Theater Tuschinski: Van vestenmaker tot bioscoopkoning

uit: Jesse Goossens, Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.

 

Het is augustus 1904 en het is kermis in de stad. De jongen die aankomt op het station van Rotterdam is pas achttien. Op 14 mei 1886 werd hij geboren in het Poolse dorpje Brzezin, onder de rook van Lodz. Hij kent de taal niet van het land waar hij is aangekomen en het is ook niet waarschijnlijk dat hij die ooit zal leren spreken. Hij is hier slechts op doorreis, om de boot te nemen naar Amerika in de hoop daar een beter leven voor zichzelf en zijn jonge vrouw, die is in Polen wacht op zijn bericht.
De Joodse jongen ziet er bleek uit, maar twee donkere ogen schitteren fel en lijken alles in zich op te nemen wat er gebeurd. Dan komt er, in de stationsdrukte een man op hem af, die hem aanspreekt in zijn eigen taal. Is hij Abram Tuszynski? Ja? Dan heeft hij een aanbod voor hem.
Abraham Içek Tuschinski - zoals hij zich later zal laten inschrijven - is de zoon van een vestenmaker. In het bedrijf van zijn vader had hij het vak zo goed geleerd dat hij in zijn wijde omgeving een beroemdheid was. De man die Abraham aanhoudt op het station had een telegram gekregen van zijn broer die was achtergebleven in Polen. Daarin werd hij bericht van de komst van de vermaarde kleermaker. 'Houd dien knaap vast,' telegrafeerde de broer. 'Er zit goud in dien jongen.'
De Pool neemt Abraham Tuschinski mee, verschaft hem onderdak en bezorgt hem werk. Later herinnert Tuschinski zich nog de tocht over de kermis, waarbij hij naar zijn idee van alle kanten werd toegezongen met de schlager die op dat moment een grote hit was: 'Haben Sie nicht den Kleinen Cohn geseh'n'.

Groeiende zaken en groeiend verdriet
Mariem Tuschinski-Ehrlich, Manja, de vrouw van Abraham, zal behoorlijk verbaasd zijn als ze in 1905 het bericht krijgt dat ze naar Rotterdam kan komen, in plaats van naar het land der beloften, Amerika. Maar haar echtgenoot verwerft naam als kleermaker in Nederland zoals hij dat voor zijn komst in Polen deed en is een geliefd werknemer. De baas die hem in dienst heeft kan dubbel verdienen: op de kostuums én op de faam van de persoon die ze maakt.
Eén jaar na haar aankomst in Rotterdam, schenkt Manja Abraham een zoon: Wolf, die later Will zal worden genoemd. Twee jaar later, in 1908 komt er een tweeling bij, de jongetjes Meijer en Nathan.
Abraham werkt voor de firma Kattenburg, en neemt 's avonds op eigen rekening klusjes aan. Hij heeft zijn draai in Nederland snel gevonden en het gaat het jonge gezin financieel voor de wind. Maar er gebeurt iets verschrikkelijks: Meijer Tuschinski haalt zijn eerste verjaardag niet. Hij sterft op 29 april 1909.

Abraham Tuschinski heeft naast zijn kleermakersonderneming inmiddels een nieuw plan opgevat: hij wil landverhuizers een thuis bieden. Zelf als emigrant in Rotterdam terecht gekomen, weet hij als geen ander aan welke eisen zo'n hotel moet voldoen. Het moet een 'thuis' zijn voor Oostenrijkers, Polen en Hongaren, en het moet vooral níét lijken op de gewone landverhuizershotels in de stad. In de Nadorststraat sticht Abraham Hotel Polska.
De zaken gaan goed. Abrahams goede naam snelt hem opnieuw vooruit en al bij vertrek uit hun vaderland weten de emigranten: 'als je naar Amerika gaat moet je in Rotterdam bij "Polska" gaan logeeren.' Wat begint als een pension waar vijftig tot zestig man kan verblijven, groeit uit tot een huizenblok voor driehonderdvijftig gasten. Abraham kan zijn kleermakerij eraan geven en runt nu het grootste emigrantenhotel van Rotterdam.
Alsof de familie Tuschinski het geluk niet gegund is, gaat de zakelijke voorspoed opnieuw gepaard met een onoverkomelijk verlies. 28 maart 1911 sterft Nathan, de overgebleven tweelingbroer.
Zo'n achttien jaar later blijkt hoe groot Abrahams verdriet nog is. in Theater Tuschinski, tijdens de voorstelling van The Singing Fool lachen filmrecensenten Piet Bakker en Johan Luger om de scène waarin Al Jolson zijn stervende zoontje uit bed haalt en hem het liedje Sonny Boy toezingt. Abraham is woedend: 'Lachen jullie daar niet om,' zegt hij. 'Toen mijn zoontje stierf, moest ik hem op mijn knie nemen om een Poolsch liedje voor hem te zingen. Die dingen gebeuren…'

De eerste bioscoop verrijst
De dood van Meijer en Nathan ontneemt Abraham niet zijn ondernemerszin. Integendeel. Het is tijd voor een nieuw project, vindt hij, want de emigratie zal niet eeuwig doorgaan.
Abraham Tuschinski heeft een iets nieuws ontdekt: film. Deze nieuwe vinding wordt een passie voor hem: geen enkel programma slaat hij over. Maar de man die zo gesteld is op netheid en een prettige omgeving, ergert zich aan de entourage waarin dit prachtige medium wordt vertoond: de vlooientheaters.
Film is zo'n fantastische manier om de werkelijkheid achter zich te laten en weg te dromen, dat ook de omgeving zich daarvoor moet lenen, vindt Abraham. Hij besluit daarom een bioscoop neer te zetten die de film eer aandoet. En hij is ervan overtuigd dat de juiste omkleding het publiek zal trekken, want volgens hem kijkt de Hollander 'het eerst naar het comfort en dan pas naar het toneel'. Abraham ziet voor zichzelf de taak weggelegd als 'den toovenaar, die den weg naar hun hart en beurs ontsluit'.
De ideale locatie voor zijn nieuwe project vindt Abraham in een oude zeemanskerk aan het Coolvest, De Hoop. Het onteigende kerkje is klaar voor de sloop, maar Abraham huurt het In mei 1911 voor de duur van één jaar van de gemeente. Hij vindt een geldschieter, de heer Schanzer, die het hem mogelijk maakt zijn droom te verwezenlijken. Hij breekt alles uit en bouwt het in drie maanden op tot een volwaardige bioscoop die hij Thalia doopt, naar de muze van de komedie.
Tienduizend gulden besteedt hij aan het interieur: leren stoelen staan in het gelid in de kleurig beschilderde zaal, achterin zijn zelfs logeplaatsen aangebracht, bekleed met trijp en een meter hoger geplaatst dan de rest van de zetels. Gipsen borstbeelden van Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik flankeren het doek.
Mooie meisjes verkopen de kaartjes aan de kassa - een eis van Abraham waar niet aan te tornen valt: 'nooit is een van mijn loketten ontsierd door een kaartjesverkoopenden man.' Met goud behangen portiers ontvangen de mensen en in de hal wordt het publiek getrakteerd op een kopje koffie, glaasje bier of limonade. Voor chocolade moet vijf cent worden betaald.
De gemeente voorspelde bij de verhuur van het pand dat het publiek nooit naar deze plek zou komen, omdat het een bruggetje over moest steken. Maar Abraham deelt met zijn portier kortingsbonnen uit, hangt raambiljetten op en geeft vrijkaartjes aan mensen van stand. Het lukt hem de eersten over de brug te krijgen. En de rest volgt vanzelf.
Donderdag 24 augustus 1911 wordt Abraham Tuschinski bioscoopdirecteur. Zijn wens is vervuld: 'Ik wilde het publiek den bioscoop, die prachtige nieuwe vinding, waarin zooveel menschen verstrooiing zouden vinden, op een zilveren blad aanbieden. 't Was moeilijk…. Maar 't is gelukt.'

De man die alles voor elkaar krijgt
Wie een vluchtige blik op Abraham Tuschinski werpt, vraagt zich af hoe hij het zover weet te schoppen. Hij is geen opvallende verschijning, maar een korte, gedrongen gestalte. Zijn kleding is, zoals dat een voormalig kleermaker betaamt, altijd onberispelijk en zit als gegoten maar is nooit opzichtig. Zijn zwarte haar is met zoete olie naar achter gekamd en zijn handen zijn bijna vrouwelijk mollig.
Maar wie eenmaal Abrahams ogen heeft gezien, weet wat een kracht er in de man zit. Iedereen die hem ontmoet, begrijpt dat met deze man niet te spotten valt. In zijn ogen brandt 'een felle wil, een despotische kracht, een fascinerende overmacht, een fanatieke onverzettelijkheid […] die niet te mis-kennen kloek ineengedrongen gestalte, die aan Napoleon doet denken, met den karakteristieken kop naar 't faux air van…. Mussolini', zoals journalist Brusse hem later typeert.
Abraham is buitengewoon hoffelijk tegen vrouwen. Een rustig, nuchter en onverstoorbaar mens, dat soms ook bijna ontroerend naïef kan zijn. Juist die combinatie, gekruid met zijn onverwoestbare doorzettingsvermogen en een ijzeren wil zijn dromen te verwezenlijken, maakt dat hij alles voor elkaar krijgt.
Zo komt hij als beginnend bioscoopdirecteurtje bij de belangrijke filmexporteur Johan Gildemeijer. Gildemeijer moet niets hebben van beginnelingen en staat uiterst sceptisch tegenover het voorstel dat Abraham hem doet. De jonge ondernemer wil namelijk vanaf dat moment álle films met de Deense filmgodin Asta Nielsen uitkopen, zodat alleen hij die films kan vertonen.
Dat is ongebruikelijk: het staat iedereen vrij elke film te kopen en te vertonen. Gildemeijer maakt Abraham dan ook duidelijk dat er geen sprake van kan zijn. Maar de jongeman is onverzettelijk en weigert met lege handen te vertrekken. Als Gildemeijer uiteindelijk een belachelijk hoog bedrag noemt dat dit privilege zou moeten opleveren, gaat hij akkoord. Er wordt geen contract opgesteld, Abraham handelt op basis van vertrouwen. Dit is het begin van een bloeiende samenwerking die uitgroeit tot vriendschap.
Een ander staaltje van doorzettingsvermogen vertoont Abraham als de Thalia Bioscope aan het Coolvest op last van burgemeester Zimmerman moet worden gesloten om plaats te maken voor het Raadhuispaleis en een postkantoor.
Hij heeft een nieuw pand op het oog: het geliquideerde manufacturenmagazijn Gebr. A.I. Polak & Zn. in de Hoogstraat, maar het pand dienst maar liefst dertienduizend gulden huur per jaar op te brengen. Met alles wat hij bij elkaar weet te schrapen, drieduizend gulden, gaat Abraham naar de verhuurder, de heer Brandts. Inmiddels heeft zich daar ook een kandidaat aangediend die vijfentwintigduizend gulden kan overleggen. Toch heeft Brandts wel oren naar de plannen van Abraham. Samen met zijn raadsman, de architect Verheul, gaat Brandts naar het oude Thalia theater om met eigen ogen het succes van de bioscoop te aanschouwen. Ze lijken overstag te zijn, maar twee dagen later krijgt Abraham slecht nieuws: er zijn inmiddels zes andere gegadigden voor een bioscoop in de oude kledingwinkel, waaronder het Amsterdamse Union en het Rotterdamse Tivoli. Abraham is afgewezen.
Op hoge poten gaat Abraham naar de privé woning van Brandts. Hij voert een drama op dat Brandts niet weet te overtuigen, maar diens vrouw wel. Zíj weet haar man over te halen op Abrahams voorstel in te gaan als ook Verheul akkoord gaat. Dus snelt Abraham naar het huis van de architect die net met zijn vrouw naar de opera wil vertrekken. Abraham wijkt niet en bidt en smeekt tot Verheul er tranen in zijn ogen van krijgt. Bijgestaan door (opnieuw) de echtgenote wordt Verheul overtuigd. Het pand aan de Hoogstraat zal het nieuwe Thalia worden.

Op weg naar Thalia II
Wanneer het eerste Thalia theater gesloten wordt, heeft Abraham zijn verbouwingskosten er nog niet uit weten te halen. Zijn compagnon, Schanzer, gelooft niet meer in het project. Hij stapt uit de samenwerking en eist zijn geld terug. Abraham betaalt hem duizend gulden en geeft hem al het meubilair uit zijn theater. Alleen gewapend met zijn eerste projector, een Ernemann apparaat, en de koninklijke borstbeelden die de zaal sierden, stort hij zich op de organisatie van de nieuwe bioscoop.
Omdat het manufacturenmagazijn ingrijpend verbouwd moet worden voor het aan Abrahams eisen van een goede bioscoop voldoet, moet er een noodtheater worden ingericht waar hij zijn publiek in de tussentijd van film kan voorzien. Hij kan het zich niet veroorloven zijn pas opgebouwde cliëntèle nu al kwijt te raken.
In de Korte Hoogstraat huurt hij het concertgebouw Pschorr voor de duur van twee maanden. Hier zit het publiek als in een café aan tafeltjes te drinken terwijl de film wordt vertoond. Ieder programma wordt door Abraham persoonlijk ingeleid en niet alleen een pianist begeleidt de film, maar hij wordt bijgestaan door twee violisten, een bassist, een cellist en een slagwerker.
Terwijl het publiek nietsvermoedend geniet van de film, wordt even verderop gebeuld om hen nog meer luxe te kunnen bieden. Aan de architect Verheul maakt Abraham duidelijk dat hij een balkon wil zonder pilaren en een podium waarop hij artiesten wil laten optreden. Verheul wordt tot wanhoop gedreven door de eigenzinnigheid van zijn opdrachtgever. Tegen diens zin in plaatst hij toch één pilaar, anders weet hij het niet te realiseren. Een andere doorn in het oog van Abraham is de projectiecabine: die wordt noodgedwongen op het balkon tussen de stoelen geplaatst.
Voor het interieur worden kosten nog moeiten gespaard. Brandts, de verhuurder, steekt zelf tonnen in het gebouw waardoor er een volledige Louis XVI-stijl kan worden gerealiseerd. Wie het gebouw betreedt ziet zichzelf in de buitenvestibule tientallen malen gereflecteerd in spiegels. De met een mooi tapijt beklede hal waar talloze kroonluchters hangen leidt naar de met leer beslagen zaaldeuren die toegang bieden tot een ongekend luxe ruimte. De muren zijn bespannen met damast en omlijst door een stucrand in de Lodewijkstijl. De loge- en balkonstoelen zijn gemaakt uit massief mahonie en bekleed met velours en aan weerszijden van het doek schitteren opnieuw de borstbeelden uit Abrahams eerste bioscoop.
De opening is een groot succes. Iets te groot, zelfs. De belangstelling is zo overweldigend dat Abraham gedwongen is een groot aantal mensen onbetaald de zaal in te laten gaan omdat er ander gewonden zouden vallen. En even lijkt het er zelfs op dat de openingsfilm: De Doodendans met Asta Nielsen niet op tijd wordt afgeleverd. Pas tijdens de pauze komt Van Impelen, een vriend van Abraham, met de film opdagen. Wat bleek? Nadat hij de film bij de distributeur in Amsterdam had opgehaald, had hij hem voor zichzelf gedraaid. Wat hij zag beviel hem zo goed dat hij vervolgens met zijn vrouw nóg een keer keek. Om uiteindelijk, op het nippertje, de Doodendans bij Thalia te bezorgen.

Gevoel voor pr
Het tweede Thalia werd het eerste theater in Nederland waar film werd gecombineerd met variété en toneel. Bovendien was het de eerste bioscoop waar op één avond twéé afgeronde voorstellingen werden gegeven. Dagelijks was er ook een matinee voor de dames en op zondag draaide Thalia maar liefst vijf voorstellingen.
Het begrip 'public relations' bestond nog niet ten tijde van Abraham Tuschinski, maar het lijkt voor de man te zijn uitgevonden. Alles deed hij eraan om zijn publiek te binden. Zo liet hij in het aangrenzende café aankondigen wanneer de tweede voorstelling begon, zodat de mensen daar van tevoren zonder op de tijd te letten konden borrelen.
De broer van Manja, Herman Ehrlich, werd nu door Abraham bij het bedrijf gehaald om Europa rond te reizen om de beste artiesten voor zijn voorprogramma te engageren.
Het behoeft nauwelijks gezegd te worden dat Thalia II een groot succes is. Maar Abraham raakt gealarmeerd als hij te horen krijgt dat Jean Desmet, een concurrent, op 1 augustus 1913 zijn Cinema Royal zal openen. Direct brengt hij alles in gereedheid om Thalia grondig te herbouwen: zijn theater moet immers het mooiste blijven.
Om zijn plannen te kunnen realiseren heeft Abraham een nieuwe geldschieter nodig. Dat wordt een vrouw die - om haar zoon een positie te verschaffen - tienduizend gulden in de verbouwing steekt. Maar deze nieuwe partner drijft Abraham tot wanhoop: waar hij zijn publiek het allermooiste wil bieden, is de vrouw alleen maar uit op koopjes.
Hoewel de dame het werk met haar inmenging alleen maar ophoudt, weet Abraham de verbouwing op tijd klaar te krijgen om tegelijkertijd met Cinema Royal de deuren te openen. Hij heeft nu een balkon zónder pilaren, waarop honderd plaatsen zijn. Honderd stoelen staan er ook in de loges. Er zijn in het theater nieuwe schilderingen en lampen aangebracht. Het orkest is uitgebreid en buiten is een noviteit op het gebied van straatreclame te bewonderen. In de stenen vloer van de buitenvestibule is een matglazen plaat aangebracht die van onderen wordt verlicht: daarop zijn de muze Thalia en de woorden Thalia-Bioscope geschilderd.
Aan het eind van de openingsavond zijn de critici het eens: Thalia heeft Royal overtroffen. Opnieuw wint Abraham Tuschinski.

Familiebedrijf
De dag na de opening van het vernieuwde Thalia is het duidelijk voor Abraham dat het samenwerken met zijn vrouwelijke compagnon niet gaat. Met haar bitse praatjes schrikt zij het publiek eerder af dan dat zij de zich op hun gemak laat voelen. Daarom stelt Abraham op 2 augustus 1913 zijn andere zwager, de man van de zus van Manja, Herman Gerschtanowitz aan om de mensen te woord te staan als hijzelf met Ehrlich op reis gaat om artiesten te zoeken.
De samenwerking tussen de drie zwagers verloopt van het begin af aan uitstekend. Als het nieuwe Thalia een poosje draait en de conflicten met de vrouwelijke compagnon een nieuw hoogtepunt bereiken, laat Abraham twintig beveiligingsbeambten aanrukken om ervoor te zorgen dat de vrouw noch haar zoon het theater meer inkomen. Hij betaalt de vrouw haar volledige inlegsom en haar winstdeel van de afgelopen maanden uit en zet hiermee een streep onder het partnerschap met vreemden. Vanaf dat moment is het familiebedrijf een feit.
Ehrlich is verantwoordelijk voor de programmatie van de artiesten en Abraham zelf reist rond om de internationale filmwereld te verkennen. Gerschtanowitz wordt de chef van Thalia en Manja Tuschinski zit af en toe in de kassa en praat met de bezoekers in de hal om deze op hun gemak te stellen.
Het publiek maakt niet alleen met hun blije gezichten en woorden van dank duidelijk hoeveel ze van het theater en het gebodene genieten. Regelmatig krijgen Abraham en consorten giften van tevreden bezoekers: taart van een bakker, een fruitmand van een groentenwinkel en verse zalm van vissersvrouwen.

Cinema Royal
Nog geen jaar na de opening van zijn Cinema Royal merkt Jean Desmet dat zijn zaken niet goed lopen. Het publiek vindt de bioscoop te ongezellig en te duur en bezoekt liever Thalia.
Abraham haalt direct zijn voordeel uit de malaise van zijn concurrent. Hij neemt Desmet de slechtlopende cinema uit handen door deze te huren voor vijf jaar met het recht op koop. De koopsom wordt gesteld op f 325.000,-.
De handen zijn nauwelijks geschud of Abraham laat Cinema Royal vertimmeren en opnieuw beschilderen zodat het een echte Tuschinski-bioscoop wordt: fris en vrolijk.
Tot zijn grote genoegen merkt Abraham dat hij zijn andere theater niet beconcurreerd, maar dat Cinema Royal een nieuw, meer elitair, publiek trekt. Zelfs tijdens de mobilisatie vanaf 31 juli 1907 - na de eerste dagen van schrik - lopen de theaters uitstekend. Veel mensen kopen zelfs bioscoopkaartjes om hun papiergeld voor zilvergeld in te ruilen.
De oorlogssituatie brengt nieuwe klanten: Belgen die uit hun land zijn gevlucht en ingekwartierde soldaten. Vooral de laatste groep let niet op de centen: zij kopen de duurste plaatsen en de verkoop van drank en chocolade stijgt enorm.
Abraham Tuschinski neemt tijdens deze periode zelf één keer een wapen ter hand. Voor zijn theater had hij de film De laatste dagen van Pompei besteld. Zijn vriend Gildemeyer had hetzelfde gedaan voor zijn Uniontheater in Amsterdam. Maar op de dag dat de film in première moet gaan is er nog maar één kopie van de film in Amsterdam aangekomen.
Als Gildemeyer weigert deze kopie aan Abraham te geven, koopt deze een enorme revolver en gaat daarmee naar Union. Gildemeyer zelf gaat er als een haas vandoor en de directeur van Union geeft onder bedreiging van Abraham hun kopie van de film mee naar Rotterdam. De film is een enorm succes.

Scala
De Hoogstraat, waar Thalia triomfeert, is inmiddels uitgegroeid tot een echte bioscoopstraat. Imperial, American, Kosmorama en Scala hebben zich daar gevestigd. Scala is een klein verwaarloosd pand dat wonderbaarlijk druk bezocht wordt door zeelui en werklieden die met hun vriendinnen naar zwaar romantische films gaan. In de volksmond wordt Scala ook wel de 'pikante bioscoop' genoemd.
De explicateur - de verteller bij de zwijgende film - heeft een belangrijke rol in het scheppen van de juiste sfeer in het theater. Thalia heeft bijvoorbeeld een man die een Franse opvoeding heeft genoten en zijn teksten doorspekt met Franse uitdrukkingen. Al begrijpt het merendeel van het publiek geen woord van wat hij zegt: ze vinden het chique en genieten ervan. De explicateur van Scala weet precies de juiste toon te treffen voor dit volkstheater en maakt van iedere film iets gezelligs. Dat waardeert Abraham bijzonder. Daarbij valt het hem op dat Scala juist tussen drie uur 's middags en zeven uur 's avonds volle zalen trekt: een moment dat net tussen zijn eigen matineevoorstelling en avondvoorstellingen invalt.
De directeur van Scala, Foppe, verhuurt zijn theater voor tien jaar aan Abraham. De huurprijs bedraagt f 150,- per week en daarbij wordt verwacht dat na tien jaar de piano, de projectiemachine en de motor in goede staat worden teruggegeven.
De Gebroeders Klaphaak, architecten, maken van Scala een kleine Thalia-bioscoop: zonder podium, want dat is in dit familietheater niet nodig volgens Abraham. In drie maanden is de derde Tuschinski cinema gereed en wordt deze met groot succes ingewijd met de Amerikaanse film De sleutel van het geluk. Vier weken achtereen weet deze film waarin Ella Hall schittert Scala vol te krijgen.

Olympia
Een nieuwe trend doet zijn intrede in Nederland: de Wild West film wordt razend populair. Abraham Tuschinski wil natuurlijk niet achterblijven en inspelen op deze rage, maar hij zit met een dilemma. Deze films voor stoere mannen, vindt hij niet geschikt voor Thalia en Cinema Royal, waar hij de internationale successen voor het grote publiek vertoont. Scala zou op zich een goed theater zijn, maar de Wild West films zijn tamelijk duur: te prijzig voor zo'n klein bioscoopje. Een nieuw theater lijkt de enige oplossing.
Aan de Oude Binnenweg in Rotterdam houdt een amateur-sterrenkundige er een oud vervallen bioscoopje op na. Voor de prijs van de inrichting van een nieuw planetarium: f 7000,- neemt Abraham dit theater over en hij spreekt met de grondbezitter af dat hij een goede huur zal betalen als deze hem de ruwbouw van een nieuwe bioscoop schenkt. Voorwaarden: er moeten zeker zevenhonderd man in kunnen én er moet plaats zijn voor een ruim toneel. De grondeigenaar George van Biene heeft wel oren naar de plannen van de succesvolle bioscoopexploitant en laat direct het oude theatertje afbreken.
Midden in de malaise van de Eerste Wereldoorlog wordt Tuschinski's vierde theater opgetrokken. De architect, Aalberse, laat zich nergens door in de weg staan. Komen er niet genoeg heipalen uit Duitsland? Dan haalt hij ze toch gewoon in Drente! En zijn er geen bouwstenen te krijgen? De stenen van een oud hotel voldoen uitstekend, als ze maar eerst worden schoongebikt.
Op 21 oktober 1916 is Olympia een feit. De bioscoop waar Tom Mix, de cowboy in het wit, wordt aanbeden, wordt al snel door iedereen De Plump genoemd. Terwijl de Wild West cinema in vol bedrijf is verbouwen Abraham en architect Klaphaak de aangrenzende dameshoedenwinkel tot een mooie hal met een prachtige gevel om Olympia het aanzien van een volwaardige bioscoop te geven. Een zwaar gesmeed ijzeren hek, waarop in koperen letters de naam Olympia Theater staat geschreven, geeft het gebouw een extra cachet.
Vier bioscopen in Rotterdam heeft Abraham nu: Thalia, Cinema Royal, Scala en Olympia. Dertien jaar is hij in Nederland, en in die periode is hij van Poolse vestenmaker opgeklommen tot Rotterdamse bioscoopkoning. Maar hij heeft nog één grote wens: een theater in de hoofdstad van het land dat hij zo is gaan liefhebben. Abraham Içek Tuschinski heeft zijn zinnen gezet op een filmpaleis in Amsterdam.

copyright: Jesse Goossens, 2002

Deze tekst is gepubliceerd in Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid.
Bzztôh, 2002
Niet meer leverbaar.