Theater Tuschinski: Het verhaal van de ouvreuse
Aria Cornelia Kurtze

uit: Jesse Goossens, Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.

 

'Ik werkte bij een kapperszaak - Blitz op de Utrechtsestraat op de eerste etage. Ik was veertien jaar. Mijn moeder kwam daar langs en zag dat ik een trap lag te boenen. Ze kwam binnen en vroeg: "Wat doe jij nou?"
"Tja," zei ik. "Ik moet werken."
"Nee," zei ze. "Jij moet hier niet werken, jij moet het kappersvak leren." Dus zij trippelde naar boven, naar de baas. "Wat doe je met mijn dochter?"
Blitz zei: "De meisjes moeten aanleren dat ze ook werken kunnen."
"Dat kan ze wel," zei mijn moeder en nam me mee.
Maar ik wou niet thuiszitten dus ging ik naar het arbeidsbureau op de Marnixstraat.
"Wat wil je worden?" vroeg de vrouw me.
"Dat maakt me niet uit," zei ik. "Als ik maar kan werken. Of het nou op een atelier is of ergens anders, ik wil gewoon werken."
"Wacht maar even af," zei ze. "Ik geef je bericht."
Later kreeg ik een briefje in de bus dat ik me kon melden bij Theater Tuschinski als Norico verkoopster. Ik ging daar natuurlijk met een rotvaart naartoe en daar stónd me toch een rij meiden. Ik stond helemaal achterin de rij en dacht: dat wordt weer niets.
Opeens kwam er een klein piccolootje naar me toe. Dat was Herman Dootjes, hij was getrouwd met Lange Cor, een Norico verkoopster. Hij vroeg aan me of ik even met hem mee wilde gaan. Alle meiden in de rij hadden er natuurlijk zwaar de schurft in dat ik uit die rij werd gehaald.
Ik werd naar de Japanse kamer gebracht en daar zaten Blom, de chef, en Benjamin, de baas van de Norico's, en zijn vrouw, een heel klein Frans vrouwtje. Hij vroeg: "Hoe oud ben je?"
Toen heb ik gelogen. Ik heb gezegd dat ik vijftien was.
"Je hebt dit werk nog nooit gedaan, hè?" zei hij.
"Nou ja," antwoordde ik. "Je leert toch gemakkelijk genoeg aan om met zo'n doos te lopen?"
Toen zei meneer Blom: "Laten we het maar proberen. Ze is niet op d'r mondje gevallen."'

De Norico verkoopster
'Ik moest naar de meisjes toe om te kijken wat ze droegen: zwarte jurken en witte schortjes, witte manchetten en een wit kraagje.
Norico's waren blokjes ijs met chocolade eromheen. We hadden een hele grote diepvrieskast en we moesten af en toe een duik nemen om de alleronderste doos te pakken. We verdienden één cent per verkocht stukje. Als we er vijfhonderd verkocht hadden kregen we vijf gulden. Dat was prima, want wij wisten het wel aan de man te brengen.
Mijn vriendin was sigarettenmeisje. Zij liep met een groot plateau voor haar buik met sigaretten, pijptabak en gewone chocola. Daar verdiende zij de provisie op.
Het kleine Franse vrouwtje zei een keer: "Nellie," - ze noemden mij Nellie omdat er al twee Corries waren - "de damesbeurs wordt geopend en ik neem jou mee naar een stand."
Ik heb daar zalig verdiend. Het ging met wel tien stuks tegelijk: de boeren die naar de damesbeurs kwamen wilden graag ijs eten voor twaalfeneenhalve cent per blokje. Het koste twee stuks voor een kwartje en dan kreeg ik dertig centen.
Dat Franse vrouwtje wilde dat ik daar een Frans schortje droeg: een piepklein voorschootje met een enorme strik achterop. Ik was nogal dik van achteren in die tijd en die strik wiebelde maar heen en weer. Iedereen riep daarover. Daarna heeft mijn zuster voor alle meiden in Tuschinski Franse schortjes gemaakt.'

De telefoniste
'Ik heb viereneenhalf jaar als Norico verkoopster gewerkt. Toen kwam de chef, Blom, die vroeg of ik telefoniste wilde worden.
Ach ja, waarom niet, dacht ik. Maar toen kreeg ik de zenuwen.
Drie dagen in de week kwamen alle bazen bij elkaar. Ik zat achter de telefoon. Eerst kwam dan de kleine baas binnen en vroeg of ik dat of dat nummer wilde bellen. Daar kwam Gerschtanowitz achteraan: draai even dat nummer, en daar kwam Ehrlich weer. Dan had die een telefoon, dan weer die.
I"Het spijt me hoor, ik blijf hier niet," zei ik tegen Blom. "Dat houd ik niet vol. Ik word hier in een half jaar krankzinnig."
Hij antwoordde: "Wacht nou maar even, want er komt een plaats vrij als ouvreuse."
Er ging er een trouwen en die ging naar het buitenland toe.
Ik heb het drie maanden volgehouden en zo ben ik ouvreuse geworden. Dat is mijn lust en mijn leven geweest.'

De ouvreuse
'Met mijn zuster stond ik op de loge. Als de mensen in de grote zaal binnenkwamen, pakten wij de kaartjes aan. We brachten ze naar hun plek. De klant bleef koning. Ook al gaven ze je niks, je moest ze proberen te winnen. We wisten precies wie er op welke dag kwam. Voor alle vaste klanten, en dat waren er zoveel, reserveerden wij de plaatsen.
We stonden op de fooien. Ik had niet eens salaris willen hebben, want aan de fooien verdiende ik veel meer. Ik heb er een zalige tijd gehad.
Het was allemaal even keurig, de kleine baas wilde dat niet anders. Allemaal liepen we in zwart-wit. We droegen ook vaak een kostuum dat bij de film hoorde. Zo moesten we bij een film in Chinese kleding thee schenken in de hal. Een dikke ouvreuse had een broek aan die te klein was. Op een gegeven moment liet een vrouw haar tas vallen. Zij buigt voorover om hem voor haar op te rapen en haar hele broek scheurt open. Zo'n dikke kont komt tevoorschijn, uit een piepklein broekie. Het publiek heeft gegierd. Zij is naar beneden gegaan en is niet meer naar boven gekomen.
De controleurs moesten de lampen schoonmaken en wij moesten mastiek maken beneden in de zaal en in de loges. Iedere week moesten we tweehonderd schilden sjouwen. Die moesten er eruit, ze moesten gewreven worden en er daarna weer in. De werksters deden de vloeren: dweilen en wrijven. Wij moesten de hele binnenboel wrijven, stoffen en ramen lappen. Tweeëndertig ramen, iedere week. De deuren en de spiegels. Ik heb me rot gewerkt daar, maar ik genoot van alles in het theater. Ik had er de pest in dat we een vrije dag hadden. Echt waar. Dan ging ik naar een andere bioscoop. Met mijn diploma kreeg ik reductiekaarten. Dat vond ik heerlijk.'

De filmkeuring
'In de projectiekamer boven werden vaak films proefgedraaid. Wij moesten die film gaan zien en de kleine baas kwam dan kijken.
Als wij er jankend uitkwamen zei hij: "Die film wordt gedraaid".
Het publiek huilde ook om de films. En hoe! We hebben het heel wat meegemaakt dat de hele zaal zat te snikken.
Wij wisten natuurlijk als geen ander welke film zou lopen. Zo was er een film: Moeder. Een hele mooie film, maar niet voor dit theater.
We zagen dat direct. "Dit wordt niks," zeiden we.
Maar de chef zei: "Toch wordt hij gedraaid."
Hij heeft twee dagen gelopen. Toen ging hij eruit.
Maar de films met Greta Garbo en Claudette Colbert, dat waren pas films!
Bij de geluidsfilm zijn we ons rot geschrokken. Greta Garbo had zo'n harde stem! Dat waren we helemaal niet gewend. Maar toen ze een poosje draaiden waren we er helemaal aan gewend.'

De staking
'Portier Cupido was vijfentwintig jaar in dienst. Hij werd naar boven, naar kantoor, geroepen.
Wij stonden allemaal gekleed klaar voor de voorstelling die zou beginnen. Ik zei nog tegen hem: "Cuup, jij krijgt een envelop."
Maar even later kwam hij beneden met een lang gezicht.
Ik zei: "Wat krijgen we nou?"
"Ik heb ontslag," zei hij.
"Op de dag dat je vijfentwintig jaar bij Tuschinski zit?" vroeg ik. "Dat gaat niet door!" Ik riep: "Jongens! Cuup heb ontslag gekregen."
"Dat gaat niet door," zei Mosch, een controleur. "Dan staken we."
En toen hebben we het werk erbij neergegooid.
"Wat doen jullie nou?" zeiden ze van boven.
"We vinden het een rotstreek," zeiden we, "Dat Cuup ontslagen is nu hij vijfentwintig jaar in dienst is."
Een uur later is Cupido weer aangenomen. Ze konden niet anders, want de voorstelling moest toch draaien. Waarschijnlijk wist hij teveel. We hebben toen met z'n allen gelapt en een grote fruitschaal voor hem gekocht.'

Diefstal
'De Japanse kamer was vroeger een garderobe. Daar was een klein Chinees dressoirtje van zwart hout. Daar stond een beeld op van een Japanse vrouw.
Op een gegeven moment was dat beeld verdwenen.
Wij zeiden tegen de chef: "Verdomme, we missen het beeld!"
"Welk beeld," vroeg hij.
"Dat op het dressoirtje stond."
We hebben overal gezocht maar het niet gevonden: iemand van het publiek moest het meegenomen hebben.
Niet veel later kreeg de chef een telefoontje dat in Café La Réserve iemand zat met een groot pak met een doek eromheen.
"Is er niet iets van jullie weg," vroeg die kelner.
"Dat moet ik mijn meiden vragen," zei mijn chef.
Ik zei: "Dat is misschien dat beeld!"
En verdomd, ze vinden dat beeld. Een bezoeker zat daar gewoon en had dat beeld onder de tafel gelegd. Een kelner was dat opgevallen. Zo is het teruggekomen. Maar in de oorlog is het alsnog gestolen.'

De oorlog
In 1940 werden vlaggen opgehangen aan het theater, en er werd gezegd dat iemand van het personeel dat gedaan had. Maar dat zouden we nooit gedaan hebben.
Na de vlaggen werd het gebouw in beslag genomen door de Wehrmacht. Het was niet het fijne publiek wat toen kwam. Het was heel vreemd. Er kwamen allemaal militairen, daar waren ook Amsterdammers bij. We verdienden toen geen moer want de Duitsers gaven geen fooien. Dat was alleen maar in Nederland. We werkten toen bijna voor niets, maar ja, we wilden er niet uit. We werden verder wel goed behandeld, dat viel best mee. Ik kreeg een Ausweiss omdat ik 's avonds over straat moest.
Er traden allerlei artiesten op tijdens de oorlog, maar die kenden wij niet. Ik ben erbij geweest toen er brand uitbrak in La Gaîté. We hebben nooit geweten of het aangestoken was, of het sabotage was. Het brandde helemaal uit. Daarna hebben ze de opening in het plafond dichtgemaakt en er twee cabarets van gemaakt, maar boven werd het nooit gebruikt. Nooit.
We hebben daar heel wat leed meegemaakt. In het theater hoorden we dat de kleine man was weggehaald. De eerste die het wist was Esther, de dochter van Blom. Wat konden we doen? We stonden machteloos.
In 1943 kwamen we op een ochtend bij het theater.
"Verrek," zei ik. "De ijzeren hekken zitten ervoor."
We mochten er niet meer in. Het was gesloten voor personeel. Keizer stond daar, van kantoor. "Ik geloof dat jullie allemaal ontslag hebben," zei hij.
"Dat ziet er verdomd leuk uit," zei ik. "Vooruit dan maar, we gaan weer door."
Wat er toen nog achter de coulissen gebeurd is, dat zullen we nooit weten.
Die avond zocht Fien de la Mar personeel. Ik kende haar wel uit Tuschinski. Ze trad ook op in De Jantjes. Daar zijn we naartoe gegaan. Haar man, meneer Corso, opende een bioscoop op de Marnixstraat, het De la Mar theater. Daar is het hele personeel van het oude theater heengegaan. Ik heb daar nog vier jaar gewerkt. Toen ging hij dood en zij zoop als een ketter, dus toen kon het niet doorgaan.
Tuschinski was een moordtheater. Het was een schoonheid. Ik gaf twintig jaar van mijn leven als ik er nog eens werken kon met die hele oude ploeg.'

 

copyright: Jesse Goossens, 2002

Deze tekst is gepubliceerd in Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.
Bzztôh, 2002
Niet meer leverbaar.