Een grap met een dubbele bodem

Jan Jaap van der Wal over Stand-up comedy

uit: Jesse Goossens, Dit is Theater

 

Jan Jaap van der Wal verovert op stormachtige wijze de stand-up podia en komische televisie- en radioprogramma’s van Nederland. Op zijn zeventiende werd hij uitverkoren om mee te doen met de Comedytrain en direct gaf hij zijn studie eraan.

Nu schrijft hij columns voor kranten, radio en theater, hij stand-upt, maakt soloprogramma’s en verschijnt op televisie. Overal geeft hij zijn scherpe en humoristische visie op wat er in het leven gebeurt.

 

‘Ik was zeventien toen ik begon. Ik zag Comedytrain en ik dacht: dit wil ik ook, dit kan ik ook. Op de eerste plaats kun je daar een kwartiertje spelen en dan is het goed. Dat is natuurlijk handig. En de vorm heeft een stoerheid die me wel aanspreekt. Het is niet uit te leggen: ik voel me daar totaal op mijn gemak, helemaal in mijn element en in mijn volle concentratie.

Bovendien is het anno nu absoluut interessant wat stand-up comedians doen. Er borrelt iets in ons land. Wat ga je zeggen als je op 7 mei 2002 moet optreden? Of op 12 september 2001? Dat zijn dingen waardoor er iets onderhuids is ontstaan. Het is de uitdaging om als comedian met een goede grap de vinger op de zere plek te leggen.

Een grap of gedachte is goed als je drie of vier stappen verder bent dan het publiek. Dat heeft met verrassing te maken. En ook met intelligentie. Een grap is mooi als er zo min mogelijk ruis omheen zit. Als jij een grap over een nieuwsfeit gaat maken, maar je moet dat eerst nog helemaal uitleggen en drie keer zeggen “maar dat is echt gebeurd, dat is echt waar” en je komt dan pas met de grap, ja, dan ontkracht je dat een beetje.’

 

Het publiek

‘Stand-up comedy heeft in Nederland een cabaretbodem. Alleen ligt de nadruk bij stand-up meer op de grap. Het is sneller en directer en er wordt een dialoog met het publiek gezocht. Bij cabaret is er toch vaak een soort onzichtbare vierde wand aanwezig, alsof er een scherm zit tussen de cabaretier en het publiek. Dat is bij stand-up niet.

Vroeger in Amerika en Engeland was het stand-up publiek echt kroegpubliek: schreeuwen, dronken types. Voor de comedian was dat vervelend, maar ook een uitdaging: als je die mensen stil krijgt, heb je dus blijkbaar echt iets te vertellen.

In Nederland is het allemaal iets braver; het is cabaretpubliek dat een beetje op de namen en een beetje op de sfeer afkomt. We hebben nu sinds kort weer een show op zaterdagnacht. Dan merk je dat daar toch het rauwere publiek weer binnenkomt. Dan wordt de comedian meer uitgedaagd. Als het publiek lekker zit en iedereen er zin in heeft, zit je toch wel een beetje in de zetel. En zaterdagnacht, ja, dan zijn mensen toch al een beetje kapot en moe. Om ze er dan nog bij te betrekken, om ze fris te krijgen door wat jij zegt, dat is wel een uitdaging.

Je moet een zaal lezen, voelen wat er leeft, wat er wel en niet zal kunnen en hoe ver je kunt gaan; dat verandert per avond. Een stand-up gevoel is dat je speelt met de emoties in de zaal, met de zaal zelf. Het gevoel dat mensen je kunnen aanspreken: dat als jij een mening geeft, ze kunnen roepen “daar ben ik het niet mee eens”.

De bottomline is toch dat het publiek wel zin moet hebben om naar je te luisteren. En dat beslissen ze in de eerste dertig seconden.’

 

Het talent

‘Het is moeilijk te zeggen hoe je je voorbereidt op een optreden. Het talent van een comedian is dat je bij wijze van spreke ’s middags over straat loopt en iets meemaakt en dat ’s avonds op toneel kunt vertellen met geweldige grappen erbij, zodat het voor iedereen herkenbaar of leuk is. Qua voorbereiding zoek je daar natuurlijk naar, maar dat overkomt je niet iedere dag. Je kunt natuurlijk de krant lezen of de hele dag teletekst kijken, maar dat is ook saai.

Ik zeg altijd dat de grap in principe op straat ligt, maar dat je hem moet zien. Comedians hebben het talent om die grap te zien. Daar moet je dan maar net een oog voor hebben. Daar moet je net scherp voor zijn.

Als ik op het podium bezig ben, is er iets van magie. Daarom ben ik goed. De magie zit erin dat mensen totaal met mij meegaan, het ambachtelijke niet zien, alles van me pikken, en lachen op de goede momenten. En als er dan echt een soort golfbeweging ontstaat, als het echt gaat stapelen, die lach, dan heb je zelf ook lol. Dan weet je: ze lachen nu al, maar straks komt die grap nog en daarna komt die grap. Dat is een heel fijn gevoel, dat is bijna elektrisch.’

 

De ambassadeurs

‘De status van stand-up in Nederland is op het ogenblik een beetje onduidelijk. Er is een grote wildgroei aan de gang. Ik weet niet of dat goed is. Je hebt heel veel open podia, daar staan mensen die hebben echt wel de klok horen luiden maar ze hebben totaal geen idee waar de klepel hangt. Die gaan dan enorm grove dingen roepen en zeggen naderhand: “Maar Hans Teeuwen doet dat toch ook?” Dat is het niet. Er zijn ook allemaal concoursen onder jongeren, waarbij het er vooral om gaat wie het meeste lef heeft en de grootste bek.

Je wordt pas een goede stand-up comedian als je heel dicht bij jezelf blijft en er heel serieus mee bezig bent. Je moet heel erg goed duidelijk kunnen maken waarom je een bepaalde grap maakt en die grappen en die verhalen heel erg bij jou laten horen.

Ik denk dat er een aantal comedians zijn die stand-up een bepaalde betekenis hebben gegeven, die goede ambassadeurs zijn van stand-up comedy. Eric van Sauers vind ik daar een voorbeeld van, Hans Sibbel, Theo Maassen, Raoul Heertje, en ik toch wel. Wij hebben in ieder geval de intentie om het een plaats te geven.

Ik denk dat er bij ons een boodschap onder zit, dat de grap het middel is, niet het doel.’

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2