Freek. Er zijn weinig mensen zo beroemd dat je genoeg hebt aan hun
voornaam, maar als je Freek zegt, weten de meeste mensen in
Nederland direct om wie het gaat, net als bij Maxima en Madonna.
Freek de Jonge werd beroemd als helft van het cabaretduo Neerlands Hoop in Bange Dagen dat hij samen met Bram Vermeulen vormde. Sinds 1980 maakt hij solovoorstellingen. Binnen het Nederlandse cabaret is Freek uniek. Hij is niet in een hokje te plaatsen. Hij lijkt op niemand, alleen op zichzelf.
Cabaret zou je het beste kunnen definiëren als een theatervorm waarbij de speler zich rechtstreeks tot het publiek richt. Cabaret heeft iets te maken met de actualiteit. Een komedie kan spelen in de achttiende eeuw, cabaret speelt altijd in het hier en nu. En cabaret kenmerkt zich natuurlijk door het ontbreken van een dramatische ontwikkeling, een verhalende lijn, over het algemeen. Ik breng die er wel in, maar dat is toch uitzonderlijk gebleven.
In het echt heb ik Toon Hermans, Wim Kan en Wim Sonneveld gezien. Dat waren drie uitzonderlijke talenten. Daarvan sprak Toon Hermans mij het meest aan, omdat hij niet zozeer een cabaretier was als wel een unieke performer. Wat ik zo uniek aan hem vond was dat hij iets kon maken uit vrijwel niets. Dat is voor mij de hoogste vorm van kunst: dat je zo weinig nodig hebt om mensen te verbazen of, in zijn geval, aan het lachen te maken. Hij heeft bijvoorbeeld laten zien dat hij door het telefoonboek voor te lezen een zaal in vervoering en beroering kon brengen.
Hermans kon dat door een soort onnozele figuur neer te zetten die het publiek herkent, dat vervolgens het spel met hem wil meespelen. Dat is het kenmerk van de komiek en ook wel van een cabaretier: iemand die van het publiek de gelegenheid krijgt om spelletjes met hen te spelen en in wezen al die oude grappen opnieuw te vertellen.
Humor
Hoe krijg je de humor in cabaret, dat is de sleutelvraag.
Het beste is om er niet over na te denken. Je hebt natuurlijk een aantal technieken. De techniek van de overdrijving om een situatie die we allemaal kennen, of die tot ons is gekomen via de reclame of het nieuws, ernstig te overdrijven. Je kunt natuurlijk ook het tegenovergestelde daarvan doen. Je kunt een raar pak aantrekken. Je kunt proberen een bestaand verhaal of een sprookje te parafraseren en dat met de actualiteit te vermengen. Je kunt een bepaald accent aannemen. Je kunt er komiek bij gaan staan en lopen.
Over het algemeen is humor de ontlading van opluchting over angst. Als een publiek zich ergens door bedreigd voelt de oorlog of een autoriteit, een lichamelijke ziekte of de seksualiteit dan biedt degene op het toneel met zijn benadering de mogelijkheid om daar even aan te ontsnappen. Zoals de dissidente komiek over een dictator iets kan zeggen. Daardoor krijgt het publiek het idee: eigenlijk zijn wij toch de baas. Uiteindelijk hoeven wij niet bang te zijn, zijn wij machtiger. Zo krijg je grappen over aids. Over kanker, over seksualiteit, over autoriteit. Alles is gepermitteerd als je er zelf mee weg kunt komen, als het grappig blijft.
Maar het moet voor jezelf ook wel eens wringen, anders ben je een gladjakker. Het taboe is niet doorbroken door alles te zeggen. Dat is het misverstand. Het cabaret is dat heb ik wel geleerd juist gebaat bij het taboe.
Lach
Cabaret onderscheidt zich wel van amusement. De bedoeling is dat men iets verder gaat in zijn benadering dan platte lol maken. Er is altijd een achterliggende gedachte om mededelingen over het leven te doen en bovendien het publiek geen ontsnapping te bieden. Cabaret moet op een bepaalde manier het publiek met zichzelf confronteren en in het beste geval de cabaretier met zichzelf confronteren.
De lach is de kruipolie van de voorstelling. Zonder dat lachen wordt het een pijnlijke aangelegenheid. Dan staat iemand iets heel sterk te beweren waar je het al dan niet mee eens bent. Maar de lach is in wezen een ritueel antwoord van de zaal. Als je de lach kunt lezen, kun je horen: hier bevestigt het publiek het, hier ontspant het publiek zich volkomen, hier vraagt het publiek om meer. Dat kun je allemaal in de lach onderscheiden.
Coach en speler
Ik voel me prettig als alles loopt. Dat het tempo dat je samen met je publiek gekozen hebt, klopt. Wanneer de hartslag samenvalt met het ritme van de voorstelling. Dan komt alles op tijd. Het beste voel je je als je in wezen niet hoeft na te denken.
Een golfleraar heeft mij pas iets geleerd over in de baan staan. Hij zegt: Je hebt eigenlijk twee persoonlijkheden. Je hebt de coach en je hebt de speler. Als je naar de bal toe loopt ben je de coach, dan denk je: ik ga die club uit mijn tas pakken en ik ga de bal daarheen slaan. Maar op het moment dat je gaat slaan, moeten al die overwegingen uit je hoofd zijn en moet je volkomen leeg doen wat je jezelf daarvoor hebt opgedragen.
Dat geldt in wezen ook voor het theater. Je hebt de periode van voorbereiding: ik ga vanavond naar Apeldoorn. Dan heb je een beeld van de zaal, van het toneel en het publiek. Je weet wat je gaat doen, je bedenkt waar je op moet letten en dat je misschien nog iets over Apeldoorn kunt zeggen. Maar als het doek opengaat moet je twee uur lang niet meer nadenken maar spelen. Dat spelen is dan voelen wanneer je een grap moet plaatsen, wanneer je hem nog iets extra kunt aanzetten, wanneer je nog weer iets verbaasder kunt kijken waardoor de grap nog beter aankomt. Als zich dat opstapelt en je in het goede ritme komt en het publiek voelt dat, dan wordt het groter en mooier en beter. Maar als er een kleine frictie zit, het hakkelt hier en daar en het is niet helemaal perfect, dan wordt het een andere voorstelling. Het blijft mensenwerk.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2