
'Ik was veertien jaar en het was crisistijd. Er waren zeven kinderen
thuis. Er moest dus geld op tafel komen. De dag na mijn verjaardag ging
ik aan het werk als piccolo in het Carlton Hotel.
Er schijnen mensen bij mijn ouders thuis te zijn geweest om te vragen of
ik bij Tuschinski mocht komen werken. Mijn ouders hebben me toen naar Tuschinski
gestuurd en daar ben ik meteen aangenomen. Dat was in 1934. Voor mij als
arbeidersjongen - een beetje grof gezegd - was Tuschinski natuurlijk een
paleis, een sprookje. Ik had niets, ik had alleen op school gezeten en toen
kwam ik ineens in dat uitgaansleven. Dat was betoverend. Tuschinski bruiste.
Muziek, artiesten, voorstellingen, films, het publiek wat binnenstroomde.
Dat leefde! In het Carlton Hotel moest ik maar afwachten of er toeristen
kwamen.'
Het werk als piccolo
'Ik moest me eerst een pakje aan laten meten, dat was een heel mooi uniform,
alleen het poetsen van die koperen knopen dat was erg. Daarna werd ik rondgeleid
om te zien waar de plaatsen waren en hoe ze allemaal heetten. Dat moest
ik allemaal uit mijn hoofd leren: parket, fauteuil, stalles, loge, royal
loge, fauteuil de balcon.
In de hal ontving ik de mensen. Aan het begin van de voorstelling stond
ik vooraan de trap en alle mensen stonden in de rij opzij in de hal te wachten
tot de eerste voorstelling was afgelopen. Dan riep ik: 'Parket, fauteuil,
stalles beneden, royal loge hier de trap op en balkon rechts de trap op.'
Op het laatst werd dat gewoon een liedje. En ik moest vragen over er mensen
waren die met de lift wilden gaan. Ik was de liftboy. Het was een hele ouderwetse
lift, met een hendel nog.
Fooi kreeg ik van de mensen die met de lift gingen en mensen die vrijkaartjes
kregen. Er waren bepaalde personen die vrijkaartjes kregen. Dan ging ik
naar meneer Blom toe en die schreef dan een briefje met een handtekening
erop waarmee ze aan de kassa een vrijkaartje konden halen. Dat waren filmproducenten
en mensen die in een andere bioscoop werkten en zo.
De meeste bezoekers kwamen wel naar mij toe. Als je me één
keer gezien hebt dan ken je mij, maar ik had geen vaste bezoekers zoals
de ouvreuses die ze naar hun plaats brachten.
Ik moest ook de koperen asbakken schoonmaken en poetsen. Een keer in de
week moesten ze allemaal gepoetst worden, maar ik moest ze iedere dag leeghalen.
Op elke twee stoelen in de gangen was één asbak. Dat was wat.
Ik drukte mezelf wel eens, maar dan riep Nellie Bijl of haar zuster van
boven: "Alfons! Poetsen!"
Die dingen vergeet je nooit meer.'
Een grote familie
'Meneer Blom ging over het personeel. Hij was de chef. Met meneer Tuschinski
hadden we niets te maken. Meneer Blom keek de handen na en of onze schoenen
gepoetst waren. Als meneer Tuschinski iets zag - als we geen slobkousen
aan hadden bijvoorbeeld - dan ging hij weer naar meneer Blom. Ik heb nooit
met meneer Tuschinski gesproken. De dames wel. Hij was nogal een vrouwenjager.
Maar ik heb nooit met hem te maken gehad.
Ik werkte van 's morgens elf uur tot 's avonds het begin van de laatste
voorstelling om tien uur.
Tussen de middag gingen we naar beneden toe om te eten. Onder het theater
aan de achterkant was een gang en daar zat het personeel. Daar hadden we
eigen kastjes en daar aten we. Ik nam zelf brood mee en ik ging broodjes
halen voor de ouvreuses. De melkboer kwam altijd langs en bracht flesjes
melk. En aan de achterkant van Tuschinski stond Kees Labordus, de haringman.
Die stond met zijn kar tussen de nooddeur en het toneel, onder het kantoor.
Dat was heel bekend, want die kerel had zúlke haring.
's Avonds ging ik gewoon naar huis om te eten. Om vier uur als de tweede
voorstelling begon was ik klaar, en dan moest ik ervoor zorgen dat ik om
zeven uur als de eerste avondvoorstelling begon weer terugkwam. Pas toen
ik achttien jaar was moest ik tot twaalf uur blijven en de uitloop doen
en het dikke tapijt stofzuigen.
Het personeel was een grote club. Er waren nooit problemen. Ik was de jongste
die er werkte. Ik was wel het lievelingetje, ik word nog bleu als ik eraan
denk. Het was één grote familie. Dezelfde mensen bleven er
ook altijd werken. We hadden een sportvereniging. Een voetbalvereniging
en een atletiekvereniging.
Ik was keeper van het tweede elftal. Ik heb ook wel eens meegespeeld
in het eerste. Omdat ik niet kon voetballen, ging ik maar in het goal staan.
We speelden onder elkaar: bioscopen en cafés. We hadden een eigen
veld aan de Kruislaan in onderhuur. Daar gingen we zondagsmorgens - want
we konden natuurlijk alleen maar 's morgens - voetballen. De ouvreuses kwamen
aanmoedigen en gingen hardlopen.
We hadden één vrije dag in de week. Mijn dag was dinsdags,
gelijk met de kapsters. Wij gingen altijd zwemmen in het De Mirandabad.
Van het failliet van Tuschinski hebben we niet veel gemerkt. Maar ik wist
wel dat Van Santen toen zaakwaarnemer was, een soort directeur. Er werd
niemand ontslagen en de sfeer veranderde ook niet. Van de overname wisten
we alleen dat ze geld kregen van een bank in de Sarphatistraat aan de overkant
van het Amstel Hotel. Een bank voor onroerende zaken of zoiets.
Ook van het vijftienjarig jubileum in 1936, hebben we niets gemerkt.'
De artiesten
'Een film voor boven de achttien jaar mocht ik natuurlijk niet zien ondanks
dat ik daar werkte. Er was zware controle. Meneer Zeldenthuis kwam dan onverwachts
midden in de film in het donker binnen. Hij had een grote lantaarn en waarmee
hij de rijen af scheen om te zien of er geen jongeren zaten. Maar wat deden
wij? We gingen in de orkestbak zitten, dan keken we naar boven. We kregen
wel een stijve nek, maar daar keek meneer Zeldenthuis nooit.
Op het orgel speelde Henry Boesnach. Iedereen heeft het altijd over
Pierre Palla of Cor Steyn, maar in mijn tijd was het altijd Boesnach en
geen ander. Die man had een bochel, hij zat helemaal krom, maar hij kon
wel spelen. Het orgel stond toen nog in het midden voor het toneel. En Max
Tak dacht dat hij de oppergodmajoor was, geloof ik. Hij was wel een vakman
natuurlijk. Hij had ook een hele bibliotheek.
Op het toneel werden hele grote shows gegeven. Vooral met de kerstdagen.
Dat was toch zo mooi!
Ik was vaak bij de artiesten in de kleedkamers om met ze te praten. Hun
optredens zag ik van achter het toneel. Het was geweldig, ze kwamen overal
vandaan. Als de film was begonnen had ik natuurlijk alle tijd. De artiesten
gedroegen zich niet als beroemdheden, ze traden gewoon drie keer per dag
op. We liepen bij elkaar in en uit.
Het cabaret was iets aparts. Dat had helemaal niets met beneden te maken.
De mensen kwamen binnen langs het podium, links en rechts. Af en toe ging
ik naar de revue kijken van achter de gordijnen.
Ik heb zelfs nog een week in La Gaîté gewerkt, met de Nelson
Revue.. Er was iemand ziek geworden, daarom moest ík toen de rekwisieten
opzetten en de gordijnen ophalen. Dat was nachtwerk want de Nelson Revue
repeteerde 's nachts. Rudolf Nelson, Dora Paulsen, Fritzi Schadl - ik vond
ze geweldig. Ze hadden elke veertien dagen een nieuwe revue. Het was ongelofelijk.'
De reclamestunts
'De passepartoutverkoop dat was feest. Drie balkonplaatsen voor één
gulden. Zoals die mensen in de steeg stonden: dat was mooi. Ik moest voor
de deur blijven staan en de mensen in toom houden, anders kwamen ze allemaal
tegelijk naar binnen. Verder moest ik sigaren uitdelen, cola en taart uitdelen.
Daar heb ik Coca Cola leren drinken. Ik vond er niets aan, maar het was
gratis.
Het was groots hoor, en alles was gratis: sigaren, sigaretten, chocolade
van Verkade. En die taart was geweldig. Dat was allemaal reclame. Er was
ook nog een reclamefilmpje gemaakt waaraan ik mee doe. Een man rent dan
hard weg met kaartjes en ik zit hem achterna. Achter het standbeeld druk
ik die kerel dan neer. Dat was leuk.
Ik heb ook een keer rondgereden met een koets met een buikspreker om reclame
te maken voor een film. En in de RAI heb ik reclame voor One night of love
moeten maken, de film met Grace Moore. Daar was toen de damesbeurs en met
meneer Schippers, de portier van Tuschinski stond ik in een mooie stand
in de RAI. We hadden daar een grammofoon achter staan. We draaiden steeds
de plaat met liedjes van Grace Moore en we moesten pamfletten uitdelen.
Er kwam toen nog een fotograaf naar me toe die vroeg of hij een foto van
me mocht nemen en daar reclame mee mocht maken. Daarmee heb ik in zijn etalage
op de Ceintuurbaan gestaan.
Will Tuschinski financierde de film Komedie om geld. Toen ze een piccolo
nodig hadden, hebben ze mij gevraagd. Ik was met nog een andere piccolo,
Gerritje van de Velde. We werden gehaald en gebracht in een taxi. In de
baas zijn tijd. Dat was heel wat, vroeger. In Duivendrecht bivakkeerden
we de hele dag. Het was meer wachten dan spelen. Er was eten en drinken
en ik geloof dat ik toen vijf gulden kreeg. Dat verdiende ik in Tuschinski
in een week. Die film is wel geflopt. Als de schuldeisers kwamen zeiden
we: 'Komen die om geld?' in plaats van 'Komedie om geld'. Een waardeloze
film vond ik het.
Tot de oorlog ben ik altijd piccolo gebleven. In 1939 moest ik onder dienst
en toen ben ik meteen weggebleven. Na de oorlog was ik veel te oud voor
piccolo. Je moest jong zijn om in zo'n pakje te kunnen. Anders was je portier,
maar alle portiers waren er nog. In de oorlog ben ik het restaurantwezen
ingegaan, zo had de familie goed te eten. Maar in Tuschinski heb ik een
hoop meegemaakt, vooral voor die leeftijd: veertien jaar.'
copyright: Jesse Goossens, 2002
Deze tekst is gepubliceerd in Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.
Bzztôh, 2002
Niet meer leverbaar.