op 22 mei, wordt de Joodse hoofddirecteur van Tubem, Van Santen, op staande voet ontslagen, evenals de bedrijfsdirecteuren Abraham Tuschinski, Herman Ehrlich en Herman Gerschtanowitz. Meester Koop Blom, die in 1936 de overname van de Tuschinski Theaters door Tubem regelde, wordt benoemd tot hoofddirecteur. Alle theaters worden verhuurd aan de Duitse Tobis-firma.
Abraham is alles kwijt.
Een Tuschinski-medewerker, de heer Uittenboogaard, herinnert zich het laatste moment dat Abraham in Theater Tuschinski doorbrengt: 'Op speciaal verzoek van den heer Tuschinski bleef ik in het gebouw, waaraan hij zijn hart verpand had en zijn laatste woorden tot mij, toen hij zijn theater verliet om er niet weder terug te keeren, waren: "Het ga je goed, je weet, je bent een stuk van mijn leven".'
De woorden kunnen net zo goed op het gebouw van toepassing zijn.
De Duitse bezetters proberen alle theaters in handen te krijgen. Theater Tuschinski is echter al sinds de overname door Tubem in 1936 geen Joods bezit meer en kan om die reden niet onteigend worden. Tobis huurt de bioscopen slechts en is geen eigenaar. Maar dan vindt er op 31 augustus 1940 een incident plaats in het theater.
Het illegale Parool van 17 september 1940 beschrijft wat er gebeurt:
'Een vreemde vlaggendemonstratie.- Op den verjaardag van onze Koningin [i.e. Wilhelmina, JG] bleken er 's ochtends in de vroegte twee vlaggen te hangen aan den gevel van het bekende Theater Tuschinsky te Amsterdam. Het waren onze eigen driekleur en de vlag van onzen Britschen bondgenoot.
De vroege voorbijgangers zagen deze demonstratie met groote instemming. Spoedig bleek evenwel, dat men hier met een zeer zonderlinge geschiedenis te doen had. Van Duitsche zijde werden de vlaggen namelijk verwijderd, waarna vrijwel het geheele personeel van de bioscoop gearresteerd werd; zelfs werden personeelleden, die buiten met vacantie waren, opgepakt en opgesloten, ofschoon zij konden aantoonen den nacht tevoren niet in Amsterdam te zijn geweest. Verder wordt per ookaso bepaald, dat het theater voor den tijd van drie maanden gesloten moet worden. In bioscoopkringen wordt aangenomen, dat het hier een streek betreft, die uitgehaald is om Tuschinsky aan den rand van het bankroet te brengen, waarna het heel gemakkelijk moet vallen het populaire theater voor een appel en een ei op te koopen. Het Duitsche Tobis-concern is namelijk sinds eenigen tijd bezig Nederlandsche bioscopen op te koopen en het schijnt, dat men in Tuschinsky ook in handen wil zien te krijgen.'
De twee vlaggen die aan de gevel wapperden blijken afkomstig te zijn van de requisietenzolder van het theater. Alleen insiders weten van de aanwezigheid van de vlaggen op die plek af. Opnieuw een bewijs dat onbetrouwbare elementen onder het personeel de hand in het incident hebben.
Abraham Tuschinski wordt niet opgepakt omdat hij in Rotterdam was op het moment van het incident. Hij reist af naar Amsterdam waar zijn personeel vast zit in het huis van bewaring aan de Weteringschans. Hij doet daar alles wat in zijn macht ligt om zijn mensen vrij te krijgen, en dat lukt. Maar het theater mag niet eerder geopend worden dan wanneer het aan de Duitsers is overgedragen.
De opzet slaagt. Het theater opent pas weer op vrijdag 15 november als de hele Tuschinski-exploitatie is overgedragen aan de International Tobis Cinema NV. De naam Tuschinski is van de gevel verdwenen en vervangen door het niet-Joodse Tivoli. In de volksmond wordt deze naam al gauw de afkorting van 'Tuschinski Is Verkocht Of Liever Ingepikt'.
Vanaf dit moment draaien in Tivoli alleen nog Duitse films en treden er Duitse artiesten op in La Gaîté dat is omgedoopt tot het Tivoli cabaret.

Brand
Op vrijdag 18 juli 1941 breekt er brand uit in het theater. Beide zalen van het voormalige La Gaîté branden geheel uit. Alle originele schilderingen van Pieter den Besten gaan hierbij verloren.
De reden van deze brand - een ongeluk of een verzetsdaad - is tot op heden onbekend gebleven. Het gevolg is dat de zalen gesloten worden en een langdurige renovatie op last van de Duitse directie plaatsvindt. De bovenzaal wordt geheel afgesloten, de vide, die de twee zalen verbindt wordt dichtgemaakt waardoor de benedenzaal als enige cabaret overblijft. Pieter den Besten krijgt niet de opdracht de zaal opnieuw te decoreren - al laat hij zich in april 1942 bij de Kultuurkamer inschrijven, hij is niet meer betrokken bij Theater Tuschinski. Hij komt bij Van Nelle in dienst waar hij verpakkingen ontwerpt voor surrogaatkoffie. Het is de Nederlandse kunstenares Corrie Helman die de carnavaleske schilderingen voor het nieuwe Tivoli-cabaret ontwerpt.
Bijna anderhalf jaar na de brand heropent het cabaret op feestelijke wijze op vrijdag 13 november 1942.

Het einde
Abraham Tuschinski maakt de heropening van het cabaret niet meer mee. Na de vernedering van zijn ontslag heeft hij in januari 1941 - op hetzelfde moment dat voor Joden het bioscoopbezoek verboden werd - en volmacht moeten tekenen waarin hij de heer K. Blom het recht geeft: 'om zijne belangen waar te nemen, voor zijne rechten op te komen en hem daarbij te vertegenwoordigen'.
Uit de beverige handtekening onder deze verklaring spreekt de wanhoop en de onmacht van de bioscoopkoning aan wie alles is ontnomen.
Abraham woont nog steeds in de Rochussenstraat bij Jet Bood. Daar mag hij van de onderbuurman de telefoon gebruiken, ook al is dat verboden door de Duitsers.
In september 1941 wordt de buurman verraden en doet de SD een inval in diens huis waarbij ze een kistje wijn aantreffen. Het kistje is verzonden van Theater Tuschinski aan Abraham. De onderbuurman wordt in hechtenis genomen wegens het overtreden van het telefoonverbod en het bewaren van Joodse goederen.
De nieuwe regels bepaalden dat wanneer een jood de wetten van het gezag overtrad hij met zijn hele familie op transport zou worden gesteld. Abraham Tuschinski en zijn hele familie worden gearresteerd. Slechts drie nazaten ontspringen de dans: Max Gerschtanowitz is gemengd gehuwd, Nathan Ehrlich is ondergedoken en Fifi Ehrlich is het land ontvlucht. Alle anderen worden naar Westerbork afgevoerd.
Na de oorlog schrijft Ellen Waller dat zij Abraham Tuschinski in Westerbork spreekt: 'Nog in Kamp Westerbork, het eerste station op zijn laatste, verschrikkelijke reis, lichtten zijn ogen op, wanneer hij dacht aan zijn droompaleis. Nu nog, telkens wanneer ik Theater Tuschinski binnentreed, moet ik denken aan wat hij toen glimlachend zeide. 'Als dit alles voorbij is", zei Abraham Tuschinski, en hij keek naar de kale barakken op de kille zandgronden, en de schamele, opgejaagde mensen, zijn eigen plunje, naar mij, "als dit alles voorbij is komt u weer bij mij zitten, in de loge van mijn mooie theater."En terwijl hij sprak over zijn mooie theater was, voor één ogenblik, Westerbork vergeten.'
Een schrijnend verhaal, prachtig in zijn tonen van moed en geloof in het goed, en diep pijnlijk in de wetenschap hoe het met Abraham af is gelopen.
Maar het is niet waar. Deze ontmoeting kan nooit plaatsgevonden hebben. Hoe mooi Ellen Waller het ook op papier heeft gezet: in september 1941 is zij nooit in Westerbork geweest. Bovendien heeft Abraham zelf er nauwelijks de tijd doorgebracht om met iemand te praten. Bijna direct is hij op straftransport gesteld.
Tuschinski, Abram I. (14.5.83) staat op lijst A. Nr. 22 - Jüdentransport aus den Niederlanden - Lager Westerbork, samen met Tuschinski-Ehrlich, Marion (22.6.85).
Het transport dat 14 september 1942 uit Westerbork vertrekt, maakt nog een tussenstop in Kosel waar alle gezonde mannen tussen de vijftien en vijftig jaar worden uitgeladen om tewerk gesteld te worden. Abraham zit daar niet bij. De trein rijdt door naar Auschwitz waar alle inzittenden direct bij aankomst worden vergast op 16 september 1942.

Ook Hermann Gerschtanowitz sterft dat jaar in Auschwitz. Herman Ehrlich komt een jaar later om in Sobibor.

copyright: Jesse Goossens, 2002

Deze tekst is gepubliceerd in Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.
Bzztôh, 2002
Niet meer leverbaar.