Er staat
een man met een bolhoed bij een boom. Een tweede komt aanlopen, strompelend.
Hij heeft last van zijn voet en wil zijn laars uittrekken.
De twee blijken oude vrienden te zijn, Vladimir en Estragon. Vladimir helpt Estragon met zijn laars. Ze bekijken de plek, babbelen wat en dan vindt Estragon het wel genoeg: We moeten gaan.
Dat kan niet, antwoordt Vladimir.
Waarom niet?
We wachten.
Waarop? vraagt Estragon.
We wachten op Godot.
Het is korte, bondige taal die de zwervers spreken. Dat komt omdat de schrijver, Samuel Beckett, het in het Frans schreef: een taal die hij als Ier nog niet goed machtig was. Door de eenvoudige woorden krijgt het theaterstuk iets helders, iets overduidelijks en iets grappigs.
Maar die duidelijke zinnen, de kleine ruzies die Vladimir en Estragon maken, de herkenbare woordenwisselingen tussen vrienden, geven de toeschouwers ook een onrustig gevoel. Ze praten over van alles en niets en komen nergens toe. Ze zijn daar maar, op zomaar een plaats, op zomaar een dag. Er is helemaal geen houvast: er gebeurt niets.
Of wel? Er komen nog twee mannen aan. Het zijn de rijke Pozzo en zijn slaaf Lucky. Pozzo gaat Lucky verkopen op de markt. Lucky zwijgt. Als Estragon te dicht bij Lucky komt, wordt deze agressief. Wanneer Pozzo Lucky beveelt om te dansen en daarna om te denken, komt er een onstuitbare stroom filosofieën uit de slaaf. Estragon en Vladimir vergapen zich, net als het publiek van de voorstelling, aan het absurde tweetal.
Als Lucky en Pozzo verdwenen zijn, blijkt uit de woorden van Vladimir en Estragon dat ze wel degelijk wisten wie Pozzo en Lucky waren: Ze zijn wel veranderd, hè?
Vladimir en Estragon dralen nog een poosje tot er een jongen verschijnt met een boodschap: Meneer Godot heeft gezegd dat hij vanavond niet komt, maar dat hij morgen zeker komt.
Vladimir vraagt of de jongen zich hem nog kan herinneren, maar de jongen zegt dat hij nooit eerder is gekomen.
Vladimir en Estragon besluiten weg te gaan. Ze blijven zitten.
De volgende dag zijn Vladimir en Estragon nog steeds in zomaar een landschap aan het wachten op Godot. Alle herinneringen aan de dag tevoren lijken verdwenen te zijn.
Opnieuw komen Pozzo en Lucky langs. Nu is Pozzo blind. De vier vervallen in een slapstickachtige situatie waarin ze vallen, opstaan, vallen, niet kunnen opstaan, alsof er verschillende Laurels en Hardys op het podium staan. De toeschouwers lachen. Nu eens om domheid, dan om herkenning, de ene keer uit leedvermaak, de andere uit ongemak. Wachten op Godot brengt het publiek van zijn apropos.
Pozzo vraagt hoe laat het is en tegen wie hij spreekt. Vladimir en Estragon weten het antwoord niet.
Nadat Pozzo en Lucky zijn weggegaan, verschijnt de jongen weer op het toneel. Meneer Godot heeft gezegd dat hij vanavond niet komt, maar dat hij morgen zeker komt.
Vladimir en Estragon besluiten weg te gaan. Ze blijven zitten.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2