Theater Tuschinski: De onmogelijke eisen

uit: Jesse Goossens, Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.

 

In een leegstaand pand aan de voorzijde van de bouwput aan de Reguliersbreestraat vestigt Abraham Tuschinski het bouwbureau waar de wonderen op papier gezet moeten worden. Iedere dag voert hij daar overleg met de bouwkundigen, waaronder Heyman de Jong - die is aangetrokken om het gebouw te ontwerpen - bouwkundig tekenaar Willem Kromhout en zijn leerling Christiaan Bartels.
Dat Abraham Tuschinski het mooiste en grootste theater van Amsterdam neer wil zetten, heeft hij van het begin af aan al tegen zijn zwagers en werknemers gezegd. Maar wanneer hij uiteenzet aan welke eisen dat theater moet voldoen, begint iedereen toch vraagtekens te plaatsen bij de haalbaarheid van het project.
Hoe moeilijk het was geeft Abraham later toe in een interview: 'ik heb menigmaal in een hoekje als een kleine jongen staan huilen bij tegenslag… Maar ik heb 't ondanks alles volgehouden.'


De eisen in getallen
De machinekamer
· Schakelborden gemaakt van 28 marmeren panelen van 125 x 100 cm
· Schakelborden staan 90 cm van de muur zodat er omheen gelopen kan worden
· 3 Siemens draaistroommotoren van 10, 16 en 20 pk
· draaistroommotoren gekopppeld aan gelijkstroomdynamo's met een vermogen van 500 ampère/100 volt
Hoofdcabine

· 3 schakelborden voor elektrische apparaten
· 2 filmprojectoren
· 2 reclameprojectoren
Ventileerinrichting
· luchtkoker op de kap van de zaal 3 x 3 meter
· afzuigkleppen van 400 kilo
· ventilatorcapaciteit 120.000 m3 lucht per uur
· luchtkanalen 2 meter hoog en 1,5 meter breed
· 98 luchtroosters in de zaal
Electrictiteit
· 32.000 meter stalen buizen
· 140.000 meter draad en kabel
· meer dan 3000 lichtpunten
· 380 lichtgroepen
· elektriciteisverbruik 400.000 kilowatt per jaar
Lichtbediening vanuit 4 plaatsen:
· de directieloge
· op het toneel

· in het cabaret
· in de cabine
Het brandscherm:
· 14 meter breed bij 12 meter hoog
· meer dan 12000 kilo
· in 46 seconden te laten zakken
· 36 brandslangen van 24 meter
Würlitzer:
· luchtventilatie met draaistroom van 6 pk
· 450 magneten
· spanning van 12 volt bij stroomsterkte van 15 ampère

Kein paal ien main zaal
Theater Tuschinski zal plaats moeten bieden aan zestienhonderdmensen, schrijft Abraham voor. Het heeft een groot toneel nodig, want behalve een plek waar beroemdheden uit de film-, variété- en cabaretwereld hun kunsten vertonen moet het ook te exploiteren zijn voor grote theaterstukken, revue en opera. Maar de allerbelangrijkste eis stelt Abraham aan het balkon.
De Nederlandsche Betonmaatschappij krijgt de opdracht voor het graafwerk, het heien en de betonbouw van Tuschinski. Abraham wil graag met deze maatschappij in zee, met name omdat zij ingenieur Louw in dienst hebben, een man die een ingewikkelde eis eerder als een uitdaging ziet dan als een onmogelijkheid. Aan Louw legt Abraham uit wat hij wil: twee balkons die elk zeven meter de zaal insteken en zeven rijen stoelen moeten dragen zónder dat er één paal is gebruikt: 'Ik duld die plaaggeesten van het publiek niet in mijn theater.'
Zoals Abraham al hoopt wordt Louw al enthousiast bij het idee iets zo schijnbaar onmogelijks te realiseren. Zo'n bijzondere bouwconstructie zal geschiedenis schrijven en daar wil de man graag al zijn krachten aan wijden. Hij luistert dan ook geïnteresseerd naar de manier waarop Abraham in Thalia een balkon zonder palen heeft aangebracht: als een wipconstructie waarbij de ene zijde van de wip wordt gevormd door het hangende balkon, en de andere zijde is verankerd in de achtermuur.
Voordat Abraham de klus definitief aan de Betonmaatschappij overdraagt, moet het bedrijf één ding beloven: hoe de werkzaamheden ook verlopen, directeur Sanders mag onder geen voorwaarde procederen.
Het lijkt een merkwaardige vraag, maar is niet ongegrond. De heer Sanders is een moeilijk man die de naam heeft opgebouwd altijd in problemen te komen met zijn opdrachtgever, waardoor iedere een klus eindigde in een proces. Maar Sanders ziet de samenwerking met Abraham wel zitten: 'U heeft verstand van werken en voor u wil ik werken.' Hij belooft hem het karwei in harmonie tot een goed einde te brengen.

Akoestiek
In 1921 zal het nog zeven jaar duren voordat de geluidsfilm zijn intrede doet. Het Theater moet dan ook op zo'n wijze worden ontworpen dat de op het toneel en vanuit de orkestbak geproduceerde muziek, gesproken en gezongen teksten zonder versterking tot bovenin het tweede balkon goed te verstaan zijn.
Om de akoestiek zo goed mogelijk te maken, wordt de vloer van de orkestbak in een ovalenvorm van gewapend beton gegoten die later wordt afgedekt met houten planken. De vloer fungeert daardoor als een klankkast die de muziek versterkt.
Abraham is zo nieuwsgierig naar de werking van deze klankbodem dat hij een van de stukadoors vraagt of hij een kistje sigaren wil verdienen. Deze Jan Lampenaar heeft de bijnaam 'Jan de Zanger' gekregen omdat hij tijdens zijn werk altijd aan het zingen is. Jan heeft wel oren naar het voorstel van Abraham en gaat op het grote toneel staan waar hij de proloog van De Paljas van Leoncavallo ten gehore brengt.
Dat de akoestiek geweldig is wordt duidelijk als zijn laatste toon wegsterft. Overal in het gebouw gaat applaus op en maken de arbeiders met hun gereedschap een hels kabaal.
Het experiment is uitstekend geslaagd.

Air conditioning avant la lettre
Om het publiek in de winter warmte te kunnen bieden en in de zomer verkoeling,laat Abraham een speciaal ventilatiesysteem ontwerpen voor zijn Amsterdamse theater.
Het wordt een kunststukje. Huigens en Wessels ontwikkelen een systeem van luchtkanalen door het hele theater met uitgangen in de verschillende vertrekken van het gebouw. Door deze kanalen wordt verse lucht van buiten gezogen en in de verschillende ruimtes geblazen. De oude lucht wordt door een luchtkoker op het dak afgevoerd.
De lucht die in het theater wordt geblazen kan verwarmd wordt door de lucht door verwarmde lamellen naar binnen te zuigen. In de zomer wordt de lucht over ijsblokken geblazen waardoor de temperatuur zakt. De temperatuur in de Grote Zaal kan hierdoor met maar liefst twintig graden naar beneden worden gebracht.
Niet alleen moet het systeem perfect werken, de manier waarop het in het gebouw verwerkt is moet ook bijzonder mooi en goed zijn. Abraham gaat ervan uit dat hij elk hoekje van Theater Tuschinski aan zijn publiek kan tonen. Zo zijn de luchtgangen betegeld, de wanden ervan beschilderd en hangen er mooie lampen aan het plafond zodat de gasten er prettig doorheen kunnen wandelen.
Het ketelhuis van waaruit de temperatuur in het gebouw wordt geregeld is ook betegeld. De houten wanden zijn wit geschilderd en gelakt en deze ruimte moet - ook al wordt er dagelijks met kolen gewerkt - spik en span blijven. Er is zelfs een speciale glazen wand geplaatst waardoor dames die wel de ketels willen zien maar niet tegen de hitte kunnen tijdens een rondleiding toch het ketelhuis kunnen bezoeken.

Bescherming
In een theater waar kosten noch moeiten gespaard worden om het publiek het beste voor te schotelen, zou men bijna vergeten dat het allerkostbaarste het publiek zelf is.
Abraham Tuschinski is daar goed van doordrongen. Om rampen te voorkomen stelt hij de zwaarste eisen aan de veiligheidsvoorzieningen in zijn theater. De hoop is natuurlijk dat er nooit iets verschrikkelijks zal gebeuren, maar mocht opeens brand uitbreken, de stroom uitvallen of iets anders gebeuren waardoor het publiek in paniek kan raken en zo snel mogelijk het pand wil verlaten, dan heeft hij er alles aan gedaan om zo'n situatie zo goed mogelijk te laten verlopen.
In de Grote Zaal is bij het podium een enorm brandscherm aangebracht dat de bezoeker moet beschermen bij een ongeluk op het toneel. Het enorme gevaarte van ijzer is te laten zakken vanuit de bedieningscabine in een loge bij het toneel. In diezelfde loge is het regenapparaat te bedienen, dat binnen één minuut een meter water op het toneel zet. Deze sproei-installatie werkt uitstekend: alleen het wegwerken van al die kubieke meters water is een heidens karwei. Brandweermeester Gordijn, die alle voorzieningen in het theater regelmatig langsloopt is diep onder de indruk van de bedieningsloge en bepaalt dat daar de permanente brandweerpost wordt gevestigd.
Niet alleen in de zaal kan uiteraard brand uitbreken. Zesendertig brandslangen zullen bij elkaar iedere plek in het theater moeten kunnen bereiken. En talrijke noodlampen zijn in de gangen aangebracht om de bezoekers in het donker de weg wijzen naar een veilig heenkomen. In een speciale kleine machinekamer worden twee accu's geplaatst die bij stroomuitval deze noodverlichting ondersteunen.

Hemelse stemmen
Voor Theater Tuschinski heeft Abraham zijn zinnen gezet op een nieuwe vinding: het Würlitzer orgel. In Tonawanda heeft hij de bestelling voor zo'n orgel geplaatst, maar slechts enkele weken voor de opening krijgt hij bericht dat het nog een half jaar zal duren voordat het orgel kan worden aangeleverd.
Abraham wil niet openen zonder Würlitzer. Hij reist daarom af naar Brussel waar een agent van de firma Würlitzer directeur is van de Cinema de la Monnaie. Deze directeur is de trotse eigenaar van een gloednieuw Würlitzer orgel dat net in zijn theater is geïnstalleerd.
Natuurlijk weigert de man zijn geliefde bezit aan Abraham te verkopen, maar de Napoleon van de Duvelshoek doet zijn naam eer aan en weigert te vertrekken voordat de deal is gesloten. Dagenlang praat Abraham met de directeur totdat deze uiteindelijk opgeeft en voor de som van vijftigduizend gulden (te vergelijken met maar liefst vierhonderdvierenvijftigduizend euro in 2002) afstand doet van zijn Würlitzer orgel.
Uit angst dat de man zich toch nog bedenkt, laadt Abraham twee kisten met de belangrijkste onderdelen van het orgel in zijn auto en neemt hij die mee naar Amsterdam. Twee weken later volgt de rest.
De Brusselse theaterdirecteur had nog maar zo recent zijn orgel laten plaatsen, dat de monteurs nog in het land waren. Abraham haalt hen naar zijn theater en laat bovendien nog extra monteurs uit Ierland overkomen om het werk zo snel mogelijk te klaren.
Het lijkt misschien wat overdreven om zoveel mensen in te schakelen om een orgel op te bouwen, maar voor dit Würlitzer moet een speciaal luchtventilatiesysteem worden geïnstalleerd, Iedere toets moet worden verbonden met zeven zilveren draadjes en honderden orgelpijpen van hout moeten worden gemonteerd evenals het wonderregister, de Vox Humana, dat het geheim is van de fabrikant.
Het orgel wordt gebouwd op een speciale klankbodem van mahoniehout. Via een soort trechter achter een houten rooster komt het geluid uiteindelijk de zaal in. Door de klankjaloezieën open en dicht te doen, kan de sterkte van het geluid geregeld worden.
De organist van Cinema de la Monnaie, de heer J. van Beers, helpt mee om het apparaat in Tuschinski bespeelbaar te maken. En wanneer het eindelijk zover is en hij zijn eerste proefspel kan laten horen, legt iedereen in het theater zijn werk neer om dit wonder mee te maken. Twee klavieren heeft het orgel, waarvan de onderste als een gewone piano te bespelen is als het orgel mocht weigeren. Er zijn een mandoline- en harpeffect in verwerkt, trommels, tamboerijnen, castagnetten, Indisch hout, een xylofoon, een carillon en kathedraalklokken. En niet te vergeten al wat nodig is om een zwijgende film te begeleiden: een bel, een treinsignaal, een scheepsfluit, een sirene, een trommel, sleebelletjes, paardengetrappel, een tamtam, een vogelimitatie, een triangel, regen, wind en een telefoonbel.
Theater Tuschinski heeft een Würlitzer.

Kleine man
In zijn overtuigdheid dat de enige die de werkelijke kwaliteit van de meubels kon beoordelen hijzelf is, test Abraham Tuschinski persoonlijk alle stoelen die in zijn theater moeten komen. Alleen de zetels waarin hij als gegoten past, acht hij geschikt voor Theater Tuschinski. Dagenlang is hij bezig om alle zitplaatsen te testen.
Maar Abraham is een kleine man. Zo klein zelfs dat hij altijd extra hakken onder zijn schoenen aan laat brengen om iets groter te lijken, al is hij dan nog ruim een kop kleiner dan het merendeel van zijn gezelschap. En een stoel waarin hij heerlijk kan zitten, is voor de gemiddelde bioscoopbezoeker dan ook te krap.
Dat de eigenwijsheid van Abraham niet altijd even goed uitpakt wordt na de opening pijnlijk duidelijk. Langere mensen, zoals Alex de Haas, moeten in het vervolg een plaats zoeken waarbij er geen stoelen voor hen staan zodat ze hun benen kwijt kunnen om ongestoord van de film te kunnen genieten.

Te zwaar
Dat de eisen die Abraham aan zijn werknemers stelt soms echt te zwaar voor een mens zijn, bewijst het verhaal van de heer Jansen.
Jansen is de technisch leider van de firma Van Mechelen die electrische installatie van Tuschinski voor zijn rekening heeft genomen. Jansen voelt zich persoonlijk verantwoordelijk voor alles wat er op het gebied van de techniek in het theater gebeurt. Hij is dan ook altijd op de werkvloer te vinden. Hij neemt geen tijd om te eten of te slapen en Abraham heeft hem al wel eens bij zijn werk vandaan moeten sleuren en onder bewaking naar een lunchroom moeten sturen omdat hij zolang achter elkaar niets at. Maar op een gegeven moment, als Abraham hem nodig heeft, is Jansen nergens te vinden: hij is niet in het gebouw, niet in het hotel, en ook niet thuis in Rotterdam. Als de avond valt is Jansen nog steeds vermist. Inmiddels is zijn vrouw uit ongerustheid naar Amsterdam vertrokken om zich bij de wachtenden in het theater te voegen.
De werknemers maken zich erg ongerust: zou het werken Jansen teveel zijn geworden en zou hij zichzelf in zijn wanhoop iets hebben aangedaan?
Nadat hij 24 uur vermist is wordt bij de politie zijn signalement doorgegeven. Alle ziekenhuizen worden afgebeld, maar nergens is iemand opgenomen die aan Jansens signalement voldoet.
Midden in de nacht beraadslagen Abraham en de werklieden wat ze nog kunnen doen. En juist als het een moment stil is, horen ze klopgeluiden en hulpgeroep.
De angst slaat toe: 'Dat is de geest van Jansen!' menen enkelen.
Een speurtocht naar de herkomst van het geluid, leidt naar de Grote Zaal waar niemand te zien is. Het komt ónder de vloer vandaan. Met breekijzers worden planken losgewrikt en waarachtig: daar komt Jansen, verzwakt maar levend, onder de vloer vandaan.
Tijdens de werkzaamheden was hij in slaap gevallen en zijn werknemers hadden - met evenveel slaap in de ogen als hij - de vloer over hem heen gelegd. De angst toen hij wakker werd was enorm: hij dacht dat hij levend begraven was en het duurde uren voordat iemand hem had horen kloppen en roepen.
Het had niet veel gescheeld of Theater Tuschinski had zijn eigen spook.

Personeel
Er worden niet alleen hoge eisen gesteld aan de mensen die het theater moeten maken, maar ook aan het personeel dat na de opening van het theater aan de slag zou moeten. En dat kan ook makkelijk, want er is keus te over aan bereidwilligen die zich voor het theater dienstbaar willen maken.
In de tweede week van september 1921 zijn er op maandag meer dan driehonderd mensen afgekomen op de sollicitatiegesprekken die op de Nieuwe Zijds Voorburgwal gehouden worden. De dag erna zijn er zelfs zoveel gegadigden dat de politie moet worden ingezet om de mensen in het gareel te houden. Uiteindelijk komen er meer dan duizend mensen naar het Filma-kantoor om op de advertentie te reageren.
Steeds krijgt vijftig man een nummertje en worden de sollicitanten om beurten opgeroepen om binnen te komen. Niemand krijgt direct toezegging of hij is aangenomen. Iedereen krijgt eerst de kans zijn zegje te doen en zijn getuigschriften te tonen.
Uiteindelijk kan een selectie worden gemaakt van de besten van al die honderden mensen die zich, gelokt door de verhalen over de bijzonderheid van het theater, hebben gepresenteerd. Zij zullen, anderhalve maand later, in dienst treden van Theater Tuschinski.
Honderdtwintig mensen worden tot hun grote geluk aangenomen: portiers, obers, orkestleden, werksters, piccolo's, cabaretpersoneel, garderobiers, ouvreuses en zaalcontroleurs.

 

copyright: Jesse Goossens, 2002

Deze tekst is gepubliceerd in Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.
Bzztôh, 2002
Niet meer leverbaar.