
Het is 28 oktober 1921
De mensen verdringen zich in de Reguliersbreestraat. Als de hekken openen
kan eindelijk het publiek kennis nemen van het nieuwe Theater Tuschinski
dat in vier jaar tegen de som van drie miljoen gulden (in 2002 zou dat meer
dan zevenentwintig miljoen euro zijn) is gebouwd.
Op het podium staat de kleine man die dit grootse werk heeft weten te realiseren.
Abraham Tuschinski. Hij spreekt tot de zestienhonderd man die zich in zijn
gloednieuwe Grote Zaal hebben verzameld:
'Bij de opening van het Theater Tuschinski zij het mij vergund eenige woorden
tot u te richten en U mijne meening te zeggen over de plaats, die de cinématografie
in ons tegenwoordig leven inneemt.
In een luttel aantal jaren heeft het Bioscoopwezen een groote gedaanteverwisseling
ondergaan en uit het vroegere vermaak werd geboren de tegenwoordige Bioscoop,
die ik zou willen noemen:
DE HEERSCHERES DER WERELD
[
]
Waar de tegenwoordige filmspeel- en schrijfkunst reeds eene groote hoogte
heeft bereikt, hoewel zooals reeds boven gezegd wij nog groote dingen te
verwachten hebben, is men als het ware verplicht ook de vertooningen in
een ander milieu te brengen [
]
het product van al deze scheppende en herscheppende kunstenaars dient te
worden vertoond in eene omgeving, die dezen kunstenaars ten volle waardig
is.
Door deze gedachte en onder den invloed van het verlangen iets schoons daar
te stellen, werd tot den bouw van het
THEATER TUSCHINSKI
Besloten [
]
Ieder mensch heeft na een dag van hard werken recht op ontspanning en waar
de bioscoop den blik der menschen verruimt en den goeden smaak ontwikkelt,
zal het steeds mijn streven zijn den bezoekers het allerbeste wat de cinémawereldmarkt
kan aanbieden voor te zetten.
Verdere beloften worden op deze plaats niet gegeven. De tijd zal leeren
of ik in mijne voornemens zal slagen.
Het is mij een groot voorrecht, dat U dezen avond door Uwe tegenwoordigheid
opluistert en het zal mij een genoegen zijn, U in mijn nieuwe huis rond
te leiden.'
Het openingsprogramma
Het avondvullende programma is een enorm succes. In aanwezigheid van hoogwaardigheidsbekleders
uit de financiële wereld, het zakenleven en het amusementsbedrijf,
wordt voor het eerst een kleurenfilm vertoond: 'De Vuurmeren van Hawaia
in den stillen Oceaan.' Ook nieuw is de combinatie tussen fotografie en
tekening die in de 'Stillevens van bloeiend-rijpe vruchten' wordt vertoond.
Voor de pauze wordt Abraham Tuschinski gehuldigd. Later herinnert journalist
Piet Bakker zich het moment: 'Bij de huldiging verscheen er een kleine man
op het tooneel. De zaal klapte, klapte en de kleine meneer boog en boog.
Hij bleef iets te lang buigen, ook toen het applaus al bedaarde. En onmiddellijk
flitste het mopje: "Hij durft niet weg, want links en rechts staat
een deurwaarder achter de coulissen."'
De hoofdfilm Het Oude Nest wordt enthousiast ontvangen, al is de projectie
vaak nog wat onscherp omdat de operateur de nieuwe apparatuur nog niet helemaal
onder de knie heeft. Het orkest, onder leiding van Max Tak, steelt direct
de harten van het publiek. Zo'n bioscooporkest was nog nooit eerder te horen
geweest.
De grootste verrassing van de avond is het Würlitzer. 'Alleen de vox
humana, die sopranen zoowel als bassen, en zelfs heele koren laat zingen,
jubelend of fluisterend, al naar de muziek het vereischt, is op zichzelf
reeds een wonder van techniek!' prijst het Algemeen Handelsblad.
Het is kwart voor twaalf als de bezoekers uit de sprookjeswereld van Tuschinski
naar buiten stappen, vrolijk en voldaan. Voor Abraham Tuschinski gaat het
echte werk nu pas beginnen, vanaf de volgende dag is het gebouw van het
volk: de echte bezoekers en de echte critici.
Foutje
Abraham Tuschinski had de opening van zijn theater een week moeten uitstellen
omdat het inetrieur nog niet geschikt was om mensen te ontvangen. Exact
5 jaar na de opening van Olympia op 21 oktober 1916 hadden op 21 oktober
1921 de deuren van Theater Tuschinski ontsloten moeten worden.
Het mocht niet zo zijn.
Toch kreeg Nederland een voorproefje van wat de bezoekers op 28 oktober
ten deel zou vallen. Op 22 oktober 1921 staat namelijk in Het Vaderland
een uitgebreid artikel over de opening van Theater Tuschinski één
dag te voren. In lyrische bewoordingen wordt er gesproken over de avond
waarop maar liefst vijfentwintighonderd mensen te gast zijn, waaronder talrijke
theaterdirecteuren die de loftrompet steken over het nieuwe theater.
De journalist van Het Vaderland had gedacht slim te zijn: met andere lieden
van de pers had hij al een rondleiding door het theater gehad en al het
moois in ogenschouw mogen nemen. De gala-avond zelf wilde hij niet afwachten,
dus die verzon hij er in zijn artikel maar bij zodat zijn stuk op tijd bij
de krant zou zijn.
Zo opent Theater Tuschinski twee keer: op 21 oktober in Het Vaderland en
op 28 oktober in werkelijkheid.
De voorstelling
Naar Theater Tuschinski gaan is een avondje (of middagje) uit, weet iedereen.
De bezoeker pikt niet een filmpje maar krijgt een volledig programma voorgeschoteld.
Het begint al met de manier waarop het publiek het theater betreedt. De
imposante hal, maakt zo'n indruk, dat het voorkomt dat mensen in de zij-ingang
hun klompen uittrekken en op hun sokken door de hal lopen naar het tweede
balkon. Anderen zetten hun pet af. Abraham wil daar niets van weten, voelt
zich bijna beledigd. Het publiek moet zich thuis voelen, en als ze thuis
op hun klompen lopen, dan moeten ze dat ook doen in zijn theater. Maar het
blijft een gegeven dat mensen zich extra mooi uitdossen om naar Tuschinski
te gaan.
Een kaartje kopen aan de kassa zoals dat tegenwoordig gaat is in de
jaren twintig niet gebruikelijk. Een portier staat tussen het publiek en
de kassa, neemt de bestelling van de klant op en regelt de kaartjes bij
de caissière. Zijn salaris bestaat uit de fooien die hij toebedeeld
krijgt.
In de hal worden de bezoekers dor jonge piccolo's ontvangen die hen de weg
wijzen in het theater. De jassen kunnen worden afgegeven bij de garderobe,
maar het komt ook voor dat logebezoekers hun eigen kleerhaakjes meenemen
om hun jas in de loge op te kunnen hangen. Trouwe bezoekers komen soms al
uren van tevoren om iets te drinken in de Grote Hal, te praten met het personeel
en snoep uit te delen.
In de zaal nemen de ouvreuses de taak van de piccolo's over. De meisjes
die zijn geselecteerd op hun aantrekkelijke verschijning zijn keurig opgemaakt
en dragen zwarte jurkjes met witte kanten schortjes. Op hoge hakjes gaan
ze de bezoekers voor naar hun plaats. Omdat iedere ouvreuse een vast deel
van de zaal voor rekening neemt, kent ze haar vaste bezoekers en weet ze
voor wie ze bepaalde stoelen moet reserveren. Ook de ouvreuses leven van
hun fooi. Zij krijgen via het theater alleen hun verzekeringen vast uitbetaald.
Norico-meisjes verkopen voordat de film begint Norico-ijschocolade, bier
en limonade, terwijl het Würlitzer orgel de reclameplaatjes begeleidt.
De eerste jaren is het Pierre Palla die naam maakt op het Tuschinski Orgel.
Ook het journaal begeleidt hij al improviserend.
Als voorfilm is er meestal een komisch filmpje dat wordt begeleid door het
Max Tak orkest. Traditiegetrouw wordt dan een medley van bekende melodieën
weergegeven. Het is de taak van de slagwerker om de geluidseffecten te maken
die de acties op het witte doek illustreren zoals autoclaxons, knokpartijen
en brekend glas.
Na de voorfilm is het tijd voor variété. De programmatie van
dit programma ligt in handen van Herman Ehrlich. Hij zorgt ervoor dat het
publiek kan genieten van de crème de la crème uit die tijd.
Na de pauze is de hoofdfilm aan bod. Het Max Tak orkest speelt een ouverture
van de film terwijl langzaam de spot op de dirigent en het zaallicht dooft.
Helemaal donker in de zaal wordt het nooit: een zacht strijklicht laat de
mensen de mogelijkheid nog wel te zien waar ze zich bevinden. Op het podium
is uiteindelijk alleen nog het zachte voetlicht te zien dat het doek beschijnt.
Bernard Drukker trouw bezoeker en later pianist/organist in Tuschinski vergelijkt
het verglijden van het licht met een ondergaande zon.
Op een teken van Max Tak, die daarvoor een knopje op zijn lessenaar heeft
waarmee hij de filmcabine kan inseinen, wordt ook het voetlicht gedoofd,
opent het doek en wordt de hoofdfilm gestart.
Dagelijks worden minstens drie van deze uitgebreide programma's vertoond:
een matinee en twee avondvoorstellingen. En bijna altijd is de Grote Zaal
van Tuschinski gevuld. In het begin maakt Abraham de fout het publiek teveel
te willen geven. Het gevolg is dat het publiek na de matinee pas om half
zes op straat staat, en na de laatste voorstelling tegen enen waardoor ze
de laatste trams mislopen. Pas als het gemor van de bezoekers hoorbaar wordt,
beseft Abraham dat meer niet altijd beter is en kort hij zijn programma
in.
Max Tak
Sinds de Eerste Violist uit het Concertgebouw Orkest onder de vleugels van
Mengelberg uitdook om op eigen benen te staan en als violist-dirigent van
het Cinema Palace door Abraham Tuschinski werd weggekaapt om in Theater
Tuschinski te spelen, zijn de twee begrippen onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Zoals organist Leo Ott, die in Rotterdamse Tuschinski Theaters speelde,
het uitdrukte: 'Het Theater Tuschinski en Max Tak vormen een onverbreekbaar
geheel, en wie het één noemt denkt aan den andere, precies
als bij Vroom & Dreesman, Adam en Eva, Amsterdam en het Dansverbod of
de Siameesche Tweelingen.'
De jaren die hij voor het orkest in Theater Tuschinski staat geven Max Tak
een reputatie die hij met zijn andere activiteiten niet weet te overtreffen,
en dat zijn er nogal wat. Tak is een duizendpoot. Hij componeert, speelt
viool en is film-illustrator, novellist, schrijver van de prologen van Tuschinski,
een goed zakenman, criticus van amusementsmuziek, hoofdredacteur van het
Tuschinski Nieuws (een wekelijks verschijnend filmblad), spookschrijver
van de Tuschinski autobiografie en zal later in Amerika als journalist werkzaam
zijn.
Veel mensen weten niet wat ze aanmoeten met de man die een zwak heeft voor
grote blonde vrouwen. Alleen al door zijn oogopslag wekt hij de indruk mensen
dat hij zijn gesprekspartner in de maling neemt. En zijn dictatoriale houding
voor het orkest is zowel gevreesd als bespot. De manier waarop hij - voordat
hij de ouverture van de hoofdfilm begint - altijd even stil houdt en een
vorsende blik de zaal in werpt is legendarisch:
Bernard Drukker memoreert een Jiddische mop:
'Een eenvoudig Joods echtpaar, vaste bezoekers van het Tuschinsky Theater,
gingen eens naar een volksconcert in het Concertgebouw. Het Concertgebouworkest
onder leiding van Willem Mengelberg. Mengelberg, een nogal autoritaire figuur,
kwam de trap af en liep naar de dirigentenlessenaar. 'n Welkomstapplaus;
Mengelberg bedankte en wachtte tot het volkomen stil was, voordat hij het
orkest liet spelen. Hij keek nogal kritisch en streng om zich heen om stilte
af te dwingen. Waarop de echtgenote haar man aanstootte en zei: "Nebbisj,
hij denkt zeker dat ie Max Tak is. Wat 'n gotspe
"'
De filmmuziek die het Max Tak orkest speelt is niet origineel. Slechts
zelden maakt Max Tak een hele nieuwe compositie. Meestal stelt hij een potpourri
samen van delen uit allerlei bekende en minder bekende muziekstukken die
hij geschikt acht bij de film. Het kost hem over het algemeen een dag of
drie om de 60 à 70 muziekfragmenten die hij voor één
hoofdfilm nodig heeft tot een geheel samen te smelten.
Iets nieuws dat Tak met het Tuschinski-orkest invoert is het 'motieven'-systeem:
de belangrijke figuren in de film krijgen een eigen muzikaal thema dat telkens
wanneer zij acte de présence geven wordt gespeeld. Het is te vergelijken
met wat Sergey Prokofjev jaren later, in 1936, deed in de beroemd geworden
muzikale vertelling Peter en de Wolf.
In de gewelven van Tuschinski is de muziekkamer. 'Kantoor' staat er op de
toegangsdeur maar dat dekt de lading niet. Tegen alle wanden in deze ruimte
is bladmuziek opgestapeld: klassiek en modern, Nederlands, Amerikaans, Europees,
Aziatisch, alles wat nodig is om het brede scala aan films te begeleiden
dat TT vertoond. Veel van deze stukken zijn speciaal voor orkest bewerkt
door Tak zelf. Door het kopen van de rechten van al deze muziek kosten de
filmbegeleidingen behoorlijk wat. Maar het is het waard. In geen enkele
bioscoop komen zoveel filmmusici als in Theater Tuschinski.
Organist Leo Ott slaat als hij enigszins kan geen enkele matinee over als
hij in Amsterdam is en hij vergelijkt de Maandagmiddagvoorstelling met een
universiteit waar eerder een college in de filmbegeleidingskunst wordt gegeven
dan een film wordt vertoond.
Bij gelegenheid werd het orkest uitgebreid. Zo vond in januari 1927 de première
plaats van de oorlogsfilm De Groote Parade (The Big Parade). Om de oorlogseffecten
in de film te versterken, stuurde de filmmaatschappij Metro-Goldwyn speciaal
vier slagwerkers naar Europa om de film te begeleiden. Zij waren er speciaal
in opgeleid oorlogsgeluiden te imiteren. Bij zo'n soort film werd door het
Tuschinski-orkest de oorspronkelijk bedoelde filmmuziek gespeeld in plaats
van de door Tak samengestelde ratjetoe van bekende nummers: omdat de muziek
geheel nieuw was, kostte dat een hoop extra repetitietijd. Voor De Groote
Parade had het orkest (uitgebreid met de percussionisten) een stuk of tien
repetities nodig om de première in Amsterdam goed te laten verlopen.
Dit alles betekent niet dat Tak zeven dagen per week drie voorstellingen
begeleidt. Alleen op vrijdag, zaterdag en zondag (de drukst bezochte avonden)
staat hij aan het hoofd van het orkest. Op de andere dagen doet hij alleen
de ouverture. Op het moment dat de spot dan uitgaat en hij niet meer te
zien is, glipt hij weg en wordt zijn plaats overgenomen door de tweede kapelmeester
Willem Drukker.
Het imperium blijft groeien
Als Abraham Tuschinski na de opening van Theater Tuschinski weer in het
Thalia theater komt, valt het theater hem erg tegen. Het is niets, vergeleken
bij de pracht en praal van de bioscoop die hij net in Amsterdam heeft voltooid.
En aangezien hij zelfs zijn eigen theaters niet tegen elkaar wil laten concurreren,
besluit Abraham dat Thalia toe is aan een nieuwe opknapbeurt.
De zaal van het Rotterdamse theater laat hij bekleden met mahoniehout, afgezet
met randen van ebbenhout. Er wordt nieuwe verlichting aangebracht en Pieter
den Besten schildert nieuwe friezen en decoreert het plafond van de zaal.
Ruim een jaar later koopt Abraham het Grand Théâtre Pompenburg
in Rotterdam op. Hij breekt het helemaal uit, alleen de vier muren blijven
staan, en opent in 1923 zijn nieuwste, meest luxe Rotterdamse bioscoop:
Grand Théâtre, een zustertheater van Theater Tuschinski met
maar liefst vijftienhonderd zitplaatsen. Pieter den Besten en Jaap Gidding
zijn beiden van de partij. De verdeling van hun decoraties is praktisch
dezelfde als in Tuschinski: Gidding neemt de hal voor zijn rekening en Den
Besten doet de wandelgangen, de toneelboog en de zaal.
De opening is - hoe kan het ook anders bij een Tuschinski theater - een
succes. Het 'Gggrand' zoals de Rotterdammers het noemen, is een waardig
equivalent van het Amsterdamse Theater Tuschinski. Een jaar later opent
bij het Grand ook een La Gaîté, gedecoreerd door Harm van der
Heiden en Pieter den Besten. Maar daarmee maakt Tuschinski toch een inschattingsfout:
na het eerste half jaar gaat het mis met het cabaret. Het Rotterdamse publiek
is niet zoals het Amsterdamse, dat zit niet te wachten op een chique dancing.
Het Rotterdamse Gaîté is een mislukking en een doorn in het
oog van Abraham die alleen succes wil oogsten.
In 1928 krijgt Abraham er nog een Amsterdams theater bij: Roxy in de Kalverstraat.
In tien dagen laat hij dat theater tot een bioscoop ombouwen. Als reden
voor de aankoop van dit nieuwe theater geeft hij op dat hij 'teveel films'
heeft: een extra theater waar die films kunnen draaien is op deze manier
eigenlijk een vorm van bezuiniging.
Hooggeëerd publiek
Alle voorname Amsterdamse burgers komen naar Tuschinski om te zien of de
faam die het theater vooruit is gesneld ook werkelijk waar wordt gemaakt.
Onder de wekelijkse bezoekers zijn onder meer de gezanten en consuls van
Frankrijk, Duitsland, Portugal, Engeland, Brazilië, Spanje, Chili,
België, Uruguay en Argentinië te vinden. Ook de officieren van
internationale schepen die de Amsterdamse Havens aandoen, komen naar het
theater, evenals de buitenlandse gasten van het gemeentebestuur. Op iedereen
maakt het theater diepe indruk. De chef van Theater Tuschinski de heer B.
Blom leidt allerlei organisaties rond door het gebouw. Hij organiseert rondleidingen
voor vak-, toneel-, muziek- en gymnastiek verenigingen en bankinstellingen.
In het buitenland verschijnen artikelen in de belangrijkste tijdschriften
waar Theater Tuschinski als voorbeeld wordt gesteld aan de filmwereld. Het
duurt dan ook niet lang voordat film- en theatermagnaten uit het buitenland,
tot Amerika toe, Tuschinski komen bekijken en zich bij de bouw van hun theaters
laten inspireren door het Amsterdamse filmpaleis.
Niet alleen theaters streven de inrichting van Tuschinski na. In Nederland
nemen talloze café's en woningen de ideeën van de decorateurs
van het theater over. Zo introduceert Abraham in zijn theater voor het eerst
gebatikte en beschilderde zijden lampenkappen: binnen een mum van tijd is
dit gemeengoed in de cafés van Amsterdam - wat Abraham weer niet
op zich laat zitten, want als iedereen het heeft is het voor hem niet goed
genoeg meer, dus hij vervangt vervolgens alle textielen lampen voor frames
met gebrandschilderd glas. Maar niet alleen de verlichting wordt gekopieerd:
in de winkels kan men zelfs echte Tuschinski tapijten kopen. 'Echt' moet
in dit geval meestal worden opgevat als: 'het zou eventueel in het theater
passen, maar komt er niet vandaan.' Wel nemen de Koninklijke Verenigde Tapijtfabrieken
in 1925 een tapijt in productie dat Jaap Gidding voor Tuschinski ontworpen
heeft, en dat Gaîté de houten dansvloer sierde.
Voor Abraham Tuschinski betekent de kroon op zijn werk - de volledige
erkenning van het belang van zijn theater - dat Prins Hendrik en zijn dochter
Juliana op woensdag 1 november 1922 ter gelegenheid van het eenjarig bestaan
van het theater een matineevoorstelling bijwonen in een voor hen gereserveerde
loge. In een speciaal samengesteld programma worden onder meer de intocht
van de koningin en Prins Hendrik in Stockholm en Kristiana bij het officiële
bezoek aan beide Scandinavische hoven vertoond, de plechtige onthulling
door de koningin van het marine-monument in Den Helder en de intocht van
de Koninklijke familie in de hoofdstad.
Tijdens het één uur durende bezoek zijn vader en dochter vol
bewondering. Prins Hendrik spreekt Abraham er nog speciaal op aan hoe hij
geniet van de rijke bouw van het theater.
In het voorjaar van 1926 krijgt Abraham Tuschinski een onderscheiding van
de Franse regering voor zijn uitmuntende werk: hij wordt benoemd tot Officier
d'Academie. De Poolse kleermaker Abraham Içek Tuschinski is uitgegroeid
tot Monsieur le Baron de Tuschinsky.
Een jaar later wordt Abraham vereert met een bezoek van de President-commissaris
van Paramount. Adolph Zukor. Hij is met de jonge filmkomiek Bobby Vernon
in Parijs, maar komt speciaal even over naar Amsterdam om dat fameuze Theater
Tuschinski te bewonderen. Hij is vol lof, zowel over de architectuur en
de inrichting als over het variété en de filmbegeleiding door
het Max Tak orkest. Trots plaatst Abraham Tuschinski de woorden van Adolph
Zukor in het Tuschinski Nieuws: 'I do congratulate you; Mr. Tuschinski!
Your theatre is a perfect marvel!'
De roem die Abraham ten deel valt heeft één nadeel: hij krijgt
niet alleen met de positieve kanten van bekendheid te maken. Voortdurend
wordt hij lastig gevallen, zowel in binnen- als buitenland, door mensen
die iets van hem willen. Daarom wordt zijn verblijfplaats tijdens zijn reizen
altijd zo goed mogelijk
geheim gehouden, heeft hij geen naambordje
op zijn huis zitten en neemt hij op een gegeven moment zelfs een geheim
telefoonnummer.
I of y
Ieder jaar wordt de verjaardag van Theater Tuschinski gevierd. Het is een
feest waarin alle medewerkers delen en Abraham Tuschinski in het zonnetje
wordt gezet. Het personeel staat een deel van zijn salaris af om ieder jaar
opnieuw een cadeau te kunnen bekostigen voor de geliefde werkgever. Zo krijgt
Abraham op het eerste jaarfeest van zijn theater onder meer een zilveren
inktstel van het personeel, een staande lamp van de heren Rudelsheim, Wallig
en Tak, artistieke borden van de heer Blom (de chef), een tafel met rookstel
van kapelmeester van het cabaret Eddy Roos, bloemenhulde van de voetbalvereniging
Theater Tuschinski waarvan Abraham beschermheer is, een grote foto van het
gebouw en talrijke kostbare bloemstukken.
Opvallend is dat bij dit eerste jubileum nog Theater Tuschinsky op de gevel
staat. Met een 'y' in plaats van een 'i' op het einde. De Poolse achternaam
wordt in die tijd op beide wijzen gespeld en naast elkaar gebruikt. Vrij
snel na dat eerste jaar is het definitief Theater Tuschinski geworden -
ook in de advertenties en persberichten die uitgaan van de Tuschinski Theaters.
In de pers wordt echter, zelfs nog tot op heden, regelmatig Tuschinsky geschreven:
dat is dus fout.
Hoe goed het theater draait wordt duidelijk vlak voordat de geluidsfilm
zijn intrede doet. In zeseneenhalf jaar zijn er dertien miljoen bezoekers
naar de film in de Grote Zaal van Theater Tuschinski geweest. Een snelle
rekensom leert dat dat een kleine vijfenvijftighonderd bezoekers per dag
zijn - zelfs rekeninghoudend met het gegeven dat hier ook bezoekers voor
La Gaîté onder vallen betekent dat toch bijna iedere voorstelling
een uitverkocht huis!
Werkdag
Wat Abraham Tuschinski allemaal moet doen om zijn imperium draaiende te
houden is onvoorstelbaar. In een vierdelig feuilleton in de Nieuwe Rotterdamsche
Courant vertelt Abraham aan journalist M.J. Brusse hoe hectisch zijn bestaan
is.
Hij werkt iedere dag, zeven dagen per week, tweeënvijftig dagen per
jaar. Voor Theater Tuschinski spitst de drukte van zijn werkzaamheden zich
toe op de vrijdag. Op donderdagnacht, na de film, is - als het goed is -
alles afgebroken van de oude voorstelling en zijn de nieuwe muziek, mise-en-scène
en belichting in orde gemaakt.
Met de trein van acht uur uit Rotterdam komt Abraham in Amsterdam aan om
zijn dag te beginnen. De haast belet hem vaak om zelfs de korte wandeling
over het Damrak en Rokin naar zijn theater te maken, dus een taxi zet hem
af voor de bioscoop.
In Tuschinski woont Abraham de repetitie bij van de artiesten die bij de
matinee zullen optreden, daarbij bemoeit hij zich met de toneelchangementen
- Abraham beroept zich erop dat er in zijn theater nog nooit een changement
heeft plaatsgevonden waarover hij niet persoonlijk heeft beslist. Hij overlegt
op welke manier het nieuwe programma zal worden ingeleid en bespreekt met
Max Tak de begeleiding van de nieuwe films.
Uit Frankrijk komen inmiddels de net ingevlogen journaals binnen die
direct worden doorgenomen. Het voorprogramma van tekenfilms en komische
films wordt op dit moment nog samengesteld. Vervolgens is het zaak dat vóór
de matinee het hele theater is geïnspecteerd en alle problemen met
het onderhoud zijn opgelost - daarvoor heeft Abraham overleg met het hoofd
van de schilders, van de techniek en van de timmerlieden. Ten slotte is
er om half twee koffie in het privé kantoor met de chef, Blom, en
de kapelmeester, Max Tak, om alle laatste zaken te bespreken.
Als dan om kwart over twee de hoofdoperateur het sein geeft dat de matinee
gestart kan worden, is de eerste helft van de dag voorbij.
Tijdens het hele voorprogramma heeft Abraham nog overleg met de conferenciers
die de film inleiden, met de operateurs en de artiesten die hun kunsten
moeten vertonen. Meestal mankeert er nog van alles: kostuums die nog bij
de douane zijn achtergebleven, artiesten die in plaats van naar Amsterdam
naar Rotterdam zijn gegaan. De rust keert pas weer als de hoofdfilm is gestart.
Dit is misschien wel het meest spannende moment voor Abraham: het publiek
dat deze middag in het theater zit bepaalt over een film zal slagen of niet.
Meestal gaat Abraham even op verschillende plaatsen in het theater zitten
- nu eens in de zaal, dan weer in de loge - om de stemming onder het publiek
te peilen. Als er op dit moment iets misgaat, kan Abraham niet voor zichzelf
instaan: 'dan storm ik er uit de zaal op af om een moord te begaan op den
operateur, - en 't is wel eens gebeurd, dat ik hem buiten mijzelf bij de
keel greep.'
Na de matinee staat Abraham de journalisten te woord. Met Max Tak neemt
hij de laatste opmerkingen over de filmbegeleiding door en dan vertrekt
hij naar de eerste etage, waar hij in La Gaîté nakijkt of alle
voorbereidingen voor het nieuwe theater zijn getroffen. Met een beetje geluk
heeft hij de trein van zeven uur 's avonds terug naar Rotterdam waar hij
dan snel even kan eten voor hij langs de Rotterdamse theaters trekt om daar
met de directeuren, operateurs en kapelmeesters te gaan praten.
Rond elven 's avonds zijn de kassa's van alle theaters opgemaakt en is in
te schatten hoe de komende week zal verlopen. De volgende ochtend worden
alle werknemers uitbetaald en begint het op stapel zetten van de nieuwe
programma's, premières en reclame-campagnes. De nooit eindigende
bioscoopbesognes.
copyright: Jesse Goossens, 2002
Deze tekst is gepubliceerd in Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.
Bzztôh, 2002
Niet meer leverbaar.