Huub van der Lubbe studeerde voor regisseur. Hij regisseerde, hij
acteerde op het toneel en in films als De Aanslag, maar hij is boven
alles schrijver en zanger. Tijdens zijn optredens met De Dijk vlamt
hij op het podium en zingt zijn teksten recht in de harten van zijn toehoorders.
Ik klim het podium op om er te zijn. Om te bestaan. Ik hou ervan als het gewone leven verhevigd wordt. In die verhevigde wereld voel ik me thuis, op mijn gemak. Daar wil ik aan meedoen. Daar wil ik onderdeel van zijn. Op het podium te staan en aandacht trekken. Dat heb ik altijd mooi gevonden.
Het gewone leven is me kennelijk niet genoeg. Je kunt een hele dag thuiszitten in een stoel en de dingen maar aan je voorbij laten gaan. Dat kan, het is ook nog een kunst om daarmee gelukkig te zijn. Maar ík heb na zon dag niksdoen of een avond televisiekijken het gevoel dat ik mijn leven vergooi. Er moet iets gebeuren. En dan hou ik er erg van als dat gebeuren zich afspeelt in die wat ongrijpbare, rare wereld van theater: kunst, podium en muziek.
Ik kwam daar al heel jong achter. Als ik ging steppen merkte ik dat het effect had als je keihard ging steppen en je dan roekeloos liet vallen in de buurt van oudere mensen, zodat die dachten: ooh, daar gebeurt wat! Dat beheersen: goed kunnen vallen en doen alsof, zodat het er heel erg uitziet, en dan vrolijk opstaan en zeggen: Er is niets aan de hand. De aandacht die ik daardoor kreeg vond ik erg interessant.
Streven naar het hoogste
Zelf op het podium staan vind ik het leukst. Dat is mijn plek. Dat klopt het best bij me.
Ik heb geleerd voor regisseur en ik bén ook regisseur. Maar ik ben naar mijn eigen idee niet goed genoeg om zo te kunnen regisseren als ik denk dat moet. Ik mis een soort wijde, brede kennis op allerlei gebieden. Dat valt op zich nog wel te studeren. Maar wat ik vooral mis is een soort meedogenloosheid, een onverbiddelijkheid om de dingen echt perfect te maken. Een meedogenloosheid tegenover iedereen die bij zon productie betrokken is. Want dat is de taak van een regisseur, om als een soort voetbalcoach iedereen die erbij betrokken is scherp te houden en het uiterste er bij ze uit te halen.
Als je naar het hoogste streeft en ik vind dat je in de kunst naar het hoogste moet streven dan moet je harde dingen kunnen zeggen en eisen durven stellen aan je mensen.
Iedere keer nieuw
Als ik op het podium sta ben ik mezelf, maar dan verhevigd. Ik ben scherper. Ik ben superalert. Het podium is van mij, dat is míjn terrein. Ik mag weer. Het is mijn water en ik ben die vis. Ik mag het helemaal doen zoals ik het wil. Sterker nog, dat willen de mensen die komen graag. Die hebben zoiets van: dat kun jij, ga je gang, laat maar zien.
Ik kan erg goed op mijn gemak zijn op het podium. Dat is mijn grootste kwaliteit. Ik denk dat mensen dat graag zien. Je thuis voelen en het fijn vinden dat je er staat: dat slaat waarschijnlijk toch over op de mensen die het zien. Die denken dan op hun beurt: stond ik daar maar. Dat is waarschijnlijk toch een belangrijk aspect aan het geheel. Maar zij staan daar niet en ik sta daar in hun plaats.
Ik acteer mijn liedjes meer dan ik ze zing. Ik zing natuurlijk wel, maar ik zing ze acterend. Een lied zet in en dan probeer ik de tekst eigenlijk opnieuw uit te vinden, zodat ik bijna benieuwd ben wat de eerste regel is. Ik wéét het natuurlijk wel, maar het moet me ook weer overvallen: o, dát is de eerste regel, vandaag, op deze plaats, onder deze omstandigheden. En dat maakt het toch weer anders dan het gisteren was. Want er is weer van alles gebeurd en er staan weer andere mensen voor je neus.
Ik sta op het podium voor mezelf, daar begin ik mee, en vervolgens ben ik er voor iedereen die dat wil meemaken.
Als ik van het podium afstap en het optreden is voorbij, dan voel ik me heel erg gelukkig. Dan heb ik het weer even gezegd voor die dag. Ik heb weer even bestaan.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2