Iedere man waant zich graag een Don Juan. Gijs Scholten van Aschat
wás Don Juan, in de komedie van Molière. Gijs Scholten werd
beroemd bij het grote publiek door zijn rollen in de televisieseries Oud
Geld en Pleidooi en in bioscoopfilms als Lek. Maar boven
alles is hij een theateracteur, een van de beste van Nederland. Hij speelde
in stukken van Shakespeare tot Ayckbourn en sleepte alle grote prijzen in
de wacht, van de Arlecchino tot de Louis dOr.
In het theater worden verhalen in het donker verteld met een licht erop; dat heeft iets betoverends.
Acteren heeft iets van ontsnappen aan de verantwoordelijkheid van de tijd. Je doet iets wat anders is: verhalen vertellen. Je begeeft je in een onzekere wereld waarin je heel veel van jezelf moet laten zien. Tegelijkertijd is het ook een veilige wereld, want het speelt zich allemaal af tussen zeven en twaalf. Daarna is het afgelopen en is er niets wezenlijks veranderd. Er heeft zich alleen iets afgespeeld tussen een aantal mensen in een schouwburg. Het is een soort droomwereld. Dat is de ene kant.
De andere kant is dat je er heel hard voor moet werken. Acteren vergt zowel talent als techniek. Het is ook talent vóór techniek. Je kunt het sommige mensen niet leren omdat ze er niet het oor of het inzicht voor hebben. Je moet het leren, maar je moet het ook kunnen; niet iedereen kan profvoetballer worden. Velen willen het en het is slechts weinigen gegeven. Dat realiseerde ik me ook toen ik het ging doen. Ik dacht: ja, jongens, als je dit doet moet je niet alleen maar derde soldaat van links zijn, je hele verdere leven. Het moet ook perspectief hebben, anders kan het een heel frustrerend vak zijn.
Van persoon tot personage
Ik denk niet dat je iemand wórdt op het toneel. Ik heb niet het idee dat ik in de huid van een ander kruip. Ik ben wie ik ben en dat blijf ik. Dus ook op het toneel ben ik nog steeds Gijs Scholten van Aschat die een rol speelt.
Die rol, dat karakter, bestaat volgens mij uit de eigenschappen van het karakter. Dat zijn niet mijn eigen eigenschappen. Het zijn andere eigenschappen die ik in mezelf op moet zoeken.
Ik denk namelijk dat iedereen alles in zich heeft, maar slechts twintig procent daarvan gebruikt. En hoe komt dat? Dat komt door hoe je opgevoed bent, door wie je vader en je moeder waren, door of je in Aerdenhout of in de Pijp bent opgegroeid Dat zijn allemaal dingen die je bepalen, waardoor je juist dát gedeelte gebruikt.
Op het moment dat je een rol speelt, zul je al die dingetjes die je in principe ín je hebt, moeten opzoeken en uitvergroten.
Stel: ik was opgegroeid in Den Haag en ik was taxichauffeur geworden. En die taxichauffeur heeft een grote liefde voor vrouwen van driehonderd pond. Hoe zou dat eruitzien? Hoe zou ik dan zijn? Wat voor een accent zou ik hebben?
Daar ga je naar op zoek. Wanneer je die dingen, die zover van je weg lijken te staan, oppoetst en ontwikkelt, merk je: Hé, het is wel lekker om een Haagse penozetaxichauffeur te spelen. Er komen heel andere gevoelens bij me naar boven; veel minder literair en subtiel dan ik me altijd voordoe. Ik vind het wel lekker om ordinair te zijn.
Zo zijn er heel veel kanten die je probeert op te zoeken.
Overgave
Je geeft je als acteur aan iets over. Elke emotie komt tot stand omdat je je overgeeft, het overkomt je eigenlijk. Het enige dat je kunt doen als acteur is jezelf in zon situatie brengen dat je klaar bent om het je weer te laten overkomen. Hoe meer routine je krijgt, hoe moeilijker het is om wáár te blijven.
Emoties kun je maken, je kunt ze náspelen, daar kom je ook een heel eind mee. Maar soms is dat niet genoeg. Als je moet huilen bijvoorbeeld, dat kun je dat even een stukje doen. Maar als je een scène van een paar bladzijden huilend moet spelen, is dat heel moeilijk te faken. Die emotionele toestand moet je dan toch proberen op te zoeken op het toneel.
De waarde van een regisseur is dat hij de uiteindelijke visie heeft op wat je gaat doen. Hij helpt je zoeken. Je doet af en toe dingen waarvan je denkt: ik doe maar wat. De regisseur moet uiteindelijk bepalen of het goed is wat je doet en of het past in de voorstelling. Het is belangrijk dat hij je die feedback geeft, dat hij je stimuleert, je afremt en je vertrouwen geeft.
Podium of scherm
Bij film en theater doe je als acteur hetzelfde: je vertelt een verhaal. Het verschil zit in hóé je het verhaal vertelt, met welk middel.
Als je in het theater staat, vertel je het verhaal met de mensen op het toneel die doen alsof. Het is de afspraak dat het toneel is en dat er mensen kijken. Bij filmacteren moeten mensen geloven dat het echt is. De illusie van film houdt in dat je de kijker probeert te foppen. Dat kun je op het toneel natuurlijk ook, maar de middelen zijn daar anders. De middelen bij film zijn realistischer.
Als je op toneel zegt: Dit is een boom, dan is dat een boom. Als je bij de film zegt: Dit is een boom, dan denk je: ja, kom op zeg. Dat moet echt in een bos worden opgenomen.
Bij theater gebruik je je stem en je beweging op een manier waardoor mensen op een afstand van vijfentwintig meter het verhaal kunnen volgen. Bij film is de afstand van het medium tot de kijker één of anderhalve meter. De kijker zit bijna op je schouder. De techniek die je geleerd hebt in het theater, pas je bij film nog wel toe. Maar je maakt het allemaal veel kleiner.
Als ik een bepaalde gedachte heb, kun je die van een meter afstand zien. De kijker van een film vraagt zich dan af: hé, wat zou die nu denken. Als ik datzelfde op het toneel doe, wordt het al een stuk moeilijker. De toeschouwer op de twintigste rij ziet die subtiele verandering in mijn gezicht niet. Van al die dingen leer je als acteur het verschil tussen toneel en film.
Als ik echt gedwongen zou worden om te kiezen tussen film en theater, zou ik denk ik toch kiezen voor toneel. Ik ben het gelukkigst op het podium als ik voel dat iedereen om me heen in dezelfde energie staat: dat alles klopt, dat alles loopt, dat de voorstelling zon halve meter boven het podium hangt. Ik heb dan alles door. Ik kan er op dat moment bijna van buitenaf naar kijken. Het is uitzonderlijk, maar het is het wel het streven.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2