
Op 6 oktober 1927 staat New York op zijn kop. In Warner's Theatre vindt
de première plaats van The Jazz Singer met Al Jolson in de hoofdrol.
Het is de allereerste geluidsfilm. De Talkie is geboren.
Abraham Tuschinski kan natuurlijk niet achterblijven bij de ontwikkelingen
in Amerika en wil deze noviteit ook in Nederland introduceren. Abrahams
theaters - en met name Theater Tuschinski - zijn immers tot nu toe altijd
toonaangevend geweest in de Nederlandse filmwereld: Abraham was de eerste
die een cinema-orgel installeerde, de eerste die een Würlitzer het
land invoerde, de eerste die de gekleurde Prisma-films vertoonde en de eerste
die de tekenfilm bracht. Nu is het tijd voor de geluidsfilm. Dat gaat alleen
niet zo snel als hij wel zou willen. Pas anderhalf jaar later staat alles
klaar voor de grote première.
Het publiek is inmiddels opgewarmd door aankondigingen in het Tuschinski
Nieuws. Een maand voor de première schrijft Max Tak: 'Wij zijn altijd
de eersten geweest, wij zullen het blijven.
Slechts enkele weken nog.
Wacht af en oordeel.
Straks gaat de film spreken, straks zal de sprekende film opnieuw getuigenis
afleggen van de activiteit der theaters, die sinds jaar en dag door het
publiek beschouwd worden als de best gebouwde, best geoutilleerde, best
verzorgde bioscooptheaters van ons land: DIE VAN TUSCHINSKI'
De techniek
Op vrijdagmiddag 10 mei 1929 wordt een legertje persmannen, fotografen en
tekenaars door Abraham Tuschisnki ontvangen en meegenomen naar de operateurscabine
boven.
Daar staan, keurig in het gelid, zes enorme glanzende projectietoestellen.
'Hier hebben we gewerkt met tien man, twee maanden, in ploegen, dag en nacht,'
vertelt Abraham. 'Al deze projectietoestellen, Simplex en Ernemann, zijn
nieuw. Ik heb de oude, ofschoon nog feilloos werkend, eruit gegooid.'
Iedere projector kan drie verschillende soorten films draaien: zwijgende
films, geluidsfilms volgens het Movietone principe en klankfilms met Vitaphone.
Vitaphone is een in Duitsland ontwikkeld principe, waarbij de film en het
geluid tegelijkertijd worden opgenomen: het geluid op een grote grammofoonplaat,
de film op celluloid. Tijdens het draaien van de film, draait de plaat mee
(op halve snelheid anders is de ruimte op de plaat onvoldoende om de lengte
van de film te dekken). De pick-up wordt versterkt door luidsprekers de
zaal in gebracht.
Movietone, het Amerikaanse equivalent, wordt door de filmcritici meteen
beter geacht dan vitaphone. Hierbij is het geluid in een reeks streepjes
op de rand van de filmstrook zelf aangebracht. Geluid en film bevinden zich
dus naast elkaar op één band - met als voordeel dat ze niet
ongelijk kunnen lopen. In het projectieapparaat wordt de 'streepjescode'
omgezet tot geluidstrillingen waardoor opnieuw via de luidspreker het geluid
het publiek kan bereiken.
Voor de projectie heeft Abraham, hoewel het Tuschinski Theater een prachtig
filmdoek had, van de maatschappij Western Electric een nieuw scherm moeten
aanschaffen, anders mocht hij de geluidsfilms niet vertonen. 'Aan een schroefje
en een spijkertje verbinden zij hun verantwoordelijkheid,' klaagt Abraham.
'Ik was niet zoo goed, of mijn arm projectiedoek moest eraf; u kunt het
verfrommeld in een berghok zien liggen
'
Maar nu staat niets meer de vertoning van de eerste klankfilm in Theater
Tuschinski in de weg.
Première
De avond van die tiende mei heeft Theater Tuschinski de Europese première
van de geluidsfilm Broadway Melody. Abraham kan trots zijn: zelfs in Londen
zal de film pas een dag later vertoond worden. Het publiek bestaat uit de
belangrijkste lieden uit de wereld van de kunst en de politiek, en zoals
het een gala-voorstelling betaamt, zijn ook de opvallendste verschijningen
uit het 'society-leven' aanwezig bij dit bijzondere ogenblik in de filmgeschiedenis.
Op het toneel verkondigt Abraham dat de cinematografie op een keerpunt staat
en dat volgens hem de toekomst is aan de talkies. Tegelijkertijd belooft
hij met de hand op zijn hart dat, ook al zal de geluidsfilm de zwijgende
film verdringen, hij zolang hij bestaat het Max Tak orkest zal behouden.
Als de eerste voorfilm start is iedereen verbijsterd. Een harpist speelt
harp en een zanger zingt. Even is het een omschakeling, maar al tijdens
dit eerste nummer leert het publiek op de juiste manier te kijken waardoor
het geluid en beeld samensmelten. Na het eerste lied klinkt er in de zaal
een luid applaus.
Ook bij de hoofdfilm is het even wennen: 'Charles King, een cabaret-artist
met een zeer aangename, donkere stem, zingt "songs", de meisjes
ook, en de gesprekken (allen met een Amerikaansch accent) zoowel als de
snikkel, het lachen en het dansgetrappel, komen inderdaad: van het doek.'
De film in Amerikaans-Engels, zonder ondertiteling, wordt door het merendeel
van het publiek zonder moeite begrepen. Juist de intonatie van de zinnen
die door de talkie te horen is, maakt de bedoeling van de acteurs duidelijk.
De conclusie van de kijkers is eenduidig: deze film is niet te vergelijken
met een zwijgende film. Het is iets volslagen nieuws. Het enige wat men
kan doen is met smart uitkijken naar de volgende.
De avond is een groot succes. Op Leo Jordaan na, die in De Groene Amsterdammer
moppert over de teloorgang van de filmkunst (zie het hoofdstuk Filmkritiek)
is iedereen vol lof. De filmcritici zijn het eens met Abraham dat de talkie
de wereld zal veroveren: in de korte tijd dat de geluidsfilm bestaat, heeft
hij al een ontwikkeling doorgemaakt die ver uitstijgt boven de groei die
de zwijgende film in één jaar onderging.
Max Tak spreekt in het Tuschinski Nieuws zijn dank uit aan Abraham:
'Arntzenius heeft het zoo juist in "De Telegraaf"gezegd: er zijn
te weinig Tuschinski's in Amsterdam, in Nederland.
Maar allen, die met Tuschinski mogen samenwerken, allen, die het geluk kennen
door hem geleid te worden, zij weten, wat het zeggen wil met een zoo groot
mensch als Tuschinski, aan het doel te mogen arbeiden: den bloei van het
Huis Tuschinski.'
Programmatie
Abraham Tuschinski is persoonlijk verantwoordelijk voor de keuze van de
films die in het theater draaien. Hij is dan ook geabonneerd op alle mogelijke
filmbladen om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen bij de diverse
filmstudio's.
Abraham heeft een voorsprong op andere bioscoopdirecteuren omdat de vertegenwoordigers
van alle filmmaatschappijen (Metro Goldwyn Mayer, Paramount, Universal,
Fox, United Artists, Warner Brothers en First National) weten dat hij het
beste betaald. Daar wordt natuurlijk ook wel misbruik van gemaakt: als Abraham
één film speciaal wil hebben en de vertegenwoordiger krijgt
daar lucht van, dan kan hij de prijs belachelijk hoog opdrijven in de wetenschap
dat Abraham toch wel over de brug komt. Daarnaast gebeurt het ook dat een
topfilm in een pakket met mindere titels te koop wordt aangeboden: de koper
moet alle films tegelijkertijd afnemen of krijgt helemaal niets. Veel films
blijven dan ook bij de Tuschinski Theaters op de planken blijven omdat ze
in zo'n pakket meekomen maar de kwaliteit niet halen die Abraham aan zijn
films eist.
Iedere zomer geven de filmmaatschappijen een overzicht van de films die
ze het komende jaar denken uit te brengen. De lijsten - die zo'n dertig
tot vijfenvijftig hoofdfilms per jaar bevatten - omvat de titels van de
films, de belangrijkste acteurs en een enkele keer een korte inhoudsbeschrijving.
Op basis daarvan maakt Abraham een eerste keuze uit het filmaanbod.
De belangrijkste Amerikaanse maatschappijen sturen hun ruwe, ongemonteerde
filmversies naar Parijs. Zodra daar een zending is aangekomen, krijgt Abraham
bericht en moet hij direct naar de Franse hoofdstad vertrekken. Hij kan
het zich niet veroorloven dat iemand anders eerder dan hij beslist een film
in Nederland in roulatie te nemen.
De prijs van een film is meestal gebaseerd op de productieprijs. Een producent
probeert met de verkoop van de eerste tien kopieën de kosten van zijn
film te dekken: de rest is winst. Wanneer van tevoren duidelijk is dat een
film een kassucces gaat worden kan de prijs enorm stijgen. Zodra bekend
is welke film gemaakt gaat worden en waar die over zal gaan, wil de maatschappij
hem wel zo snel mogelijk verkocht en voltooid hebben, uit angst dat een
andere maatschappij een film met eenzelfde clou eerder op de markt brengt
en die daardoor verpest.
Wanneer de keuze voor de grote producties is gemaakt, worden deze films
naar Nederland gebracht. Hier worden ze gemonteerd en worden de vertaalde
tussenteksten erin geplaatst. De belangrijkste vertaler van filmteksten
in Nederland is Simon B. Stokvis. Na deze montage wordt de film naar het
Tuschinski Theater gebracht en opnieuw gekeurd, het liefst door meerdere
mensen. In een kaartsysteem wordt dan bijgehouden welke film er binnen is
gekomen en welke mening ieder van de keurders erover heeft geveld.
In het privé zaaltje dat Abraham boven in Theater Tuschinski heeft
laten bouwen, draait er op deze manier iedere week wel vijfendertig kilometer
film doorheen. Het liefst kijkt Abraham samen met anderen. Ook in het buitenland,
waar hij in de showrooms van firma's in Parijs, Londen, Wenen en Berlijn
soms kijkdagen van twaalf uur maakt (zo heeft hij in Londen ooit acht dagen
achtereen negen films per dag bekeken), laat hij zich graag vergezellen
door Ehrlich die de gelegenheid te baat neemt om naar variété-artiesten
te gaan kijken. Na een hele filmdag wordt Abraham dan ook meegesleept naar
revues waardoor hij zelden voor drieën op bed ligt.
Dat Nederland een kieskeurig publiek is wordt duidelijk in vergelijking
met Parijs: is het in daar niet opmerkelijk dat een goede film veertig weken
blijft draaien, in Nederland is het uitzonderlijk als een film vier weken
in de bioscoop te zien is. Wanneer Abraham eindelijk zijn programmering
voor dit lastige publiek rond heeft, moet hij nog een hindernis nemen: de
keuring van de Rijkscommissie. Geen enkele film mag de bioscoop in voordat
hij is beoordeeld door deze instantie. De Commissie is berucht om zijn strengheid:
een film wordt soms direct goedgekeurd, maar kan alleen geschikt worden
geacht voor kinderen boven de veertien, voor volwassenen boven de achttien
of geheel worden afgekeurd. Dan is een film voor niets aangekocht.
De smaak van het publiek
Het is grappig om te zien dat er een soort 'mode' in de film bestaat, die
door de willekeur van het publiek wordt bepaald.
Op het moment dat Theater Tuschinski opende, was de kostuumfilm bijzonder
in zwang. Na het succes van Ben Hur in 1926 wordt de oorlogsfilm mateloos
populair. De talkie luidt het einde in van deze trend en zorgt er zelfs
voor dat de Amerikaanse film plaats moet afstaan aan de Duitse film. Het
Nederlandse publiek is namelijk verrukt van de operette-films van Duitse
regisseurs als Ernst Lubitsch en Erich Pommer.
Abraham kan bij zijn programmering voor het nieuwe seizoen alleen maar hopen
dat de grillige smaak van zijn bezoekers niet tegenwerkt. Bij de bekendmaking
van de seizoensprogrammeringen trekt hij dan ook alles uit de kast om iedere
film die hij aanbiedt een bijzonder cachet mee te geven. Kenmerkend is zijn
introductie bij de najaarsprogrammering van 1934: 'Dertien jaar bestaat
het "Theater Tuschinski" reeds, maar ik geef U de verzekering,
dat ik gedurende al deze jaren nog nooit in staat ben geweest zooveel kostbare
en belangrijke filmwerken achtereen te vertoonen als in het komende seizoen
[
] Ik kan u gerust verklaren, dat ik voor meer dan een half millioen
heb afgesloten. Ik heb alles op alles gezet om het uitgaande publiek in
Amsterdam dit seizoen een serie filmwerken te vertoonen, zooals nergens
ter wereld in één theater achter elkaar kan worden aangeboden.'
Vervolgens wordt er een lijst films opgenoemd die wemelt van de grote namen
van acteurs, regisseurs en actrices en waarvan de een nog mooier en bijzonderder
is dan het andere gegarandeerde succes. Maar de eindbeslissing ligt toch
bij het publiek.
copyright: Jesse Goossens, 2002
Deze tekst is gepubliceerd in Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.
Bzztôh, 2002
Niet meer leverbaar.