Op het podium
hangt een zwart-wit gestreept decor. Het streepjespatroon doet denken aan
dat van een wild beest: geen zebra, meer een zwart-witte tijger of zo.
De muzikanten komen als eerste het podium op en gaan onder applaus in de orkestbak zitten. Als ze een klassiek stuk van Bach inzetten, gaat langzaam het licht op het podium aan. Het gestreepte decor blijkt doorzichtig te zijn. Achter het scherm staan zestien dansers, de helft zwart met witte strepen, de andere helft wit met zwarte strepen. Ze dansen in paren die elkaar kruisen op een elegante manier, alsof ze een ouderwetse hofdans uitvoeren.
Hun dans is natuurlijk, hun bewegingen vormen een steeds veranderend geheel in zon vloeiende beweging dat de toeschouwer erdoor betoverd wordt en bijna verbaasd is als er nog maar twee dansers overblijven die om elkaar heen cirkelen als baltsende vogels.
Het spel tussen de mannelijke en vrouwelijke danser is voor iedereen herkenbaar, ieder probeert met zijn eigen kunnen indruk te maken op de andere partij. Zelfs als zij gelijktijdig dezelfde beweging maken en één geheel lijken te vormen, is het verschil tussen beiden duidelijk te zien. De man beweegt zijn lichaam met grootse bewegingen, krachtig en stoer, terwijl de vrouw in dezelfde houdingen iets gracieus uitstraalt: haar dans is voortdurend teder, innig, lieflijk.
In het ballet wisselen de groepsdansen, duetten en solos elkaar voortdurend af. Nu eens speelt het hele orkest, dan weer klimt een violist of contrabassist het podium op om in zijn eentje te spelen. Maar het verloop van Perfect Skin is vanzelfsprekend.
In de dans onderscheiden zich duidelijk twee groepen: de witte en de zwarte. Deze groepen zijn anders, dansen anders. Als in een bendegevecht op straat, komen af en toe solisten uit de groepen naar voren om hun kunnen te tonen. Maar zo verschillend als beide groepen zijn, zo groot is de aantrekkingskracht tussen de dansers.
Het zwart-witte decor waarop nu eens een bliksem, dan weer een golflijn en dan weer kringen te zien zijn alsof er een steen in het water wordt gegooid, benadrukt de onlosmakelijkheid van zwart en wit en de diverse vormen waarin die tegenstellingen samenkomen. Ook het spel met het licht, waardoor de dansers de ene keer alleen als silhouet te zien zijn en dan weer vol in de schijnwerpers staan, versterkt dit effect.
Zoals licht niet zonder donker kan bestaan, zo vormen de twee partijen één geheel. En dat wordt ook duidelijk in de solos en duetten. Iedere solo kent zijn eigen schoonheid: of een danser nu pirouettes draait, springt of over de grond tijgert, het is adembenemend om naar te kijken. Maar zo gauw twee solisten bij elkaar komen en hun bijna tegengestelde dansvorm tot een geheel versmelt, ontstaat er een bewegend kunstwerk dat indrukwekkender en bijzonderder is dan gewoon de optelsom van die twee solisten. Hun dansen versterkt elkaar en raakt onlosmakelijk met elkaar verbonden alsof twee helften die eerder nooit wisten dat ze eigenlijk niet compleet waren elkaar eindelijk gevonden hebben.
Wanneer de dansers weer uiteengaan of een nieuwe solist het podium betreedt, is de enkeldans opnieuw schitterend, maar ook tragisch en verlangend naar die wederhelft. Want nu weet de toeschouwer wat een sublieme eenheid een duet kan vormen.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2