
Herman Ehrlich
'Vader was de jongste. De vrouw van Tuschinski en de vrouw van Gerschtanowitz
waren zijn zusters. Hij is vrij jong naar Nederland gekomen. Zo ongeveer
1906, misschien een jaar later of eerder. Vader was heel verfijnd. Hij was
een kunstenaar. Ik denk zo vaak: hoe kan dat toch? Hoe komt dat gevoel voor
kunst? Dat is voor mij nog altijd een raadsel. Ze waren arm. Gewone arme
joden. Hij heeft het niet uit zijn omgeving gehad. Het moet toch in zijn
genen gezeten hebben.
Het typische van de familie was dat ze niets vertelden. Ze hebben nooit
iets van vroeger verteld. Nooit. Met stukjes en brokjes valt de puzzel in
elkaar.'
De Chinees
'Vader was bijzonder gesloten en achterdochtig. De vrouw van Alex de Haas
noemde mijn vader "De Chinees". Hij toonde geen enkele emotie.
Of er verdriet of vreugde was, of zakelijke problemen, van zijn gezicht
was niets af te lezen. Er kwam ook geen enkele warmte uit. Aanhalen of als
kind op schoot zitten, dat is er nooit bij geweest.
's Zondags moest ik met vader naar het museum, daar hield ik helemaal niet
van. Ik hield veel meer van leuke dingen, van kraaltjes en mooie dingetjes.
Dat museum vond ik zo saai. Dan stond voor zo'n werk en dan dacht ik: "Wat
is dit nu, zo'n afgehakte hand? Moet ik daar nu naar gaan kijken?"
Vader was zeer voor moderne kunst. Dat is zo bijzonder. Ik begreep daar
natuurlijk niets van. Met mijn zeven acht jaar in het museum, dat was niets
voor mij. Ik wist wel wat ik liever deed: lekker spelen.
Je had in die tijd een zaak die schilderijen verkocht en de musea. Maar
wat je nu hebt, dat je je nek breekt over de galeries, dat was destijds
niet.
Vader heeft in 1932, Studio "32 opgericht. Na de beurskrach in Amerika
kwam de crisis naar Europa. Toen brak er een hele slechte tijd aan. Toen
is het Gaîté-cabaret in Rotterdam gesloten en daar is de Studio
gekomen. Dat deed vader, daar heeft Tuschinski zich niet mee bemoeid. Vader
zorgde voor de exposities en voor de kunstenaars: iedere veertien dagen
een nieuwe expositie.
Hij genoot wel van zijn werk, van het artistieke dat erin zat. Maar met
de artiesten, de mensen, had vader niet zoveel. Hij was heel erg bevriend
met Alex de Haas. Ze gingen praktisch iedere dag samen naar huis. Toch,
in dertig jaar tijd zijn ze altijd Mieneer die Haasj en Meneer Ehrlich voor
elkaar geweest.'
Abraham Tuschinski
'Ik ben als kind jaren bij Tuschinski in huis geweest, omdat mijn broer
zo ziek was. Tuschinski was natuurlijk geweldig, maar ook heel bizar.
Tuschinski was de Vesuvius. Alles spoot eruit aan alle kanten, in alle stijlen
en dingen door elkaar. Ook thuis bij hem. Alles was een beetje Japans ingericht.
Ik was een jaar of acht toen ik bij hem in huis kwam, dat zal 1926 geweest
zijn. Ik vond het wel goed. Op de Coolsingel was het heel groot, heel hoog
en heel diep. Ze hadden een groot plat balkon achter de keuken. Daar hadden
ze kippen. Dat vond ik mooi, kippen op het platte dak, prachtig vond ik
dat. En je kon in de hal touwtjespringen. De keuken was immens groot. Tante
Manja kon goed koken, hoor. En we hadden een zeer kosjere huishouding. Ik
werd daar verschrikkelijk verwend.
Tuschinski was toch een zeer sociaalvoelend mens. Op vrijdagochtend stonden
altijd de rijen arme Poolse joden voor het huis op het Coolsingel, dan had
Manja brood en soep, en kregen ze wat geld. Ook ging er naar zijn personeel,
als er een kind geboren was, een mand toe voor de moeder, voor de kraamvrouw.
En als er moeilijkheden waren met kinderen, sociaal of over leren, dan was
er altijd een luisterend oor.
Er is eens een schandaal geweest: diefstal door een employée. Toch
heeft Tuschinski niet direct de politie laten komen en de man laten straffen.
Hij heeft hem weer een kans gegeven. Dat deed hij: mensen kregen een herkansing.
Hij was een man die zijn afkomst en zijn leven in Polen nooit vergeten is.'
Zaken zijn zaken
'Abraham Tuschinski was ook een harde vakman. Wat hij in zijn hoofd had
had hij niet in zijn kont, zeggen ze wel eens. Hij was niet altijd even
makkelijk met de architecten, de interieurontwerpers en de bouwers.
Je kunt wel lief en zacht zijn, maar dan komen al die dingen er niet. Je
moet je zaak en je menszijn scheiden. Zo gauw het werkthema ter sprake kwam,
ging Tuschinski anders met mensen om. Het moest zoals hij het wilde en zo
zou het gebeuren, ook al zeiden ze dat het niet kon. Hij liet niet ook zich
in spreken. Hij nam maar weinig aan. Als hij geen gelijk kreeg, hield hij
zijn mond. Maar dat wilde niet zeggen dat hij het dan goed vond. Dan deed
hij het toch wel, maar dan sprak hij er niet meer over.
Wat wist hij nou van architectuur en bouwtechniek toen hij in 1918 zei dat
hij geen pilaren in zijn zaal wilde? Dat is toch knap! Toch zijn de conflicten
wel te begrijpen. De architect Heyman de Jong had natuurlijk gestudeerd,
die wist hoe een lijn moest lopen. Ik kan me best voorstellen dat dat botste.
Maar als Tuschinski zei dat iets moest gebeuren, moest dat zo, anders kon
je de laan uit. Ze hadden alle twee gelijk, maar daar schiet je niets mee
op. Er moet er één gelijk en één ongelijk hebben
wil je de weg kunnen vinden.
Tuschinski heeft altijd alles doorgezet zoals hij het wilde.'
Verdiensten
'Toch was Tuschinski over het algemeen een heel warm, sociaal, lief mens.
Daar heb ik meer warmte van gehad dan van mijn vader. Ik vind het fantastisch
wat hij heeft bereikt. Tuschinski, dat mannetje dat zo ijdel was dat hij
een paar centimeter meer hak onder zijn schoen deed omdat hij wat groter
wilde zijn. Daar moest ik om lachen als klein meisje.
Met smaak hoef je het niet eens te zijn, maar alles wat mooi was wilde hij
voor zijn publiek. Het beste was nog niet goed genoeg. Om die droom te verwezenlijken
in zo'n kort tijdsbestek, daar heb ik een enorm respect voor.
Abraham Tuschinski had zich dingen voorgenomen die hij in zijn leven wilde
bereiken. Als u nagaat dat ze in 1906 binnen zijn gekomen en dat in 1940
de ellende begon. Toen hij kwam kon hij nog niet eens schrijven. Lezen heeft
hij zichzelf geleerd, met zijn vinger de woorden op de bladzijde volgend.
Hij heeft natuurlijk lang niet alles gehaald in zijn leven wat hij wilde,
maar in dat korte tijdsbestek heeft hij enorm veel waargemaakt.'
De grote liefde
'Sommige mensen zeggen dat mijn moeder "iets" met Tuschinski had.
Zij had niet "iets" met hem: hij was haar grote liefde. Ik heb
altijd geweten van de relatie van mijn moeder met Tuschinski. Zij zijn jaren,
misschien wel twintig jaar, met elkaar geweest.
Mijn ouders zijn in 1930 of '31 gaan scheiden. Tuschinski en tante Manja
zijn nooit gescheiden. Ze hebben samen drie kinderen verloren. Ik denk dat
Abraham zijn vrouw daarna niet alleen heeft willen laten. Maar misschien
zat ook in de tijd en in de mentaliteit van de Poolse joden dat scheiden
niet kon. Na de scheiding waren mijn vader en moeder water en vuur. Van
mijn moeder is altijd alles slechts gezegd. Natuurlijk ook door de zusters
van mijn vader. Van Tuschinski hebben ze altijd gezegd dat hij te royaal
en te luxueus leefde. En ze gaven mijn moeder daarvan de schuld. Ik heb
geleerd: "Van uitgeven word je niet arm, maar van niet verdienen wel."
Vader en Tuschinski hebben altijd gewoon met elkaar gesproken. Dat is toch
iets wat ik niet prettig vind. Vader had moeten zeggen: "Uit! Af!"
Ik denk dat er een stuk gemakzucht in zat.'
La Gaîté
'Mijn moeder zei altijd dat een meisje op haar trouwdag een zakdoek moest
zijn die niet gekreukt of gevouwen was. Zo was ik helemaal niet. Als ik
uitging, ging ik weg. Had ik vriendjes, dan had ik vriendjes. En ik vond
alles leuk. Ik was zogenaamd de losbandige.
Ik werd wel meegenomen naar Thé dansants en naar La Gaîté,
maar onder strenge bewaking. Het zweet stond in mijn handen als iemand naar
me toekwam om me ten dans te vragen. Als ik danste, dan wist ik niet hoe
ik mijn hoofd moest houden omdat ik alle ogen op me gericht voelde. Ik vond
het helemaal verschrikkelijk als we uitgingen en ik moest met Tuschinski
dansen. Hij danste graag en ik danste goed, maar hij geen stap. Dat vond
ik verschrikkelijk. Dat ging van een, twee, drie, hup en draai. Hij kon
helemaal niet dansen, maar hij deed het zo graag. Vader kon wel heel goed
dansen, ook Russisch, zo dicht bij de grond. Als hij een goede bui had,
deed hij dat.
La Gaîté dat was iets geweldigs, zoveel moois bij elkaar dat
kan tegenwoordig niet meer, die prachtige schilderingen. Ik vond dat een
van de mooiste plekjes van het theater: de zitjes, de stoelen en de trappen
waren echt art deco, maar de schilderijen waren Jugendstil. Pieter den Besten
had dat geschilderd, die kende ik heel goed. Hij was ook een Rotterdammer
en kwam ook bij ons thuis, een aardige man. Ik was eens in Boedapest, daar
heb je café New York. Dat is de enige plek waarbij ik aan La Gaîté
moet denken, zoveel barok bij elkaar heb je nog nooit gezien.
Begin veertiger jaren hebben ze La Gaîté veranderd. Er is brand
geweest, het fijne weet ik er niet van, maar toen zijn alle schilderijen
vernietigd. In die tijd moest alles beige. Maar vroeger was het prachtig,
dat krijgen ze nooit meer terug."
Het bombardement
'Vader was zo iemand die in mei 1940, toen de vliegtuigen overkwamen, zei:
"Niets aan de hand, dat zijn oefeningen, ga maar weer slapen".
Toen het bombardement begon, was iedereen nog thuis. Maar het duurde drie
dagen en toen het steeds erger werd, toen zijn ze naar West gekomen, naar
ons toe, in de Rochussenstraat, tegenover de Unilever. Van zowel Tuschinski
als Gerschtanowitz zijn de huizen gebombardeerd. Toen heeft mijn moeder
haar huis open gezet en hebben ze bij ons geslapen. Twee dagen zijn ze bij
ons gebleven, en daarna zijn tante Manja en de Gerschtanowitzen naar vader
gegaan: naar het grote huis op de Nieuwe Binnenweg.
Tuschinski woonde vanaf het bombardement bij mijn moeder. Hij ging wel naar
de Nieuwe Binnenweg toe om de familie te bezoeken. De drie bleven gewoon
met elkaar werken. Het is een hele bizarre geschiedenis.'
Angst
'Tuschinski had heel sterk het gevoel: dit was het land dat hem ontvangen
had, dat hem de kans heeft gegeven iets op te bouwen, dat hem zijn droom
heeft helpen verwezenlijken, dat hem zijn theaters heeft neer laten zetten.
Het zou landverraad zijn om dit land te verlaten. Hij was bang voor wat
er van buiten kwam, maar aan zijn land was hij ontzettend trouw. Hij vond
dat, en Gerschtanowitz ook. Vader ook wel, maar die was veel moeilijker
te doordringen omdat hij zo gesloten was.
Abraham Tuschinski werd aangewezen als de persoon die op 31 augustus 1940
de vlag op het theater had uitgehangen, op de verjaardag van koningin Wilhelmina.
Hij heeft toen op het Haagsche Veer in Rotterdam in de gevangenis gezeten.
Ze zeiden dat hij het gedaan had, maar Tuschinski was zo bang als ik weet
niet wat. Die heeft geen vlag uitgehangen. Die was helemaal op. Hij was
natuurlijk niet vanuit Polen hier gekomen omdat het hem daar zo goed ging.
Hij was gevlucht uit lijfsbehoud, pogroms waren daar aan de lopende band.
Hij wist veel meer dan de westerse joden.
Mijn moeder was ondergedoken bij Desmet, van de bioscoop, in Vught. Maar
ze is teruggekomen toen ze hoorde dat Tuschinski gevangen zat in het Haagsche
Veer. Ze is voor hem teruggekomen.'
Het vertrek
'Ik heb niet gezegd dat ik zou vluchten. Want als je dat zegt bezwaar je
iemand. Dus toen ik 's avonds goeiedag zei, gewoon "Joe, dag",
toen stond mijn moeder bovenaan de trap. Ik zie dat beeld nog zo voor me.
De hele familie is op hetzelfde moment opgepakt. Toen Tuschinski werd weggevoerd
was hij bij moeder in de Rochussenstraat. Moeder vertrok samen met háár
moeder, want die woonde bij ons. De oude meneer Gerschtanowitz was toen
al heel erg ziek; zijn hart. Volgens mij lag hij in het joodse ziekenhuis
aan de Schiemannlaan. Ik geloof dat hij met het leeghalen van het ziekenhuis
toen meegenomen is.
Mijn vader woonde aan de Nieuwe Binnenweg. Daarachter was een klooster.
Toen de familie werd opgepakt is mijn broer via de tuin naar dat klooster
gevlucht. Daar is hij opgevangen door de nonnen en later doorgegaan naar
een onderduikadres.
Vader zei nog toen hij naar Westerbork ging: "Ik neem twee pakken mee:
één om te werken en één voor als ik terugkom."
Ik weet zeker dat mijn moeder strafdeportatie had. Ze was immers teruggekomen
uit de onderduik, dus toen ze haar thuis oppakten kreeg ze strafdeportatie.
Dan zit je niet zo lang in Westerbork, en word je gelijk doorgestuurd. Zo
was dat.
Het enige goede ervan, denk ik, hóóp ik, is dat ze direct
vergast is. Dan heeft ze het niet gehoord of geweten. Dan heeft ze daar
de ellende tenminste niet gehad. Ze was een mooie vrouw, heel precies en
schoon, aan een zekere luxe gewend. Die had het daar toch niet overleefd.'
Afscheid
'In 1990 ben ik naar Auschwitz geweest en naar Sobibor. Vader is de enige
die in Sobibor om het leven is gebracht.
In Auschwitz zijn er gedenktekens, daar zijn nog barakken en straatjes.
Aan de ene kant is het goed, maar aan de andere kant is het net Marken of
Volendam: je kunt er met bussen naar toe, er is een souvenirwinkeltje en
je kunt kaarten en boeken kopen. Sobibor is duizendmaal erger dan Auschwitz.
Het is een verschrikkelijke vlakte met één grote berg. In
Auschwitz hoorde je nog wel eens een vogeltje fluiten, of je zag een blaadje
van een boom. In Sobibor is niets, geen vogels, geen blaadje. Dat is het
allerergste.
Ik heb die reis voor hen gemaakt. Ik wilde er heen om te zeggen: "Naar
jullie kom ik ook toe. Hier ben ik."
Ik heb mijn eigen leven opgebouwd. Maar als er wel eens wat is, iets leuks,
dan zeg ik naar boven: "Hé joh, dat hebben jullie leuk gedaan,
daarboven." Dat zeg ik vaak. Of als er iets rottigs gebeurt: "Hé
zeg, kunnen jullie daar niet iets aan doen?"
Dat is doodgewoon.'
copyright: Jesse Goossens, 2002
Deze tekst is gepubliceerd in Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.
Bzztôh, 2002
Niet meer leverbaar.