Theater Tuschinski: Interieur

uit: Jesse Goossens, Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.

 

De decoratie van het theater beschouwt Abraham Tuschinski als de 'kleeding van een rijk uitgedoste vrouw'. Een miljonaire in dit geval, die alles wat ze het allermooist vindt van haar meest favoriete ontwerpers bij elkaar heeft aangetrokken.
Tegen Pieter den Besten verwoordt Abraham zijn wens: 'Pieter, de mensen moeten het bij mij rijker hebben dan thuis. Dan lopen ze d'r huis uit en komen bij mij.' Vernieuwing wil hij: nieuwe kleuren, nieuwe lijnen. Originaliteit staat in de ontwerpen voorop, want Theater Tuschinski moet vooral níét lijken op de bioscooptheaters die al bestaan.
Degenen die verantwoordelijk zijn voor de rijkdom van het interieur zijn Pieter den Besten, Jaap Gidding, Willem Kromhout, Christiaan Bartels en Dirk Jan van der Laan.

Villa Gezelligheid kent geen Tijd
Hoewel ieder zijn eigen taken heeft, werken de decorateurs hecht samen en zijn ze regelmatig te vinden in de 'artiestenloge'.
Op een dag, wanneer Abraham voor de zoveelste keer zijn tekenaars niet aan het werk ziet, gaat hij naar de artiestenloge waar de heren hun thee drinken. Zo komt hij terecht op het tweede balkon van het theater waar de decorateurs een eigen kamertje hebben gebouwd. Boven de deur hangt een door Den Besten geschilderd bordje met de naam: 'Villa Gezelligheid kent geen Tijd'.
Binnen overtreft de inrichting alle verwachting. Langs de zoldering is een fries geschilderd. Er staan zes zware pluchen stoelen en twee divans met gekleurde kussentjes waar de kunstenaars keuvelen onder het genot van thee, geserveerd uit een compleet thee- en koffieservies en lekkernijen uit koektrommels, blikken met vruchten en schalen met fondant.
Abraham Tuschinski jaagt zijn werknemers de kamer uit en geeft de opzichter de opdracht Villa Gezelligheid direct af te breken. Hij weet dat hij wreed is, maar kan niet anders: de decorateurs hebben hun tijd hard nodig om het interieur van het theater te ontwerpen.

Pieter den Besten
Den Besten, geboren in 1894, is de jongste van het gezelschap decorateurs. Hij heeft de Academie voor Beeldende Kunsten in Rotterdam doorlopen en won daar een zilveren medaille. Hij legde zich toe op het schilderen van portretten en stillevens en wanddecoraties, en het ontwerpen van toegepaste kunst. Abraham Tuschinski hoort van de uitmuntende staat van dienst van de jonge decorateur en heeft het idee dat de moderne schilderingen van Den Besten precies passen bij het interieur dat hij bij de verbouwing van Thalia in 1919 voor ogen heeft. Die samenwerking verloopt uitstekend en het eindresultaat is uitmuntend. Daarop vraagt Abraham Den Besten mee te werken aan de interieurdecoraties in Theater Tuschinski.
Pieter den Besten krijgt de enorme opdracht het cabaret dat op de eerste verdieping aan de voorzijde van het theater zal worden gebouwd op moderne wijze te decoreren met afbeeldingen uit de wereld van de muziek en het theater. Abraham Tuschinski plaagt hem graag tijdens het werk waar Den Besten altijd bloedserieus over blijft.
De gesymboliseerde figuren zijn gestileerd uitgebeeld. Abraham vraagt daarover: 'Piet, vind jij niet, dat die dame veel te lange armen heeft?'
Pieter den Besten snapt niet dat zijn opdrachtgever zo'n opmerking kan maken: 'Maar meneer, dat is geen vrouw!'
'O, neen, wat is het dan, een man?'
'Dat is de illusie, de verbéélding van een vrouw.'
'O, zoo,' sart Abraham hem nog even.
'Ik maak geen portretten, maar geef de geïdealiseerde voorstelling van menschenfiguren.'
Wanneer Den Besten zich echt opwindt geeft Abraham pas toe dat hij hem zit te stangen. Maar intussen groeit het cabaret uit tot iets prachtigs. Den Besten heeft ook het ontwerp van het toneelgordijn uitgewerkt, rekening houdend met het zicht onder kunstlicht. Lampen, stoelbekleding, tapijt, het hele cabaret wordt een waarlijke Den Besten zaal. Zelfs de hal die toegang biedt tot het cabaret decoreert hij in stijl. In dit halletje, waar Jaap Gidding een prachtige lichtkoepel decoreert, plaatst hij een bronzen fonteintje in de vorm van een watervogel op een voetstuk van marmer. Het water dat de vogel spuugt wordt door lampjes gekleurd.
Naast La Gaîté is Den Besten ook verantwoordelijk voor de Vlindergalerij: de wandelgang rond de Grote Zaal op de begane grond. Geïnspireerd op de vrouwen die als vlinder verkleed furore maken in de internationale cabarets als de Moulin Rouge en Les Folies Bergères schildert hij fragiele vlindervrouwen met enorme fel gedecoreerde vleugels.
Abraham Tuschinski wil ook van de garderobe iets bijzonders maken en bepaalt dat dit een Japanse Kamer moet worden. Thuis is in zijn interieur ook de voorkeur voor Oosterse invloeden aanwezig. Zijn keus valt opnieuw op Pieter den Besten om zijn ideeën ten uitvoer te brengen.
De Japanse Kamer wordt overheerst door draken. In de Oosterse symboliek staat een draak voor geluk en voorspoed en is het een keizerlijk teken. Er zijn draakmotieven verwerkt in de Chinese zwarte zijde aan de muren, in de koperen monturen van de lampjes en in de deurgrepen. Er is een draak uitgesneden in een zwartgelakte stoel die op drakenpoten staat en Pieter den Besten ontwerpt een koperen rooster dat de radiatoren moet verbergen waarin een draak is verwerkt. Boven de radiator plaatst hij een schildering van een geisha die haar toilet maakt, bijgestaan door twee diensters, symbool van de garderobe. Het publiek zal straks plaats kunnen nemen op Japanse stoeltjes naast een gelakt dressoir en lopen over een tapijt waarin een patroon van gevallen bloesem is geweven door de Koninklijke Vereenigde Tapijtfabrieken.
Abraham Tuschinski plaatst eigenhandig een boeddhabeeld in een nisje: 'om den zenuwachtigen bezoeker er op te wijzen, dat de rust van het evenwichtige ook in het huis van vermaak niet mag worden vergeten.'
Aan de andere kant van het gebouw, bevindt zich een inloopkamertje dat Pieter den Besten tot Moorse Kamer transformeert. En in de Grote Zaal die door verschillende decorateurs wordt aangekleed, verzorgt Den Besten de fries boven het toneel. Abraham wil dat hij de geboorte van het licht uit de duisternis verbeeldt. Het licht brengt immers de film tot leven. Den Besten beantwoordt aan die opdracht door op zijn schildering de Godin van het Licht twee monsters uit de onderwereld te laten verdrijven.
Het lijkt bijna onmogelijk hoeveel Den Besten in Theater Tuschinski decoreert. Voor de wandelgang op het tweede balkon ontwerpt hij een terugkerend abstract patroon en in het gebouw neemt hij het ontwerp van alle glas-in-loodramen voor zijn rekening. Hoeveel ramen dit zijn wordt wel duidelijk door het feit dat maar liefst drie firma's worden aangesteld om de ontwerpen uit te voeren: Degens, Warfemius en Winkelman en Van der Bijl. Alleen de ruiten van de torenverdieping worden in gewoon glas uitgevoerd. De andere ramen zijn allemaal van gewapend gebrand glas gezet.
'Het was de wens van Tuschinski,' zegt hij zelf, 'dat er een Japanse kamer, een Turkse kamer, enzovoort kwamen. En ik maar poppetjes schilderen. Met kimono, met een fez op…'
Dit betekent niet dat alle door Den Besten ontworpen schilderingen ook werkelijk door hem worden uitgevoerd. Tientallen schilders werken in het hele gebouw om alle decoraties van de grote ontwerpers neer te zetten. Maar in het gebouw is nog steeds op verschillende plaatsen de handtekening van Den Besten te ontdekken, onder meer op vlindermeisjes en het schilderij van de geisha in de Japanse Kamer. We kunnen er in ieder geval van uit gaan dat deze werken van de hand van de meester zelf zijn.

Jaap Gidding
Jaap Gidding lijkt te zijn geboren voor het vak van decorateur. Zijn vader, Jan Gidding, had een decoratie- en schildersbedrijf, waar Jaap werd opgeleid. Net als Pieter den Besten doorloopt Jaap Gidding de Academie voor Beeldende Kunsten in Rotterdam. Na zijn studie bekwaamt hij zich in Parijs en München in de interieurdecoratie.
Vanaf 1914 runt Gidding samen met zijn broer het familiebedrijf. Daar krijgt hij onder andere Willem de Kooning in de leer, die in de periode waarin Jaap Gidding voor Tuschinski ontwerpt voor hem werkt. Er is geen hard bewijs dat Willem de Kooning aan de Gidding-decoraties in Tuschinski heeft gewerkt, maar wie zijn werk bekijkt ziet een opvallende gelijkenis in het kleurgebruik tussen het figuratieve decoraties van Gidding in de Grote Hal en de abstracte schilderijen van De Kooning.
Jaap Gidding is verantwoordelijk voor de Grote Hal van Theater Tuschinski. De Pauwenzaal. Langs de wanden is in bijna fluorescerende kleuren een patroon van pauwen aangebracht.
Zoals al blijkt uit de schilderingen van Pieter den Besten wemelt het in Tuschinski van de symboliek. De Hal doet daar niet voor onder. In de eerste plaats is daar de alomtegenwoordige pauw. Volgens oud geloof blijft het vlees van een pauw altijd in goede staat, verrot het niet, daarom is deze vogel het symbool van onsterfelijkheid. In het joodse geloof weerspiegelt de pauw de schoonheid van de eeuwigheid die de mensen in de hemel ten deel valt. De pauwen zijn niet alleen in de fries boven de mahoniehouten betimmeringen te ontdekken, ook in twee conisch gevormde lijsten zijn aan weerszijden van de Hal pauwenschilderingen aangebracht.
Boven de deuren naar de wandelgang rond de Grote Zaal is een schildering te bewonderen waarin niet alleen pauwen zijn verwerkt, maar de centrale plaats wordt ingenomen door een springend hert. Het hert symboliseert vrede en harmonie. Zo is de bezoeker in de Grote Hal omringd door tekenen van het goede, weergegeven in de onvervalste Jugendstil stijl van Jaap Gidding.
Voor de vloer ontwerpt Gidding een tapijt waarin hij de Poolse adelaar verwerkt, een eerbetoon aan het vaderland van Abraham. De adelaar draagt nog de kroon die hij later - tijdens het communistische bewind - zal verliezen. De tekening van Gidding wordt uitgewerkt op ruitjespapier waarbij ieder ruitje een knoop weergeeft. Het kunstwerk wordt aan één stuk geweven van kostbare Australische wol door de Koninklijke Vereenigde Tapijtfabrieken en neemt een hap van maar liefst vijfentwintigduizend gulden (in 2002 tweehonderdzevenentwintigduizend euro) uit het budget van Abraham Tuschinski.
Het letterlijke en figuurlijke hoogtepunt van Giddings werken in de Grote Hal is de lichtkoepel. In vloeiende art nouveau slaolielijnen is in de grote koepel een schildering aangebracht die lijkt te veranderen onder het wisselende licht. Op de overloop op de eerste etage, voor het cabaret, beschildert hij een kleinere, diepere koepel volgens hetzelfde idee. Wat Gidding hier heeft neergezet is niet mooier te beschrijven dan in de woorden die bij de opening van het theater in Het Vaderland verschenen: 'Een sprookje schijnt werkelijkheid geworden. Uit de lijst van de genoemde koepels ontwikkelt zich namelijk een allerverrassendst kleurenlichtspel. Nu eens geeft de koepel een schitterenden avondhemel te zien, dan weer gloort er zachtkens het licht van den dageraad, een ander maal brandt er een vuurgloed en dan weer zachte vale schemering of het lichtgroen van een zomerzee. Men kan zijn oogen aan dit spel van kleuren en tinten niet verzadigen.'

Willem Kromhout
Kromhout is de nestor onder de decorateurs. De architect die met onder meer het American Hotel al naam heeft gemaakt in de wereld van de kunst is de vertrouwenspersoon van Abraham Tuschinski. Met Willem Kromhout controleert Abraham of het bouwproces volgens de tekening wordt uitgevoerd.
Zijn achtergrond als architect en bemoeienis in de bouw geeft hem een voorsprong op de andere decorateurs. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het plafond dat hij voor de Grote Zaal decoreert een hoogstandje is op het gebied van synergie tussen architectuur en decoratie. Iedere welving in het plafond, het samengaan met de lamp, versterkt het ontwerp waarin Willem Kromhout tientallen pauwen heeft verwerkt. Ook de figuratieve decoratie op de wanden is een ontwerp van Willem Kromhout, uitgevoerd door Christiaan Bartels en zijn schilders.

Christiaan Bartels
De Amsterdammer Christiaan Bartels (geboren in 1889) volgt zijn opleiding aan de Quellinus School voor toegepaste kunst. Hij legt zich toe op het ontwerpen van meubels en interieurs. Voordat hij bij Abraham in dienst komt, heeft hij nog niet echt een grote naam opgebouwd als zelfstandig ontwerper. Hij werkt voornamelijk voor Willem Kromhout en voor de Heijstee Smith tegelfabriek.
Zijn werkgever bij deze fabriek overtuigt Abraham dat de jonge kunstenaar tot grote werken in staat is. Op dat advies vertrouwt Abraham Christiaan Bartels de decoratie van de voorgevel toe - op zijn aanwijzingen, uiteraard. In hoeverre Bartels in zijn ontwerpen door zijn leermeester Willem Kromhout wordt beïnvloed is niet duidelijk. Wel is bekend dat Bartels een aantal ontwerpen van Kromhout in het theater heeft uitgevoerd, en dat bijvoorbeeld het houtwerk in het sousterrain van Tuschinski - een betimmering van Inlands eiken met randen van ebbenhout - zowel aan Kromhout als aan Bartels wordt toegeschreven. De samenwerking zal in ieder geval nauw zijn geweest.
Het uiteindelijke ontwerp dat Bartels voor de gevel van Theater Tuschinski schetst is een keramieken front dat wordt uitgevoerd door modelleurs van Heijstee Smith. Zij maken de modellen waarvan een gipsvorm wordt gemaakt. In de gipsvormen wordt een kleipap gegoten die ter droging wordt neergelegd. De droge kleivorm wordt licht gebakken, vervolgens gekleurd en geglazuurd en uiteindelijk nogmaals gebakken op een hogere temperatuur.
Op de gevel pronken twee bronzen koepels waar boven lampen de letter T prijkt als een windhaan. Niet iedereen is even enthousiast over deze kroon op de gevel. Al twee maanden voor de opening wordt in het Bouwkundig Weekblad onder de kop 'Stadsverminking in Amsterdam' de draak gestoken met de torens die volgens de criticus de vorm hebben van een 42 cm projectiel en zijn versierd met dof vergulde ornamenten waaraan allerlei rommel is gehangen. 'Dit bouwwerk bederft over een oppervlak van 1 km in het vierkant het rustige stadsaspect van Amsterdam.
Firma Duchateau draagt zorg voor de uitvoering van het bronswerk en smeedt ook het ijzeren hek dat de toegang tot het theater afsluit. Ook de bronzen lampen die op de trappen in de Grote Hal staan zijn van de hand van Christiaan Bartels, en - evenals het andere kunstsmeedwerk dat hij tekent - uitgevoerd door firma Duchateau.
In de Grote Zaal laat Bartels een lichtkroon met roodgegolfde randen het pauwenplafond van zijn meester Kromhout overheersen als een spin in een web van pauwenveren. Ook het gordijn neemt Bartels voor zijn rekening.
Alle houten deurpanelen zijn ontworpen door Bartels en op basis van de werktekeningen van Harm van der Heiden gemaakt.

Dirk Jan van der Laan
De Rotterdamse decoratieschilder Dirk Jan Van der Laan neemt in 1919 het grootste deel van het interieur van het vernieuwde Thalia voor zijn rekening. Maar figuren kan hij niet tekenen, daarom werd voor dat deel van het werk in Thalia Pieter den Besten aangetrokken.
Waar hij nog het merendeel van het werk in Thalia te ontwerpen krijgt, is de bijdrage van Dirk Jan van der Laan in Theater Tuschinski beperkt. Hij ontwerpt en schildert de paradijsvogels op de wandelgang rond het eerste balkon. De paradijsvogel staat op een tweekoppige draak, waarmee de overwinning van de vrede en het goede op het kwade wordt verbeeld.
De nacht voor de opening van het theater wordt er doorgewerkt alsof het dag is. Er moet nog verschrikkelijk veel gebeuren en slechts enkele uren zijn nog te gaan voor de mensendrommen staan te trappelen het nieuwe filmpaleis te betreden. Ook Van der Laan staat in de nacht nog de laatste hand aan zijn decoraties te leggen als Abraham naast hem komt staan, op zoek naar een beetje rust.
Abraham deelt Van der Laan in vertrouwen mee dat deze laatste loodjes hem verschrikkelijk zwaar vallen: 'Mijnheer Van der Laan, ik zal de Hemel danken, als alles voorbij is; het is een nachtmerrie.'
Van der Laan spreekt Abraham vertrouwen in: 'Kom, kom, U heeft steeds moed gehouden en nu moogt u niet opgeven, juist op den dag, dat het theater opengaat.'
Na dit praatje zet Abraham een opgewekt gezicht op en gaat de laatste uren in: overal mensen moed insprekend, nieuwe werklieden instruerend die 's morgens om vijf uur aankomen om extra hand- en spandiensten te verrichten, om het onmogelijke te verrichten - klaar te zijn om 's avonds de ijzeren hekken te kunnen openen.

De mindere goden
Harm van der Heiden heeft een secundaire taak als ontwerper. Van al het houtwerk dat Christiaan Bartels bedenkt, maakt hij de officiële werktekeningen. Zijn eigen creativiteit kan hij wel loslaten op het dessin voor de trijp dat de stoelen in Tuschinski zal bekleden. Hij bedenkt een streepjesmotief waarop Tuschinski patent aanvraagt. Meer dan vijfduizend meter van deze stof wordt geweven door de Hengelose Trijpweverij om alle stoelen en banken te bekleden.
Tenslotte is er nog de jonge kunstenaar Hubertus van der Arend. Hij maakt de enige decoratie in het theater waar de pers unaniem negatief over is. De jongeman die zich eigenlijk heeft toegelegd ontwerpt In de Grote Zaal de rand om het toneel: ''n drukke overdaad die het geheel schade doet.' Het zal niet lang duren voor Abraham besluit deze rand over te schilderen in een soberder stijl - ontworpen door een van de meer geprezen decorateurs, Pieter den Besten. Want in tegenstelling tot alle andere medewerkers aan het interieur van Theater Tuschinski, blijft Pieter den Besten (als freelancer weliswaar) voor Abraham werken als hoofd van de schilders en zal hij nog bijzondere aanpassingen in het theater aanbrengen. Maar dat komt later…

 

copyright: Jesse Goossens, 2002

Deze tekst is gepubliceerd in Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.
Bzztôh, 2002
Niet meer leverbaar.