Theater Tuschinski: Het verhaal van de timmerman
Jan Bonneveld

uit: Jesse Goossens, Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.

 

'In 1928 ben ik hier komen werken. In augustus zou ik veertien worden. Al in mei ging ik naar Tuschinski. Mijn moeder zei: "Als ze niet naar je leeftijd vragen, zeg je niets."
Zo ben ik hier gekomen.
Na drie weken moest ik een arbeidskaart hebben, dat was vroeger zo. Maar die kreeg ik niet. De bedrijfsleider van de onderhoudsdienst, meneer Koeling, zei toen tegen me: "Tot augustus blijf je gewoon hier komen. Ik geef je elke week f 1,50 en met augustus kom je in dienst."
In augustus werd het officieel en ik kreeg meteen opslag: f 3,00 in de week. Nou, dat was toen heel wat. In het begin mocht ik niet 's nachts werken, want daarvoor moest je achttien jaar zijn, maar er was wel eens een overuurtje dat ik lekker in mijn zak kon steken, want dat wist mijn moeder niet. Ik moest mijn geld met mijn broer delen, want die had geen werk. En dat deed je maar, want je had niets te zeggen.'

De leerschool
Als eerste heb ik het zevenjarig bestaan van het theater meegemaakt. Zolang meneer Tuschinski leefde, gaf hij elk jaar een jaarfeest. Na de oorlog is dat veranderd en gaven ze een keer per jaar een personeelsfeest. Dat was ook altijd heel gezellig, maar toch niet zoals toen.
Een vak leren, dat deed je hier goed. Vonk, de timmermansbaas, zei: "Je moet dat en dat doen," en kwam erbij als je zogenaamd klaar was. Dan vroeg hij: "Kun je het beter?"
Tja, wat moest je dan zeggen? "Ja".
Dan kreeg je een klap met de duimstok en kon je overnieuw beginnen.
Ook met het schuurwerk ging allemaal met de hand. Als je klaar was, ging hij er met een vinger overheen, en wee je gebeente als het niet glad was.
Dat was echt een prima baas.
Als er van de logeranden iets beschadigd was dat niet hersteld kon worden, maakten we dat, op de hand, helemaal nieuw. Ook de muren werden steeds gerestaureerd. Als er maar iets aan mankeerde dan werd dat gemaakt.
Zeker een keer per jaar gingen wij alle betimmeringen met ammoniak schoonmaken. De ouwe Koltek, dat was een fantastische meubelmaker, ging er weer overheen beitsen en lakken. Dan was alles weer nieuw.
In de lambrisering had je kleine stukjes koromandelhout, onder de lampjes en zo, die vielen er wel eens uit. Dan moesten wij weer zo'n klein dingetje maken en dat ging er dan weer in. Dat was mooi werk, en we hadden er altijd plezier in.
Ten eerste werden wij heel goed betaald. En wij kregen heel veel fooien als we goed werk hadden gedaan. Als je dat krijgt, dan doe je heel veel voor de mensen.
Met mekaar was er zo'n veertien man continu in dienst. Dat was tot de oorlog, toen kregen we allemaal de zak.'

Meneer Tuschinski
'Meneer Tuschinski was een prima baas.
We hadden een keer zo'n veertig uur achter elkaar gewerkt - dat mag ik gerust vertellen, want je bleef werken zolang het nodig was - en we zeiden tegen de mensen: "We maken het niet meer, we komen morgenochtend wel. "
Maar toen kwam meneer Tuschinski en die zei, op zijn manier: "Ik wil het graag klaar hebben." Zoals hij dat zei kan ik het niet zeggen. Als je hoorde hoe hij sprak, een heel zwaar Pools dialect; dat vergeet je nooit meer. Hij vroeg: "Als ik hier blijf, blijf jij dan ook?"
Wij hebben het werk afgemaakt en meneer Tuschinski bracht koffie en broodjes achter ons aan. Daar waren we echt trots op, dat we door meneer Tuschinski zelf bediend werden.
Meneer Tuschinski kwam alleen dinsdag en vrijdag. En wee je gebeente als er één lampje niet brandde. Nou, dan kon je meneer Tuschinski horen ketteren. En als je nu in de zaal zit, die je altijd wel een stuk of vier, vijf stukke lampjes. Dat zijn we nooit gewend geweest.
De lampen tegen de kopwand heb ik zelf opgehangen. Meneer Tuschinski kwam kijken en zei tegen Vonk: "Meneer Vonk, ze moeten toch allebei vijf centimeter naar rechts en naar links."
We hebben de takels weer opgehangen, het ding losgeschroefd en opnieuw opgehangen. Toen kwam meneer Tuschinski weer kijken en hij zei: "Nee Vonk, die moet nog twee centimeter naar links, en die twee centimeter naar rechts."
Meneer Tuschinski ging weg en Vonk zei: "Jan, we doen er niets meer aan. We laten ze zo hangen, want twee centimeter ziet geen mens."
En ja hoor, vrijdags kwam meneer Tuschinski en zei: "Zie je Vonk, dat ik wel goed zie alles, want zo hangen ze goed."'

Het plafond
'Vroeger was het plafond allemaal decoratie.
Heel vaak werd een grote steiger van 5 x 5 meter naar het plafond gehesen zodat ze erbij konden. De schilders klommen uit de lampen aan het plafond op de steigers. Een van de schilders was heel brutaal: als er iets aan het plafond opgeknapt moest worden en er was een steiger gemaakt, dan legde die man een plank van het tweede balkon naar de hangsteiger en liep zo over die plank ernaar toe.
Als de film begon, dan moest ik de steiger tegen het plafond trekken, want dan kon de straal er onderdoor. Dat ging met katrollen met drie schijven.
Het is een keer gebeurd dat ik een punt van de steiger niet hoog genoeg had getrokken, waardoor je een zwarte plek op het doek zag. De zaal zat al vol en ik moest als de bliksem naar boven toe en dat ding een beetje hoger trekken.
Toen zat ik wel te zweten, want als er één plankje viel, kwam dat bovenop die mensen terecht!'

Personeel
'Meneer Tuschinski had hier in het theater hoogstens vier namen. Dat waren Vonk, Zeiss, De Jong en Loopik. Vonk was mijn baas, Loopik was de toneelmeester, Zeiss de schildersbaas en De Jong was de stoffeerdersbaas.
Pieter den Besten was de kunstschilder. Hij was de vakman van Tuschinski die de kleuren en ontwerpen maakte. Onder zijn leiding hebben Zeiss, Krüger en Keizer geschilderd.
De portiers, Fritz, Mosman, Van de Ven en Cupido, liepen in dat mooie uniform. Dat waren heren. Het was echt de moeite waard om binnen te komen.
Herman Dootje was hier piccolo. Die kon de mensen de centen uit hun zak kijken. Dat was een echte Amsterdamse jongen. Als die hier liep, verdiende hij goud. Ook de portiers hadden allemaal een eigen huis van de fooien die ze kregen aan de kassa's.
Het minste wat je gaf aan de ouvreuses die je naar de plaats brachten, was een dubbeltje. En als je honderd mensen naar hun plaats bracht, had je een mooi salaris. Ze kregen drie gulden per maand of per week voor het ziekenfonds, maar voor de rest hadden ze geen salaris. Toch zijn ze allemaal rijk geworden.'

Oorlog
'Toen we al bezet waren door de Duitsers, hing er opeens een vlag buiten: een Nederlandse vlag.
Toen werden de hogere beambten, zal ik maar zeggen, allemaal gearresteerd. Ik was net niet hoog genoeg. Dus ik bleef vrij, maar ik werd eruit geschopt.
Vonk, Zeiss, De Jong, Loopik en ook de bedrijfsleider die er toen was, werden allemaal gearresteerd en die hebben zes maanden in Scheveningen gezeten.
Het was om te laten zien dat Tuschinski nog van Nederland was, daarom hebben ze die vlag uitgehangen. Het was gewoon een protest tegen de bezetting van de Duitsers. Precies kan ik niet zeggen wat er gebeurd is. Het is nooit bekend geworden wie het heeft gedaan, dat is zo goed geheim gebleven. En uit de aard der zaken gingen we er natuurlijk niet achteraan, want dan werd je ook gepakt.'

De Moorse Kamer
'Er is een beschrijving in een boek over het leven van Tuschinski waarin staat dat ze er niet achter kunnen komen wie de Moorse kamer in Tuschinski heeft ontworpen en gemaakt. Dat las ik en ik dacht: potverdrie, dat ben ík geweest.
Tussen '40 en '50, na de oorlog, was hier een heel gewoon hokje. In opdracht van de directie, heeft de heer Vonk toen tekeningen gemaakt,. Die heeft het helemaal ontworpen. Ik kreeg de leiding. Al het timmerwerk heb ik gemaakt. Het is een fantastisch mooi werk geweest.
De schilderingen werden bedacht door Zeiss, hij was het hoofd van de schilders. Zeiss was decoratieschilder. Hij had hier drie mensen rondlopen: Krüger, Wilke en Keizer. Dat waren vakmensen tot en met. Ook al dat goud plakken, dat deden ze zelf. Er ging hier niets de deur uit in die tijd.
Het was hier vroeger zo mooi! Het was een genot om binnen te komen.'

Koninklijke kapstok
'Op de hal voor het cabaret was het toilet van de koningin. Daar mocht geen mens in, maar ik moest daar altijd een kapstok in maken en zorgen dat het in orde was als de koningin kwam, zodat ze haar jas uit kon trekken.
Eén keer was ik de kapstok vergeten te plaatsen. Toen werd er toch een schreeuw gegeven! "Jááááán!"
Ik moest met een rotgang met een kapstok komen. We hadden Juliana nog in die tijd, die had een bontjas in haar armen en die gooide ze zo in mijn gezicht. Maar dat was het ergste niet: het was een hele mooie jas, en er stonden een paar ouvreuses hier en die hebben die jas bekeken en aangepast. Dat kon allemaal want de koningin zat op het toilet. Toen ze daar weg was, heb ik de kapstok en de jas opgehangen en was alles in orde.'

Gratis naar de film
'Ik had een Joodse schoonvader. Vroeger, toen ik pas verkering had met zijn dochter, zei ik: "Als u soms zin heeft om een bioscoopje te maken." Maar ik vertelde er niet bij dat ik in Tuschinski werkte.
Ik nam ze mee en daar zaten ze stalles: nou, dat was iets geweldigs. Mijn schoonvader dacht dat ik schatrijk was: met vier man naar Tuschinski! Maar het kostte mij niets.
Ook toen ik al getrouwd was ging ik met mijn vrouw iedere week naar de film. Maar daar maakten we dan echt een uitgaansdag van. Dan gingen we eerst een borreltje kopen, daarna gingen we naar de film, vervolgens naar Dobbe en dan pas naar huis.
Dobbe en een borreltje kopen, dat was altijd een hoop centen, maar omdat je voor niks in de bioscoop mocht, kon je dat doen.
Film was toch anders in die dagen. Ik weet nog dat er een film was waarin een vrouw uit het water werd gered door een man, die legde haar op bed en kleedde haar uit, zodat ze alleen haar broekje nog maar aan had. Toen zag je hem denken. Hij keek rond, pakte stoel en zette die voor die vrouw neer, zodat je niets kon zien toen hij haar broekje uittrok.
Er zijn mannen geweest die wel drie of vijf keer naar die film gingen, in de hoop dat die vent een keer die stoel vergat. Maar dat kan natuurlijk niet.

Het is mijn droom om Tuschinski honderd jaar te zien worden. Ik moet daarvoor nog twintig jaar leven, dat is een hele tijd voor mij. Alle jaarfeesten, vanaf het zevende jaar, heb ik meegemaakt. Dus dat is heel wat. Maar als ik het honderdste mee mag maken, ben ik blij.'

copyright: Jesse Goossens, 2002

Deze tekst is gepubliceerd in Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.
Bzztôh, 2002
Niet meer leverbaar.