Verslaafd aan de stofwolk

Monique van de Ven over Theater 

uit: Jesse Goossens, Dit is Theater

 

‘Vroeger, als kind van tien, elf jaar, ging ik veel met mijn moeder naar het toneel. Ik wilde daar altijd heen.

Toen we op een gegeven moment in het theater zaten – we hadden net een blijspel gezien – gingen de gordijnen dicht en kwam er een stofwolk van het toneel vandaan. Daar hing een bepaalde geur aan, en ik weet nog als de dag van gisteren dat ik tegen mijn moeder zei: “Dit wil ik ook.”

De geur van de stofwolk was de geur van geschiedenis. Van spanning. Van een zaal die naar je luistert. En wat ik daar rook, had absoluut te maken met een soort veiligheid van een huis, noem het maar een toneelhuis, dat om je heen zit.

Ik heb hetzelfde met ziekenhuizen, dus ik had daar misschien ook terecht kunnen komen. Bij een ziekenhuis dacht ik als kind: daar is het altijd warm, daar is het altijd licht, daar is altijd iemand. Bij theater had ik datzelfde gevoel.

Ik wist ook meteen dat de mensen uit het theater ánders waren. In die zin anders, dat ze iets van zichzelf durven bloot te geven. Iets van zichzelf durven laten zien. Dat ze naar zich laten kijken, is toch wonderlijk? Daar wilde ik bij horen.’

 

Turks Fruit

‘De volgende stap was dat ik op de toneelschool zat en dat Globe aan het spelen was in een schouwburg. Ik was er met andere theaterschoolleerlingen en op een gegeven moment zei ik: “Ik ga even naar achteren. Ik ga even zeggen dat ik het mooi vond.” De anderen deden dat niet.

Hans Kemna was er ook bij en ik wist van mijn vriendje dat ze een film gingen maken. Film was een volstrekt onbekend terrein voor me, maar ik was heel open en gemakkelijk en zei: “Hallo, ik ben Monique, en ik hoor dat jullie dat gaan doen. Wat enig, dat zou ik ook wel willen.”

Hans Kemna antwoordde: “Doe maar auditie, ik bel je wel.”

Ik heb nooit streberig achter iets aan gehold en ik ben nooit superambitieus geweest, maar ik was wel heel nieuwsgierig en heb altijd wel opgevolgd wat er voorbijkwam. Dingen hangen natuurlijk voor een deel van toevalligheden aan elkaar, maar wát je ermee doet is talent.

Ik ben meteen naar Amsterdam gegaan toen Hans Kemna belde en ik heb direct Paul Verhoeven ontmoet.

De groep die ik aantrof bij Turks Fruit was een heel speciale. Ik had de groep gevonden waar ik bij hoorde. Het was een andere stofwolk dan ik dacht, maar het was ook een stofwolk. Het was een groep mensen die op de een of andere manier wisten dat ze iets speciaals in handen hadden. Paul was een heel inspirerende regisseur, Jan de Bont een heel inspirerende cameraman en er waren een heleboel inspirerende mensen die aan die film meewerkten. Dat voelde iedereen.

Het werd opgenomen in een zomer. Rutger Hauer en ik waren heel erg dicht bij elkaar, zonder verliefd te zijn, maar zó sterk: je voelde aan alle kanten dat het spetterde! Ik vond het heerlijk. Ik had helemaal mijn plek gevonden.’

 

De methode

‘Voor de rol van Olga in Turks Fruit kon ik dicht bij Monique blijven. Dat was bijna onbewust spelen. Mensen denken vaak dat het naturelle, dat “gewone” dat ik in een commercial heb, of in Spangen, of in wat voor film dan ook, dat ik dat even uit mijn mouw schud. Maar dat is niet zo. Na Turks Fruit heb ik erg hard moeten werken om dat naturelle weer te vinden.

Ik heb veel aan method acting gehad. Bij method acting gebruik je veel van jezelf, van je eigen ervaringen – het liefst ervaringen die een jaar of zeven, acht oud -->->ijn. Als je die gevoelens naar boven kunt halen, worden dat weer echte gevoelens. Daar kun je dan heel goed mee aan het werk. Sommige acteurs gaan er te ver mee door, maar ik heb altijd gezegd: ik stop het in mijn achterzak en gebruik het om af en toe dat “dicht bij mezelf gevoel” te krijgen. Maar dan wel bewust.

Soms neem je een rol mee naar huis. Toevallig zag ik laatst een stukje van Romeo op televisie. Ik weet nog dat ik na de opnamen van die film drie maanden lang behoorlijk depressief ben geweest. Ik was zo in die rol gaan zitten, in hoe dat personage zich voelde, dat ik dat niet meer kon losmaken van mijn privé-leven. Het is gevaarlijk, maar het levert wel wat op.

Voor Romeo had ik dat over, dat heb ik ook tegen de regisseur gezegd: “Ik ga er alles aan doen om heel dicht bij die Anne te komen, die zoiets vreselijks heeft meegemaakt. Ik moet in de diepste duisternis van mijn ziel iets vinden wat vergelijkbaar is.” Dat is ook heel lekker om te doen. Als je dat durft. Maar het is wel moeilijk voor je omgeving: je bent thuis niet leuk, je bent niet gezellig. Ik zou het ook echt niet voor elke rol kunnen opbrengen, maar voor sommige rollen graag. Héél graag.

En het omgekeerde gebeurt natuurlijk ook: als je een comedy speelt, is dat ook erg merkbaar.’

 

Hemel en hel

‘Soms vraag ik me af waarom ik dit doe. Dan sluipt de onzekerheid binnen: mensen gaan erachter komen dat ik dit helemaal niet kan.

Zo kreeg ik vanmorgen een script voor een nieuwe film. Ik keek even en dacht: o nee, dit kan ik niet. Maar als ik dat eenmaal weer overwonnen heb, krijg ik weer het gevoel: ik kan het wél. O, dit is lekker! Dan vlieg ik.

Zoals ze in Amerika altijd zeggen: de highs van het spelen zijn high, maar de lows zijn héél low. Dat maakt dat je je soms geweldig voelt, écht cloud nine, maar dat je je soms ook in de diepste, naarste kelder van ellende bevindt.

Ik hou ontzettend van theater omdat je daar veel meer tijd krijgt om je rol uit te diepen dan bij film. Je kunt er elke avond weer wat aan doen. Bij film blijft het toch eenmalig. In het theater is de boog dan ook lekkerder, langer. Je hebt af en toe niet zo’n goede avond – al merkt het publiek daar niks van – maar soms heb je een wáánzinnige avond. Dat soort kicks heb je bij film veel minder. Ik denk dat ik uiteindelijk toch voor theater zou kiezen, ja.

Nog steeds kan ik, als ik als toeschouwer naar het theater ga en er wordt goed gespeeld, me helemaal laten meevoeren. En dan ben ik heel jaloers: op een mooi stuk, op goede acteurs die daar lekker staan te spelen, op de groep. Mooi theater is toch echt onvergelijkbaar. Een mooie film is ook leuk, maar als ik in het theater zit, op de vijfde rij, dan word ik opgeslorpt door wat daar gebeurt. Het is toch mijn eerste passie.’

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2