In musicals, in films, op radio en televisie, op poppodia en in schouwburgen
klonk het klaterheldere stemgeluid van Karin Bloemen. Of ze nu in een cabaretvoorstelling
speelt of een sprankelende personality-show weggeeft, een filmrol vertolkt
of columns of verhalen schrijft, Karin Bloemen stáát er. Wie
haar ziet, hoort of leest vergeet haar nooit meer.
Het quasi-grappige antwoord dat ik altijd geef op de vraag waarom ik zing is: Ik kan niet anders. Eigenlijk is dat ook een deel van de waarheid. Ik zing eigenlijk omdat ik dat het beste kan. Dat is de praktische kant van de zaak: ik kan heel goed zingen. De psychische kant van de zaak is dat ik gehoord wil worden.
Ik weet uit mijn jeugd dat ik mijn moeder pas echt bereikte als ik zong. Mijn moeder was heel erg op Christina Deutekom en Maria Callas. Zij kon zelf heel goed zingen en haar moeder ook. Ik kreeg pas de volle aandacht als kind als ik zong. Ik zong voor haar bijvoorbeeld uit de operette Il Trovatore: Ist das Komisch, ha ha ha! Wunderkomisch, ha ha ha! Daar moest ze dan vreselijk om lachen, want ik kon dat natuurlijk meteen nazingen. En als zij een opvoering had van de operetteclub, zat ik in de zaal alles heel zacht mee te zingen. Dan dacht ik: O ja, dat kan ik ook, en dat haal ik ook.
Je hebt je oren mee, of niet
Het zingen an sich, de techniek, dat kun je leren. Een zangleraar kan iedereen leren zingen. Dat is wel grappig. Hij zegt: Als je één toon goed hebt, kun je ze ook alle tien goed hebben. Dat is een kwestie van oefenen. Je kunt zang ontwikkelen door zangles te hebben en elke dag te oefenen. Zang is natuurlijk heel erg kleur: klanken zoeken en klanken maken. Je lijf, je ruimtes en je holtes allemaal vrijmaken.
Maar echte muzikaliteit lijkt mij niet te leren. Ik had een vriendin, die zong zo vals als de neten, en wat ze ook deed, het bleef vals. Die had gewoon haar oren niet mee. Haar oren registreren dat helemaal niet.
Nee, muzikaliteit kun je niet leren. Je kunt er wél in worden opgevoed. Als amuzikaal persoon kun je alles leren over de muziek, over instrumenten en hoe alles in elkaar zit. Er zit een heel groot technisch gebied aan muziek dat ook heel interessant is, maar dat wil niet zeggen dat je daardoor muzikaal wordt. De echte pure muzikaliteit is eigenlijk een soort oertalent.
Zingen is lef hebben
Als ik lesgeef is het iedere les een stapje. Opdracht één is: gewoon zingen wat er staat. Eerst even de nootjes goed, het metrum, het ritme. Dat alles uzikaal klopt. Dat is al lastig genoeg.
Daarna moet je de tekst gaan vertellen. Dat moet je dan loskoppelen van de muziek. Dan wordt het een beetje lelijk zingen.
Als je die stap hebt gedaan, ga je zoeken naar hoe het én muzikaal én kloppend blijft. Dat is het spannende. Als je een nummer goed vindt, dan ga je gewoon net zolang door totdat je iets hebt.
Deze manier van oefenen heb ik zelf ook geleerd. Ik had een waanzinnige tijd op de Academie voor Kleinkunst. Johan Verdoner was daar toen directeur. Hij merkte dat ik een echte zangeres was en dacht: daar kan ik eens leuk op experimenteren. Ik was proefkonijn nummer één. Hij liet mij allemaal dingen doen die hij normaal gesproken niet deed. Hij ging zoeken naar hoe ver je kunt gaan met een stem.
Hij was ook de eerste die zei: Als Bette Midler kan blèren, is dat kennelijk iets wat mogelijk is, dus ga je gang. Dan hadden we een bezemsteel, want er was geen microfoonstandaard, en ik speelde Bette Midler. Zo merk je dat je omdat iemand je de kans geeft om het uit te proberen dat dus kán. Als je maar durft te zoeken is alles mogelijk.
Vroeger was cabaret: je zit op een kruk, je zingt een liedje en je articuleert. Nu is het veel meer van: wees Bette Midler en ga voor een nummer. Gooi je gevoel erin. Stort je in het diepe en kijk waar je uitkomt.
Diva
Maria Callas was een absolute diva: een vrouw zo groot in haar talent, zo volstrekt ongelukkig in haar privé-leven en zo volledig megalomaan. Dat vind ik nou echt alles wat bij een diva hoort. Dat megalomane, dat hebben maar een paar mensen. De alles-draait-om-mij-attitude. Er zijn maar weinig mensen die zich dat nog durven permitteren. Het is een pose, je stelt je zo op en je denkt echt: ik ben het middelpunt, het gaat om mij.
Dat hele divagedoe is eigenlijk heel geestig. Toen wij La Bloemen maakten, had ik echt zon hele erge diva-achtige foto laten maken. Die stuurden we bijvoorbeeld op naar de directeur van de schouwburg in Bergen op Zoom of Goes, maakt niet uit. En die kregen we teruggestuurd: Graag willen wij een andere foto, want de mevrouw die wij op deze foto zien heeft niets te maken met de warme, gezellige volksvrouw Karin Bloemen. Zo zie je, soms kun je theater niet eens uitleggen.
Het podium is mijn plek. Het is waar ik onoverwinnelijk ben, waar ik mag spelen. Maar het is absoluut de plek waar ik deel met het publiek. Het gaat mij om hen die daar zitten. Ik ben het doorgeefluik van de kunsten, van muziek, gedachten, tekst, emoties, de lach, de traan.
Ik wil juist heel graag dat de mensen in de záál zich even diva voelen, zich even gekoesterd voelen, even getroost, even aangeraakt. Het gaat om hen, niet om mij.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2