Theater Tuschinski: De Duvelshoek

uit: Jesse Goossens, Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.

 

Met in zijn hoofd het plan zijn bioscoopimperium in de hoofdstad uit te breiden, gaat Abraham Tuschinski naar de man die als geen ander weet wat het Amsterdamse filmpubliek wenst: Johan Gildemeyer. De filmdistributeur die inmiddels een goede vriend van Abraham is geworden, hoort diens plannen aan en raadt hem vervolgens ten stelligste af aan een dergelijk project te beginnen.
Met ernst wijst Gildemeyer op het grote succes dat Abraham in Rotterdam heeft behaald. Hij kan daar beter van gaan genieten dan zich in de ellende te storten, want dat is wat een theater in Amsterdam bouwen met zich mee zal brengen: ellende.
'Amsterdam is de lastigste stad met het meest verwende publiek,' zegt Gildemeyer, en 'Het goede is voor Amsterdam niet meer genoeg, want de keuze daaruit is te groot.' Een bioscoop in Amsterdam zou niet minder dan een superieur filmwalhalla moeten zijn, wil het aanslaan bij de bevolking.
Maar Abraham laat zich niet ontmoedigen. Integendeel. De woorden van Gildemeyer wakkeren iets in hem aan dat niet meer te doven valt: 'Je beweerde zooeven,' zegt hij zijn vriend, 'dat het een bijna bovenmenschelijke taak zou zijn, om in dezen tijd en onder de tegenwoordige omstandigheden een theater in Amsterdam op te richten.'
Gildemeyer bevestigt dat opnieuw, waarop Abraham zijn definitieve beslissing meedeelt: 'Het is juist iets voor mij, dat zoogenaamd bovenmenschelijke te probeeren.'

De keuze van de locatie
Ehrlich en Gerschtanowitz zijn direct wildenthousiast over het idee een theater in Amsterdam te bouwen. Manja Tuschinski zien het plan van haar echtgenoot minder zitten: zij voorziet een moeilijke periode, maar ze blijft achter Abraham staan en maakt plannen met de drie zwagers over Het Amsterdamsche Theater, zoals ze het project hebben gedoopt.
Met Ehrlich en Gerschtanowitz gaat Abraham op een goede dag in 1917 naar de stad. De bedoeling is rond te lopen om te kijken welke plaats geschikt zou zijn voor een groot bioscooptheater. Ehrlich oppert de Dam als cinemalocatie, maar Abraham wimpelt dat af: hij vindt het wel centraal genoeg, maar te klein.
Tijdens de wandeling bezoekt het gezelschap tot twee keer toe het Rembrandtplein. Dat zou een mooie plek zijn, maar het heeft een minpunt: daar staat al het grootse Rembrandttheater. Maar vlakbij zien ze de geschikte locatie: de Kalverstraat en het Rembrandtplein, twee trekpleisters voor het publiek worden verbonden door een straat waar Tuschinski's nieuwe filmpaleis prachtig zou passen, de Reguliersbreestraat. Dat daar al een bioscoop gevestigd is, het Nöggerath theater, kan Abraham weinig schelen. Zijn plannen zijn zoveel grootser dat hij die concurrentie wel aankan.
Alsof de Duivel ermee speelt komt het drietal een bioscoopdirecteur uit Indië tegen, de heer Frank, die met het plan rondliep contact met Abraham op te nemen. Hij wilde hem namelijk wijzen op een mogelijkheid om een nieuwe bioscoop neer te zetten: in de Reguliersbreestraat…
De zwagers bekijken het huizenblok dat de heer Frank voor ogen had en Abraham komt tot de conclusie dat het veel te klein is voor zijn plannen. Pas als Frank weer weg is, en het trio in een rustig hoekje van Café Schiller zit, doet Abraham zijn plan uit de doeken. Hij vindt de locatie uitermate geschikt, maar wil niet alleen het huizenblok opkopen, maar het hele gebied tussen de Reguliersbree en de Reguliersdwarsstraat waarvan deze huizen deel uitmaken: de Duvelshoek.

De aankoop van de grond
De Duvelshoek had zijn naam te danken aan de sfeer die er heerste. Zoals een journalist het bij de opening van het Tuschinski Theater in 1921 zal omschrijven: 'een lugubere buurt, waar in enge stegen de ergste armoede huisde.'
Het eeuwenoude wijkje waar Abraham Tuschinski zijn oog op heeft laten vallen, bestaat uit slecht onderhouden, vervallen pandjes die in handen zijn van huisjesmelkers. Dat de meeste van deze woningen onbewoonbaar verklaard waren weerhoudt de arme bevolking er niet van zich daar te vestigen. Het is een buurtje waar men zich 's avonds liever niet op straat waagt.
Ineengeklemd tussen de Fransche Bazar - een enorm winkelcomplex - en het Nöggerath theater liggen dertig van deze uitgewoonde huizen en een wirwar van steegjes: de Land van Beloftesteeg, de Suikerbakkersteeg en de Blindemansteeg.
Het lijkt een bijna onmogelijke taak om in het bezit van de huizen te komen. Het eerste pand weet Abraham op de kop te tikken voordat het op de veiling gebracht moet worden, maar de andere negenentwintig complexen zijn in handen van maar liefst twintig verschillende eigenaars die soms ver buiten de stad wonen. Het kost Abraham vier maanden om het eigendomsrecht van de ca. 2000 m2 Dûvelshoek te verwerven.
De gemeente levert hem gelukkig minder tegenstand en zij verkopen hem de stegen tegen een schappelijke prijs onder de voorwaarde dat hij een deel van zijn net verworven grond aan hen terugverkoopt omdat de Reguliersdwarsstraat verbreed moet worden. Daar is Abraham tevreden mee.
Maar het ergste moet nog komen. De bewoners moeten bewogen worden hun vervallen, maar goedkope, woningen te verlaten.

De uitkoop van de Duvelshoekers
Het is bij de wet verboden om mensen zomaar de huur op te zeggen, al zijn de huizen in Abrahams bezit. Iedere bewoner moet persoonlijk worden benaderd, er moeten hem alternatieven worden geboden en een redelijke vergoeding, zodat hij uit eigen wil vertrekt, anders kan met de sloop van de huizen niet begonnen worden.
Om deze
Het blijkt een Sisyphusopgave. Vier verschillende makelaars wagen zich aan het project.
De eerste zegt dat het hem binnen een half jaar lukt iedereen uit te kopen. Abraham gaat vol goede moed met hem in zee, maar geeft hem de opdracht mee aan niemand te vertellen wie de nieuwe eigenaar van de panden is. Dat hij zijn mond voorbij praat is al snel duidelijk als Abraham de ene na de andere afpersingsbrief ontvangt van bewoners van de Dûvelshoek.
'Ik kan een mooi huisje krijgen in de Reguliersdwarsstraat,' schrijft een water-en-vuurbaas, 'maar dan moet ik van u drieduizend gulden hebben en u moet mij een heele nieuwe winkelinventaris geven, veel mooier dan wat ik nu heb en het water dat ik gedurende de eerste tien jaren noodig heb, moet u ook betalen.'
Een ander probeert het op slinksere wijze: 'U kunt mij met een kleine vergoeding van mijn woning afkrijgen, maar dan moet mijn zoon, die een nette jongen is, portier bij u worden. Ik kan u niet dwingen, maar als mijn zoon niet bij u in betrekking komt blijf ik nog twintig jaar wonen.'
De makelaar zelf wordt bedreigd met mishandeling als hij niet met flinke afkoopsommen op de proppen komt. Bang geworden geeft hij de opdracht aan Abraham terug.
Abraham hoopt een vonnis tot ontruiming van de woningen te krijgen omdat de bewoners van zijn panden hem geen huur betalen, maar hij wordt gewaarschuwd: de kantonrecht is niet snel in het verstrekken van zulke vonnissen. Snel stelt hij een tweede makelaar aan: Van Schaick.
Het lijkt erop dat deze nieuwe makelaar van wanten weet. Binnen de kortste keren heeft hij de eerste acht huizen leeg. Maar diezelfde nacht trekken nieuwe mensen de panden in, krakers avant la lettre. Nu heeft Abraham er werkelijk genoeg van. Hij laat deze acht huizen door de politie ontruimen en sloopt direct de vloeren uit de gebouwen zodat er niemand meer in kan wonen. Dit wordt de nieuwe methode: zodra een bewoner is vertrokken - mét alles wat ze uit het huis kunnen meenemen van de kranen tot aan de loden dakgoten - laat Abraham het tussen de andere woningen tot op de grond toe afbreken en op die plek beginnen met graven voor de fundering. Maar Van Schaick heeft er het bijltje ook bij neergegooid. Hij wil zijn werk niet als vechtersbaas hoeven uitvoeren.
Meulemans is de nieuwe makelaar waarmee Abraham in zee gaat. Vol vertrouwen gaat deze man aan de slag, maar hij moet al gauw terugkomen op het idee dat hij dit wel makkelijker voor elkaar zal krijgen dan zijn voorgangers. Bij het eerste bezoek aan een glazenwasser wordt hem al een blauw oog geslagen. Een andere Duvelshoeker belooft hem te verhuizen als hij achthonderd gulden krijgt: Meulemans overhandigt hem de centen en vervolgens zet hem eruit met de woorden dat hij wel zal vertrekken als hij er zin in heeft. Ook Meulemans geeft er de brui aan.
Het is uiteindelijk de heer Slier, van de firma die de leegstaande huizen in de Dûvelshoek sloopt, die voor Abraham de klus klaart. Eén voor een komen de woningen leeg en worden ze afgebroken. Vanaf het moment dat Abraham de eerste woning kocht tot het moment dat de bouw van het theater werkelijk kan beginnen, zijn twee jaar verstreken en heeft het project ruim zevenhonderdduizend gulden gekost zonder dat er nog maar een paal in de grond geslagen is - in 2002 zou dit bedrag overeenkomen met ruim zesmiljoendriehonderdvijftigduizend euro.
Snel laat Abraham Tuschinski een schutting om de bouwput plaatsen, waarop in tot de verbeelding sprekende kleuren de woorden 'Wereldtheater Tuschinski' zijn geschreven.
De bouw van de droom kan beginnen.


copyright: Jesse Goossens, 2002

Deze tekst is gepubliceerd in Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.
Bzztôh, 2002
Niet meer leverbaar.