Het is
snijdend koud. Vijftienhonderd mensen zitten op houten tribunes tussen de
duinen van het eiland Terschelling. Ze houden zich warm door dicht tegen
elkaar aan te kruipen. Een fles juttersbitter gaat van hand tot hand. Stuifzand
waait op. Meeuwen krijsen. De zon zakt langzaam in zee, de lucht oranje,
paars en diep ultramarijn kleurend.
Tweehonderd meter diep is het podium dat Tryater heeft gekozen voor de opvoering van Peer Gynt. Het verhaal van Peer, dat een eeuw geleden door Henrik Ibsen was geschreven, is van Noorwegen naar Terschelling verplaatst. Peer spreekt geen Noors maar Meslânders, een van de dialecten van het eiland.
Peer is een vrolijke fantast. Tot groot verdriet van zijn moeder Aase leeft hij er lustig op los. Zo wordt hij dronken op een bruiloft, ontvoert en onteert hij de bruid en dumpt hij haar alsof het niets is. Ook als hij een prachtig lief meisje ontmoet, Solveig, dat hem direct in haar hart sluit, gaat hij er na een poosje vandoor.
Uit een ven in de duinen duiken halfnaakte rondborstige vrouwen op. Waar komen ze vandaan? Peer vraagt het zich niet lang af en heeft plezier met hen totdat ze weer onder water verdwijnen. Peer is alweer met zijn volgende verovering bezig, de prinses van de Sunderums, als het publiek zich nog verwondert hoe het kan dat de dames niet meer bovenkomen. De kou is allang vergeten.
De Sunderums zijn de aardgeesten van Terschelling. In de Noorse versie komt Peer met trollen in aanraking. Maar in beide verhalen is het verloop hetzelfde. Het lijkt even leuk, dat gerotzooi met een prinses, maar Peer wil niet bij dat volk horen en verlaat het meisje. Als haar vader, de koning, daarachter komt, moet Peer vluchten voor zijn leven.
Solveig, het lieve meisje, wacht nog altijd op Peer. Maar ze zal nog langer moeten wachten, want Peer vertrekt naar het buitenland. Op zijn weg reist hij nog langs zijn moeder. Zij ligt op sterven. Peer heeft haar hart gebroken. Diep verdrietig legt Peer Aase op een slee die, als door een wonder, vanzelf langzaam door de duinen wegglijdt naar de horizon.
Na zijn wereldomzwervingen keert Peer als oude man terug op Terschelling. Daar ontmoet hij de knopengieter, de dood, die Peer komt halen omdat hij in zijn leven niets betekend heeft. Peer is als een ui. Je kunt er zoveel lagen afpellen als je wilt, er blijft niets over: geen pit, geen hart.
De knopengieter achtervolgt Peer en doet het zand waar hij doorheen rent branden. Peer kan alleen aan de dood ontkomen als hij kan aantonen dat hij iets waard is geweest. En daar is Solveig als reddende engel. Peers leven heeft wel degelijk zin gehad, zegt zij, in haar geloof, in haar hoop en in haar liefde.
De knopengieter vertrekt. Peer legt zijn hoofd in Solveigs schoot en ze zingt hem lieflijk in slaap.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2