Theater Tuschinski: Filmkritiek

uit: Jesse Goossens, Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.

 

Iedere vrijdagmiddag is voor Abraham Tuschinski een kwelling. Dan vindt de matineevoorstelling plaats waarbij de journalisten in loge 14 kijken naar de premières.
Bij de uitgang van de journalistenloge staat Abraham, kijkend en luisterend hoe de film ontvangen wordt. Na de voorstelling nodigt hij het liefst de recensenten uit om in La Gaîté iets te komen drinken, op dat moment probeert hij uit ze te trekken wat ze van de films vinden.
De journalisten die hem allemaal, bijna liefkozend, 'Bram' noemen - al blijft hij op zijn beurt tegen hen allen beleefd 'meneer' zeggen - weten hoe ze Abraham op de kast moeten jagen. Het ergst vindt hij het als een film 'goedkoop' wordt gevonden.
'Goedkoop….? Goedkoop….?! Weet u wat ik voor die film betaald heb….? Noem het een stinkfilm, maar zeg niet, dat ie goedkoop is!'

Kadootjes
Abraham Tuschinski is altijd een heer. Wie er ook te gast is, hij wordt met de grootste égards behandeld. Zo ook de pers. Het liefst legt Tuschinski alle journalisten in de watten, maar zijn hoofse en galante gebaren worden niet altijd even goed begrepen. Sommige journalisten denken dat Abraham hen om probeert te kopen.
Zo heeft Piet Bakker Abraham ooit verdriet gedaan. Op een oudejaarsmiddag staat er in Bakkers werkkamer een grote fruitmand met kaviaar, Hennesy, veel fruit en een kaartje aan het hengsel: 'Gelukkig Nieuwjaar. A. Tuschinski.' Bakker stuurt de mand terug met het bericht dat hij als journalist zo'n geschenk niet aan kan nemen.
Een week later ontmoet hij Abraham die met tranen in zijn ogen zegt: 'Je hebt me m'n Nieuwjaarsdag bedorven. Waarom deed je me dat aan? Dacht je heusch, dat ik je wilde omkoopen….? En ineens barst hij fel uit: 'Maar man, als ik jou wou omkoopen, dacht je, dat ik dan met zoo'n rottige mand aankwam? Dan zou ik je een heele comestibleszaak cadeau doen! Toen ik je briefje kreeg heb ik gehuild. Het was gemeen van je. Gemeen!'
De angst voor slechte kritieken geeft de journalisten veel macht over Abraham. Dat wordt eens te meer duidelijk als op een middag de operateur het beeld en geluid van een film niet gelijk laat lopen. Abraham is zo verschrikkelijk woest dat hij naar boven wil vliegen om de man te ontslaan. Maar Piet Bakker dreigt de film te zullen afkraken als Abraham de daad bij het woord voegt - ook al vindt hij het een schitterende film.
Bij het vertrekken van de journalisten snauwt Abraham Bakker toe: 'Hai blaift'. Beter een operateur die fouten maakt dan een slechte recensie in de krant..

Overdrijving
Abraham Tuschinski blijft altijd hoffelijk tegen de journalisten. Als er om een gesprek wordt gevraagd, ontvangt hij de interviewer in de Moorse Kamer om daar omringd door comfort zijn verhaal te doen. Dat maakt indruk. Menig journalist begint zijn verhaal met de beschrijving van de gerieflijke ontvangstruimte, een 'boudoir, waar alles mollig, zacht getint, exotisch,… grappig is.'
Als hij het woord voert probeert hij keer op keer duidelijk te maken dat wat zijn theaters brengen het allerbeste is. Daarbij is enige borstklopperij hem niet vreemd: 'wij trachten immers altijd 't beste van 't beste te kiezen […] Daarom verwijt de hele bioscopie hier en in 't buitenland mij immers, dat ik het publiek bedorven heb met mijn bioscooppaleizen, met luxe en comfort, - met mijn programma's waarvan de kostprijs immers altijd bijzaak is.'
Dat in Tuschinski altijd alles het beste van het beste is werkt bij de journalisten op de lachspieren. Zij steken de draak met de superlatieven waarmee de films in Tuschinski worden aangekondigd. Zo gebruikt Alex de Haas bij de beschrijving van een nieuwe film iets te vaak het woord 'buitengewoon' en zeggen de journalisten in de Vrijdagmiddagloge tegen Abraham: 'Bram, is het weer buitengewoon wat we krijgen?'
Dat laat Abraham zich niet zeggen, hij stormt Alex de Haas en scheldt hem de huid vol: 'Ie maakt main kapot bij de zjoernalisten! Ie moet niet altijd schpreken van "buitengewoun"! Ie moet gewóun zeggen: deze film is het groutschte van het groutschte!!!'

Toorn
Wanneer hem in zijn ogen onrecht wordt aangedaan kan Abraham zich woedend maken. Hij voelt zich altijd persoonlijk geraakt als iets over zijn theaters of filmkeuze wordt gezegd.
In 1924 woedt er een grote strijd tussen de voorstanders van de Duitse films en die van de opkomende Amerikaanse films. Tuschinski had juist een meerjarig contract afgesloten met Paramount, maar dichter/troubadour Speenhoff - die regelmatig in Tuschinski theaters optreedt - heeft daar geen idee van.
Uit de kritieken maakt Speenhoff op dat de Duitse films 'beter' zijn dan de Amerikaanse en gaat er dan ook zonder aarzeling van uit dat Tuschinski die kant van de strijd ingenomen heeft. In het Amsterdamse spotblad Uiltjes eigen weekblad kraakt Speenhoff de Paramount films dan ook tot op de bodem af: 'afgezaagde, dorre futloze films', noemt hij ze.
Niet veel later komt hij nietsvermoedend Tuschinski binnen om daar op te treden als Abraham razend op hem afstormt: 'Ie bent een sjlècht mens! Ie eet maain broud en ie maakt maain films kapot. Als ie niet zo'n grout artiesjt was sjmeet ik ie zélf die straat op!'
Pas op dat moment beseft Speenhoff dat hij een foute conclusie heeft getrokken: hij haast zich te verontschuldigen en legt Abraham uit dat hij dacht hem juist een plezier te doen.
Twee weken later verschijnt in Uiltjes eigen weekblad een stuk van Speenhoff in waarbij - zonder enige scrupules - de Duitse film wordt afgemaakt en de Amerikaanse film de hemel in geprezen wordt.

Aartsvijand nummer 1
Wie succes kent zal altijd meemaken dat anderen hem dat misgunnen. Abraham Tuschinski krijgt als persoonlijke tegenstander Menno ter Braak tegenover zich.
Om ogenschijnlijk onbegrijpelijke redenen heeft de vierentwintigjarige student Ter Braak Abraham uitgeroepen tot zijn persoonlijke vijand. Liever gezegd, hij koestert een diepe wrok tegen de man die 'in zijn theater Tuschinsky [is] geïncarneerd'. Pesterig blijft hij Tuschinski met een y schrijven, ook na de officiële verandering in 'i' om zijn minachting te benadrukken.
Iedereen die zich in de omgeving van Tuschinski ophoudt krijgt ervan langs. De succesvolle artistiek leider van het cabaret La Gaîtë wordt om schreven als 'een conférencier, die slechts eenmaal per jaar geestig is'. De geliefde cabaretier Alex de Haas is 'de leukerd-van-meneer-Tuschinsky, die zijn talen zo goed spreekt en zo erg zijn best doet en zo erg voor meneer Tuschinsky altijd opkomt.'
Dat het moeilijk is te schelden op een man als Abraham - omdat hij in wezen toch niets misdoet - wordt wel duidelijk als Menno Ter Braak tekeer gaat bij het vijfjarig jubileum van Theater Tuschinski. 'Ondergetekende,' schrijft hij in Propria Cures, 'heeft hem vaak uitgescholden in deze kolommen, maar hij wou, dat hij meneer Tuschinsky's honorarium opstreek. En dat dan het hele theater Tuschinsky (behalve 'Gaîté') tot de grond afbrandde. En dat meneer Tuschinsky een zaakje in tweedehands meubelen ging opzetten. Want nog nooit heeft iemand zo weinig benul gehad van een film als deze meneer Tuschinsky. Er is niets goed aan hem, behalve zijn waarschijnlijk goede hart, zijn gemakkelijke stoeltjes…. Plus de omstandigheid dat zelfs deze goochemste handelaar in films zich eens door een toeval liet beetnemen door Raskolnikov!'
Hoewel het bijna lachwekkend is op welke manier Menno ter Braak zijn vijand aan het kruis probeert te nagelen, zijn de aantijgingen die Ter Braak in bovenstaand artikel doet, Abraham Tuschinski teveel. Hij neemt een advocaat in de hand om Ter Braak het stuk te laten herroepen. Enerzijds omdat in het stuk de persoon Tuschinski 'in ernstige mate gegriefd en beledigd' is , anderzijds omdat het 'zeer schadelijk voor de zaken van de heer Tuschinski' is.
Ter Braak reageert in eerste instantie niet persoonlijk op deze brief, maar laat de redactie uit zijn naam verklaren dat het niet de bedoeling is Abraham te kwetsen. Maar daarna bedenkt hij zich. In de volgende Propria Cures trekt hij opnieuw fel van leer:
'Ik denk er niet aan één syllabe van mijn artikel te zijnen pleiziere terug te nemen; integendeel, als ik tijd van leven heb en de heer Tuschinski 'meneer Tuschinski' blijft, zal ik niet nalaten elders voort te gaan de richting van zijn filmbranche aan de scherpste kritieken te onderwerpen.'
Ter Braak is het dan ook absoluut niet eens met de aantijgingen van de advocaat. Hij heeft de persoon Tuschinski nooit beledigd - die kent hij niet eens, zo redeneert hij - maar het 'reclamesymbool "meneer Tuschinski" geridiculiseerd'. Met recht, zegt hij. En wat het schaden van Abrahams zaken betreft: Ter Braak denkt niet dat er ook maar één student minder naar het Tuschinski Theater gaat wegens zijn artikelen. 'En al zijn zaken zaken en relaties relaties, ik zal niet ophouden te zeggen, dat dit grootste, duurste, protsigste theater van Amsterdam zich voor de filmkunst niet verdienstelijker heeft gemaakt dan het eerste het beste volksbioscoopje op de Nieuwedijk!….' Voor Ter Braak vertegenwoordigt Theater Tuschinski 'op zijn best de gulden middenmaat, op zijn slechtst de amerikaanse schoensmeermoraal in filmland.'

Filmliga
In mei 1927 richt Menno ter Braak met mede-student Henrik Scholte de Filmliga op. De liga wil films vertonen die niet door de censuur van de commerciële bioscopen komen. Daarbij krijgen de jongeren steun van van onder anderen Joris Ivens en oude rot in het vak Leo Jordaan. Als de realisatie van de Nederlandsche Filmliga in september van dat jaar is gelukt, geeft de organisatie een eigen filmblad uit.
Ook in dit 'Orgaan der Nederlandsche Filmliga' blijft Ter Braak zijn giftige pen hanteren om Tuschinski te portretteren als de belichaming van alles wat in de ogen van de Filmliga verwerpelijk is. Zo prijkt op de voorpagina van het vierde nummer een artikel met de kop: 'Goliath en David. De heer Tuschinsky en wij'.
Alsof de Bijbelse toespeling verkeerd uitgelegd kan worden, verklaart Ter Braak zich nader: 'Moge de heer Tuschinsky een Goliath zijn - wij voelen ons een David en de steen, dien wij slingeren, is de onvernietigbare kracht van onze beweging!'
Deze keer heeft Abraham de toorn van de leden der Liga over zich afgeroepen doordat hij de Berlin - film van Walter Ruttmann niet wil afstaan om die door de Filmliga 'hetzij geheel of gedeeltelijk, hetzij een of meermalen te vertonen.'
Ter Braak gaat geheel voorbij aan het feit dat Abraham Berlin heeft aangekocht voor zijn theaters in Amsterdam en Rotterdam en dat hij nog niet in roulatie is genomen. Het uit handen geven van de film zou het uit handen geven van de première van een meesterwerk betekenen, waarvan veel verwacht wordt. Zowiezo doet Menno ter Braak óf zijn huiswerk niet goed óf het gaat hem werkelijk alleen om het schoppen tegen de gevestigde bioscoopmagnaat. Een feit is namelijk dat de films die de Filmliga draait als 'reprises van oude, goede, maar helaas te spoedig vergeten films' op enkele uitzonderingen na in Tuschinski hebben gedraaid: de Asta Nielsen en Charlie Chaplin films, Nosferatu van Murnau en Wienes Raskolnikov sierden allen Tuschinski's filmdoek - op de laatste film na zelfs met groot succes. Daarentegen zijn de vertoningen in kleine kring die de Liga zelf organiseert een flop.
Wat de gewilde Ruttmann-film betreft: uiteindelijk vertoont Abraham dit juweeltje in een speciale filmcyclus. Iedere zondagochtend draait hij in Theater Tuschinski films die buiten het gebruikelijke commerciële aanbod vallen. Als blijkt dat daar voldoende aandacht voor is, gaat hij hele programma's samenstellen rond films die niet aansluiten bij de gebruikelijke programmatie. De meesterwerken van Josef von Sternberg, Sergei Eisenstein en Joris Ivens komen op deze manier in Theater Tuschinski terecht, maar dat vermurwt de Liga niet.
Ook bij de première van de talkie Broadway Melody gaat de liga, inde gedaante van L.J. Jordaan in De Groene Amsterdammer flink tekeer. Goed, hij is het ermee eens dat de sprekende film 'een verbluffend volmaakte technische vorm' heeft: 'de klankfilm heeft zich vloeiend en zonder haperen kunnen uiten'. Maar hij meent ook dat daarmee de filmkunst in een klap tien jaar strijd teniet heeft gedaan.
De ware filmliefhebber is weer terug bij af. De artistieke verworvenheden in de film zijn in een klap vernietigd: de 'eindeloos genuanceerde beeldcombinaties' hebben nu plaatsgemaakt voor een 'vastgeroeste camera' die ouderwetse toneelgebaren en decors registreert. 'In plaats van de levende, rythmische stuwing van het filmproza - lange vervelende dialogen in kauwgummi-Amerikaansch … in plaats van de "musique des images", de muziek (god helpe ons!) van Broadway- en andere "melodys".'
Voor de Filmliga is de klankfilm niet meer dan '"La Gaîté" en "Folies-Bergère" in blik - een conservenmaal van revue- en café-chantantgenietingen.' En al maakt de film waar wat hij belooft en geeft hij de werkelijkheid weer zoals nooit te voren een film heeft gedaan, dan blijft de vraag waarom. 'Waarom, als wij nu toch jazz-songs moeten slikken, niet de levende menschen genomen? Waarom, als men ons met alle geweld wil tracteeren op revuegrappen en cabaret-dialogen, niet de werkelijkheid gegeven'. Kortom, de geluidsfilm is niet meer dan een 'zin-loos pratend en zingend panopticum'.

Handreiking
De niet aflatende kritiek van de Filmliga blijft Abraham Tuschinski verbazen. Hij neemt uiteindelijk het initiatief en gaat in 1930 het gesprek aan met de voorzitter van de filmliga van Rotterdam.
Het is bijna aandoenlijk om te zien dat Abraham werkelijk niet begrijpt wat nu het probleem is, waarom hij door de liga zo hard wordt veroordeeld.
'Waarom willen de heren ook nooit met me eten?' vraagt hij wanhopig, doelend op de copieuze maaltijden die hij bij feestelijke gelegenheden aan de journalisten aanbiedt. Dat de critici bang zijn dat ze omgekocht werden is iets dat - ondanks misverstanden als met Piet Bakker - niet in zijn hoofd opkomt. Pas als de critici dat misverstand doorkrijgen en mee-eten zonder gedwongen te worden goede recensies te schrijven, verbetert de onderlinge stemming zienderogen.
Tijdens de besprekingen met de voorzitter vertelt Abraham dat hij van plan is om Rotterdam een avant-gardetheater te schenken: het Rotterdamse Gaîté loopt niet en hij wil het verbouwen tot aparte bioscoop. Niet iedereen is even gelukkig met dit aanbod: De Amsterdamse Filmliga is woedend - waarom krijgt Rotterdam wel een eigen theater en Amsterdam niet? De Amsterdammers kunnen zich pas met het aanbod verzoenen als ze begrijpen dat dit nieuwe theater niet exclusief met de Rotterdamse liga verbonden zal zijn, maar dat de Nederlandsche Filmliga in deze bioscoop van Abraham Tuschinski het recht van voorvertoningen krijgt.
Toch kan Menno ter Braak zijn haat jegens Abraham niet van zich afzetten. Bij het tienjarig jubileum van Theater Tuschinski doopt hij opnieuw zijn pen in het gal: 'Stoutmoedig plaatst de heer Tuschinski zijn theater in het middelpunt van het heelal; in concentrische cirkels bewegen zich daaromheen Amsterdam, Nederland, de wereld. Alweer een trek van genialiteit: terwijl ieder weet, dat geen enkele Amsterdammer geroerd is geweest, omdat het Theater Tuschinski tien jaar bestond, organiseert de grote zakenman door zijn jubileum-nummer de illusie, dat Amsterdam hysterisch juichte, dat er in Amsterdam een gezinsleven met warme, vertrouwelijke blikken bloeit op het handgeknoopte Deventer tapijt van de beroemde voorhall! De heer Tuschinski laat de zon om de aarde draaien, en het gaat hem goed af.' Hetzelfde geldt volgens Ter Braak voor Max Tak: 'de hofmaarschalk'. Maar zo besluit hij 'Van de heren Tuschinski en Tak kan men geen indringende psychologie (als litteraire zelfbeschrijving) eisen.'
Op 21 oktober (opnieuw deze datum) 1932 opent Studio '32. In de filmzaal draait René Clair À nous la liberté. De hal van het avant-gardetheater is in gebruik genomen als expositieruimte voor jonge kunstenaars. Herman Ehrlich (zelf een fervent kunstverzamelaar) werft hiervoor de werken aan. Bij de opening zijn schilderingen van Pieter den Besten te bezichtigen, later zal ook Hendrik Chabot daar debuteren.
Het lijkt alsof de Filmliga heeft gewonnen, maar niets is minder waar. De conflicten over welke films nu wel of niet voldoen aan de artistieke kwaliteit die de liga eist, trekken een zware wissel op de bestuursleden. In de zomer van 1933 heft de organisatie zichzelf op.
De stem van Ter Braak tegen Abraham Tuschinski verstilt.

Het laatste woord is aan Abraham zelf: 'Goed, laten we nou 'es aannemen, dat hooge kunst gezond voor 'n mensch is. Maar dan hoef je bezoekers toch niet in een vervelende zaal te laten zitten. Waarom geen stuk muziek tusschen de bedrijven door en waarom geen mooie uniformen voor het personeel! En dan de programma-meisjes...! Het maakt toch een reusachtig verschil, of een aardig, vriendelijk kind je naar je plaats brengt of een vent met een groote hangsnor.
De menschen willen "uit" zijn, in een prettige omgeving zitten en lachen of huilen, in ieder geval iets ondergaan, dat anders is dan thuis. De mannen willen graag een mooie vrouw en de vrouwen een prettigen man op het tooneel zien. Daar moet je eerst voor zorgen en dan komt de kunst vanzelf wel.
En dan: je kàn het publiek niet te erg verwennen. Ik ben de slaaf van m'n bezoekers, ik laat me voor ze hangen! Want het publiek regeert meneer! Of we nou hoog springen of laag springen: wie geen centen in z'n laadje krijgt kan de tent wel sluiten.'

copyright: Jesse Goossens, 2002

Deze tekst is gepubliceerd in Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.
Bzztôh, 2002
Niet meer leverbaar.