In Toomler,
een comedycafé in Amsterdam, heerst een opgeruimde stemming. Vrolijke
mensen zitten aan tafeltjes en aan de bar te drinken. Sommigen eten nog
een hapje. Er wordt gepraat en gelachen.
Dan wordt het rode licht gedempt. De spanning stijgt. Er staat iets te gebeuren. Zal Toomler zijn naam weer kunnen waarmaken? Toomler betekent in het Jiddisch veroorzaker van komische opschudding. Vanavond zullen er vier stand-uppers optreden, maar tot het laatste moment is onbekend wie dat zullen zijn.
Tromgeroffel en trompetgeschal klinkt uit de versterkers: Hier is uw gastheer, galmt een stem. Howard Komproe!
Onder een warm applaus loopt Komproe het podium op. Direct kijkt hij wie er voor zijn neus zitten. Die heren aan dat tafeltje, horen die niet bij de dames? Nog niet, tenminste?
Komproe is net op tournee geweest in het land, vertelt hij. En hij vindt het prettig om weer terug te zijn in Amsterdam: Het is goed weer ergens te zijn waar ze weten wat ze met een neger aan moeten. Dat ze denken: shit, mn portemonnee! Dat is prettig.
Onder een lachsalvo kondigt hij de eerste stand-upper aan, die net vader is geworden: Pieter Jouke. Pieter vertelt hoe bijzonder dat toch is, een bevalling. En dat je van die rare rituelen eromheen hebt. Sommige mensen begraven bijvoorbeeld de placenta na de bevalling in de tuin. Waarom zou je dat doen? Om een vleesboom te krijgen?
Pieter richt zich tot de mensen die voor hem aan tafeltjes zitten. Een groepje meiden blijkt van een studentenvereniging te zijn. Dat is altijd goed voor een paar grappen. Dat vindt ook de volgende stand-up comedian Marc Scheepmaker. Hij wil wel weten hoe dat dispuut dan heet. Nike, blijkt, naar de godin van de overwinning. De godin van de overwinning? kaatst Scheepmaker terug. Jij hebt het wel hoog zitten in dat blonde koppie van je, hè?
Marc lijkt een schuchter verlegen type. Hij stottert een beetje. Maar juist door zijn trage, bijna bange manier van vertellen komt de clou van zijn grappen veel harder aan. Hij vertelt over het examen van de cliniclowns: dat examen moet je doen op een echt kindje. Maar dan wel op een terminaal ziek kindje. Mislukt het, dan is er tenminste geen man overboord.
Micha Wertheim, de derde stand-upper, wil juist helemaal geen cliniclowns. Hij heeft net in het ziekenhuis gelegen en weet wat het enige is dat je dan nodig hebt: iemand op dezelfde zaal die iets ergers heeft dan jij. Dus als er bij jou een arm is afgezet, dat er dan bij die ander twéé zijn afgezet. Kun jij lekker naar hem zwaaien.
Jan Jaap van der Wal is de enige comedian die avond die nog geen kinderen heeft, maar dat geeft niet: hij heeft via SOS Kinderhulp een heel dorp in Kazachstan gekocht. De grappen stapelen zich in een noodtempo op. De ene zin komt automatisch uit de andere voort en je zou niet meer kunnen navertellen hoe hij van Kazachstan bij de Modepolitie terechtkomt, vervolgens bij Idols, om ten slotte uit te komen bij datgene waar het werkelijk om draait: dat jongeren tegenwoordig allemaal hetzelfde zijn. Jong zijn gaat er toch juist om dat je je eigen ding kunt doen, zegt Jan Jaap. Maar in de disco kleedt iedereen zich als Jennifer Lopez, zelfs de jongens. Nee, je zou juist naar de dj moeten gaan om te zeggen: Op deze muziek kan ik niet quicksteppen. Dan ben je pas jezelf.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2