
Hoewel het een schijnbaar onmogelijke taak is - en het later door velen
als onwaar is afgedaan - neemt Abraham de hele bouw van zijn theater op
zich. Alleen de betonbouw is uitbesteed. Alle andere onderdelen van het
werk volbrengt hij in eigen beheer, zonder aannemer. Het is noodzakelijk,
vindt hij, om een project als dit in eigen hand te houden, anders wordt
het resultaat minder.
Gildemeyer beschrijft hoe Abraham in grote lijnen aangeeft wat hij voor
zich ziet, hoe hij ieder detail beoordeelt en leiding geeft. Van 's ochtends
tot 's avonds is hij op de bouw aanwezig en altijd blijft hij welwillend
en beleefd.
Maar al is hij beleefd, zijn invloed is dwingend en dat weet hij: hij waarschuwt
zijn medewerkers voor zijn werkwijze. Kenmerkend zijn de woorden die hij
tegen Pieter den Besten spreekt als hij deze vraagt voor hem te komen werken:
'Piet, ik ben getroffen door je enthousiasme, maar ik ben een moeilijk principaal.
Ik zal je zooveel laten teekenen, dat je menigmaal zult denken "was
ik er maar nooit mee begonnen." Ik bedoel: Ieder stukje, ieder hoekje
in het gebouw, dat in aanmerking komt om door jou te worden geschilderd,
zal voor ons aanleiding tot lange gesprekken beteekenen. Jij gaat teekenen,
maar ik ben niet gauw tevreden, zodat het dikwijls zal voorkomen, dat ik
met een enkelen blik een teekening, die soms dagen van arbeid vergde, afkeur.
Dan mag je den moed niet opgeven en moet opnieuw beginnen, zonder moedeloos
te worden.'
De eerlijkheid van Abraham in zijn wensen en het gegeven dat deze aanpak
toch beter is voor de eenheid van gebouw, wil toch niet zeggen dat het bouwproces
er ook beter door verloopt. Zoals Jan den Bouwlustige (sic) het in de Holland
Express mooi verwoordt: 'Hij is de ziel van het bouwwerk geweest en zeker
ook de veel verwenschte constructeur.'
De architect vertrekt
De eerste - en voor zover na te gaan ook enige - persoon die er niet mee
kan leven dat Abraham Tuschinski zich met alle aspecten van de bouw bemoeit,
is degene die er voor de buitenwereld misschien wel het meeste aan heeft
bijgedragen: de architect.
Heyman Louis de Jong tekent bouwplannen voor Theater Tuschinski die voor
het grootste deel overeenkomen met wat er werkelijk later wordt gerealiseerd,
maar hij raakt in conflict met de eigenwijze Abraham.
De ruzie tussen De Jong en Abraham Tuschinski spitst zich toe op de façade
van het gebouw. Abraham heeft zijn zinnen gezet op torentjes die bekroond
worden met lampen. De Jong echter vindt het idee van lampen aan zijn stijlvol
ontworpen gevel niet acceptabel en maakt er een halszaak van. Maar iedereen
zou zo'n gevecht verliezen van de 'Napoleon van de Dûvelshoek', zoals
de bioscoopdirecteur wordt genoemd. Architect De Jong verdwijnt van het
toneel.
In zijn memoires zwijgt Abraham in alle talen over Heyman de Jong. De enige
architect die hij noemt is Kromhout ('J' staat abusievelijk als voorletter
vermeld in de door Max Tak opgetekende herinneringen van Abraham Tuschinski).
Willem Kromhout, vermaard architect van onder meer het Hotel American -
dat hij samen met Janssen ontwierp - was de man met de juiste expertise
om de klus te klaren. Volgens Abraham was Kromhout vanaf het begin bij de
bouw betrokken. De eerste tekeningen echter, zijn gesigneerd door Heyman
de Jong. Opvallend is wel de overeenkomst met een nooit uitgevoerd ontwerp
van Kromhout voor het Vredespaleis in Den Haag: de stijl van de twee torentjes
en de ornamentiek waarin een gezicht verwerkt is zijn verwant aan de gevel
van Tuschinski. Of Kromhout nu samen met De Jong vanaf de eerste tekeningen
heeft samengewerkt, of dat hij het werk na diens vertrek heeft overgenomen,
is onduidelijk. Dat hij zijn stempel op het gebouw heeft gedrukt is in ieder
geval onmiskenbaar. Het Vaderland vermeldt bij de opening van het theater
De Jong en Kromhout gezamenlijk als architecten en Klaphaak als de uitvoerder
van hun ontwerpen.
De heipalen komen niet
In september 1918 heeft Abraham twaalfhonderd heipalen in Wiesbaden, Duitsland
besteld onder voorwaarde dat die in oktober of november zouden worden aangeleverd
bij de bouwplaats in Amsterdam.
In deze periode woedt de Eerste Wereldoorlog nog in alle hevigheid. Sinds
1917 hebben de Amerikanen hun neutraliteit opgegeven en zich tegen de Duitsers
gekeerd. De positie van het land lijkt onhoudbaar, maar er is één
persoon die het onmogelijk maakt een wapenstilstand te sluiten: Keizer Wilhelm
II. De roep om zijn aftreden wordt in oktober steeds luider en op 9 november
1918 is het einde van de monarchie een feit. Twee dagen later capituleert
Duitsland. Niets mag het land meer in- of uitgevoerd worden.
Abraham ziet al aankomen dat de Engelsen zijn heipalen zullen confisqueren,
dus hij gaat persoonlijk op reis naar Wiesbaden. Daar aangekomen neemt hij
contact op met de Nederlandse consul, Marx, en legt hem de situatie uit.
Deze man weet inbeslagname te voorkomen. Afgedekt met de Nederlandse vlag
worden de begeerde palen ingescheept en op vlotten naar Nederland vervoerd.
Een paar dagen later varen de vlotten de Herengracht binnen, vanwaar ze
met een mallejans naar de Reguliersbreestraat worden vervoerd. Daar staan
twee heimachines te wachten tot alle panden zijn verdwenen en het echte
werk kan beginnen: een van deze apparaten is aangedreven door stoom, de
ander werkt op elektriciteit.
Het is uiteindelijk woensdag 18 juni 1919 als de eerste paal door Abraham
persoonlijk de grond in wordt geheid.
Een Rotterdamse concurrent
In de zomer van 1919 krijgt Abraham er lucht van dat in het westen van de
stad een nieuwe bioscoop wordt gebouwd. Hij kan het idee niet verdragen
dat er een mooier theater dan dat van hem Rotterdam siert. En al kan hij
de tijd eigenlijk niet missen bij de bouw van het Amsterdamse theater, hij
besluit samen met Klaphaak dat werk even in de steek te laten om ook Rotterdam
een nóg prachtiger theater te schenken.
Abraham koopt naast de Thalia bioscoop Café Boneski op. Zowel dat
café als het oude theater worden tot op de grond toe afgebroken om
plaats te maken voor een nieuw Thalia. Zijn publiek zal hij niet verliezen:
om dat tevreden te stellen heeft hij de Grote Schouwburg in de Aert van
Nesstraat afgehuurd om zijn films te vertonen.
Het interieur van dit nieuwe theater zal op veel punten een voorloper worden
van het Theater Tuschinski. Al wordt de bouw in Amsterdam hierdoor vertraagd:
Abraham kan wel experimenteren. In het trappenhuis laat hij een lichtkoepel
maken: een beschilderde koepel waarin de kleur van het licht geleidelijk
verandert. Eronder laat hij een Fries schilderen door de jonge veelbelovende
kunstenaar Pieter den Besten: een personificatie van Komedie en Tragedie.
De rest van het theater wordt gedecoreerd door Dirk van der Laan. In de
vestibule laat hij mahonie wandbetimmering aanbrengen die is ontworpen door
Harm van der Heiden en uitgevoerd door firma Maas. En in de hal komt een
zwaar tapijt te liggen dat is vervaardigd door de Koninklijke Nederlandsche
Tapijtfabriek.
Wanneer het theater - na vier maanden verbouwing - in september 1919 opent,
verwoordt troubadour J.H. Speenhoff in een loflied te pijn en moeite die
het Abraham gekost heeft:

Vakantie in duigen
Nadat Abraham de onmogelijke klus geklaard heeft een nieuw theater in vier
maanden neer te zetten, is hij hard aan vakantie toe. Met zijn familie reist
hij af naar het Gelderse Berg- en Dal om tien dagen lang tot rust te komen.
Natuurlijk kan Abraham het niet opbrengen om tien dagen lang niet aan zijn
droomtheater te denken. Na een week houdt hij het niet langer en laat hij
zich door zijn chauffeur in de Buick naar Theater Tuschinski rijden. En
waar hij al bang voor is, blijkt werkelijkheid: hij kan zich niet een paar
dagen van het werk afkeren zonder dat het misgaat.
De balkons beginnen vorm te krijgen, alleen een vorm die niet in de planning
staat: de betonnen balkonranden die inmiddels zijn gemaakt hebben geen ronde
opstaande kanten maar scherpe randen en hoeken waardoor de toeschouwers
op de achterste rijen geen zicht hebben op het toneel. Er blijkt een foutje
in de bouwtekeningen te zijn geslopen.
Het gewapende beton moet weer afgebroken worden, een bijna onmogelijk karwei.
Allerlei nieuw personeel wordt ingeschakeld om de klus te klaren. Het kost
dagen extra werk en duizenden guldens voor de balkons eruit zien zoals ze
horen.
Abraham neemt zich voor geen dag vakantie meer te nemen zolang de bouw van
Tuschinski duurt, tot ongenoegen van zijn vrouw.
Waterschade
Als het niet mensenhanden zijn die de bouw vertragen, oorlogen die de plannen
dwarsbomen of koppigheid waardoor het werk niet lukt, dan helpt de natuur
nog wel een handje om de realisatie van Theater Tuschinski te dwarsbomen.
In januari 1920 heeft het land van Maas en Waal te maken met enorme wateroverlast.
De Maas is ver buiten zijn oevers getreden en heeft het terrein van het
bedrijf waar de bouwstenen voor het theater zijn gebakken, De Blauwe Kamer,
overspoeld. De hele lading stenen die voor Tuschinski was bestemd, is in
één klap vernietigd. Abraham krijgt te horen dat het bedrijf
niet kan leveren.
Abraham Tuschinski legt zich niet bij de situatie neer - hoe kan het ook
anders - en gaat met zijn uitvoerder Klaphaak op weg naar het bedrijf om
verhaal te halen. Maar de reis verloopt niet zo gladjes als ze hadden verwacht.
De overstromingen hebben een groot deel van de wegen onbegaanbaar gemaakt.
Ze kunnen tot Kesteren komen met de trein en krijgen daar een lift met een
boerenkar om het naar de fabriek te brengen. Maar zelfs de kar moet stoppen
omdat het water te hoog staat. Het is uiteindelijk een veerman met een klein
roeibootje dat beloofd om hen naar de juiste plek te vervoeren. De overtocht
is echter zo zwaar dat zowel Abraham als Klaphaak zelf aan de roeien moeten
zitten om de reis te volbrengen.
Bij de fabriek zien ze met eigen ogen de ravage die de natuurramp heeft
aangericht, maar de fabrikant beloofd te leveren. Of het nu uit waardering
is voor de volhardendheid van zijn opdrachtgever, is niet duidelijk, maar
hij zal ervoor zorgen dat de stenen toch op tijd zullen worden geleverd.
Het dak ontbreekt
Na de Eerste Wereldoorlog keert de rust in het buitenland niet snel terug.
In maart 1920 wordt de regering van Friedrich Ebert in Duitsland door een
coup van Wolfgang Kapp (de Kapp-Putsch) omver geworpen. Maar door een algehele
staking houdt de machtsovername geen stand en breken er overal in het land
onlusten uit. In Düsseldorf hebben Bolsjewieken de macht in handen
gekregen.
Omstreeks deze periode wordt het tijd dat Tuschinski onder de kap gaat.
Maar de gewapende houten overkapping die is afgedekt met zwaar rubberoid
komt maar niet naar Nederland. Opnieuw met Klaphaak aan zijn zijde reist
Abraham naar Duitsland, naar Düsseldorf waar Stephans Dach Hallenbau
Gesellschaft zijn onderkomen heeft.
De drukte op straat als ze in Düsseldorf aankomen, valt Abraham en
Klaphaak al op, maar wanneer er geschoten wordt en ze mensen op straat zien
vallen, begrijpen ze dat er meer aan de hand is en vluchten ze een hotel
binnen. Het blijkt dat juist op dit moment de regering Ebert het leger de
vrije hand heeft gegeven alle middelen in te zetten om de communistische
opstanden in het land te onderdrukken. Evenals in andere plaatsen wordt
op 2 april 1920 in Düsseldorf het leger ingezet en met scherp geschoten
om de opruiende menigte uiteen te drijven. Zelfs in het hotel worden Abraham
en Klaphaak gedwongen op de grond te liggen omdat kogels de luiken en ramen
doorboren en door de zaal vliegen.
Waar de meeste mensen zich weer terug naar Nederland zouden haasten, laat
Abraham zich niet kisten. Hij weet de heer Stephan toch te bereiken en krijgt
de verzekering dat de dakconstructie geleverd zal worden.
Weken later komt de gewilde overkapping eindelijk het land binnen. Maar
wanneer Theater Tuschinski onder de kap staat, is het feest.
De dood van een vriend
Een van Abrahams goede vrienden is de rijke zakenman Cornelis Blad. Deze
groot-exporteur deelt met Abraham zijn passie voor film - zelf bekijkt hij
bijna alle programma's in Thalia en Cinema Royal - en hij heeft grote waardering
voor de lef waarmee Abraham zijn dromen steeds opnieuw weet te realiseren.
Wanneer Blad hoort dat Abraham van plan is een theater in Amsterdam te bouwen,
zegt hij direct dat hij daaraan mee wil werken als het zover is: 'ik voel
er veel voor en heb een onbegrensd vertrouwen in je exploitatie-talent'.
Maar in het begin - bij de aankoop van de grond en de uitkoop van de bewoners
- hoeft Abraham nog niet op hem terug te vallen. Omdat deze hele kwestie
hem veel meer geld kost dan hij had gepland, vraagt hij zijn vriend op bezoek
als hij op het punt staat om met de ruwbouw te beginnen.
Cornelis Blad heeft nog steeds oren naar een samenwerking met Abraham bij
de bouw van een Amsterdams theater. Wanneer hij hoort welk bedrag Abraham
nodig heeft om de ruwbouw goed op gang te kunnen zetten - vijfhonderdduizend
gulden (te vergelijken met ruim 4,5 miljoen euro in 2002) - zegt hij hem
dit bedrag zonder blikken of blozen toe.
Blad maakt het nog mee dat Theater Tuschinski onder de kap komt te staan,
maar niet veel later krijgt Abraham een telefoontje: zijn vriend is ernstig
ziek en wil hem zien.
Cornelis Blad is geveld door de Spaanse griep. Hoe sterk de man ook is,
de ongelijke strijd met deze ziekte kan hij niet aan. Met Abraham aan zijn
zijde sterft hij de volgende ochtend. Na alle tegenslagen die Abraham te
verduren heeft gekregen tijdens de bouw is dit bijna teveel: niet alleen
verliest hij een goede vriend, maar ook een geldschieter op wie hij nog
terug had willen vallen als de bouw vorderde want er staat nog een hoop
op stapel.
Abraham Tuschinski moet zich na de begrafenis vermannen: 'De dooden mogen
wij met liefde gedenken, maar het leven eischt zijne rechten op. Ik moet
aan het gebouw, aan mijne verplichtingen, aan mijzelf denken
. Doorzetten,
doorzetten
.'
copyright: Jesse Goossens, 2002
Deze tekst is gepubliceerd in Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.
Bzztôh, 2002
Niet meer leverbaar.