Een tweede huid

Ernest & Myriam de Vries over Kostuums

uit: Jesse Goossens, Dit is Theater

 

Gerritsen Theatercostuums bestaat al meer dan honderd jaar. ‘Garritsen, zich noemende en schrijvende Gerritsen’ was eerst een pruikenmaker en kwam op die manier in contact met acteurs. Toen ging hij ook maar kostuums verhuren.

Nu zijn Ernest en Myriam de Vries eigenaar van Gerritsen. Ieder jaar hijsen ze duizenden mensen in de meest uiteenlopende kostuums: van Lodewijkjurken om in te trouwen, tot lak, leer en rubber voor een kinky feestje. Maar eerst en vooral blijft Gerritsen: Theatercostuums!

 

‘Mensen veranderen zo,’ zegt Ernest als je hem naar zijn liefde voor kostuums vraagt. ‘Als je iemand een pak aantrekt, wórdt hij gewoon dat personage.’

Myriam zit ook te glimmen: ‘En de stoffen, de combinaties ervan, de afwerking – fascinerend.’

 

Van persoon tot personage

Een groot deel van het aankleden bestaat uit praten, vertelt Ernest. ‘Je moet eerst weten wat de mensen spelen, welke rol ze spelen. Ik vraag altijd: “Wie ben je? Wie moet je spelen? Hoe zie jij dat personage: is dat een arme sloeber of een rijke man? Vertel!” Daarmee kun je wat doen. Als je je snel goed inleeft, kun je iemand aankleden. Dan kun je met enthousiasme samen een karakter neer gaan zetten.’

‘Een kostuum heeft daarbij een sterk ondersteunende functie,’ vult Myriam aan. ‘Ik vind het ontzettend boeiend om het beste uit een persoon naar boven te halen en dat in een kostuum om te zetten. Dat is heel snel creatief denken en omschakelen: hoeveel tijd heb ik en welke middelen heb ik om iets te realiseren. Het is zuiver gevoelsmatig; je kunt het of je kunt het niet. Als je naar een persoon kijkt, moet je kunnen zien hoe hij in elkaar zit, wat hem het beste staat, waar hij zich lekker in voelt. Je merkt dat je het goed hebt gedaan als mensen daarna in de spiegel kijken en ze zichzelf geweldig vinden.’

Het is inderdaad intuïtie die een goede costumier maakt, beaamt Ernest. En ervaring natuurlijk: ‘We hebben inmiddels zoveel voorstellingen aangekleed! Nu eens kleed je een slanke mevrouw aan, dan weer een klein dikkerdje en op weer een ander moment een grote man. Je ziet meteen of iemand er geweldig uitziet in een kostuum. Dat pik je op, dat onthoud je. Als je dan net zo’n persoon tegenkomt, iemand met hetzelfde figuur, weet je al welk pak hij moet hebben. Want dat heb je eerder gezien.’

 

Acteurs en regisseurs

‘Bij de meeste theaterproducties overleg je met de regisseur,’ vertelt Ernest. ‘Die bepaalt hoe hij al die figuren ziet. Je moet je voorwerk goed doen: de boeken erop naslaan en kijken wat anderen hebben gedaan. Of je loopt naar de videotheek en haalt een aantal films die in die tijd spelen. Je ziet meteen bij de openingstitels al of er kostuumtechnisch iets leuks is gedaan – of er een beetje met de pet naar is gegooid, of dat er een eigen interpretatie aan is gegeven.

Dan krijg je het gevecht met mensen die het regisseren, mensen die het produceren, mensen die het moeten gaan invullen. Meestal zijn er schetsen, pakken met aantekeningen, kopieën uit boeken en van alles. Als costumier kun je wel plaatjes meenemen van hoe het zou moeten zijn, maar een regisseur kan een ander idee hebben en dan moet je tot elkaar komen.

Als een regisseur zich heel star opstelt en uitgesproken ideeën heeft, kun je maar één ding doen: naar huis gaan en het kostuum gaan maken zoals hij dat wil. Dat moet dan, zelfs als bijna hetzelfde in het rek hangt, maar dat kostuum de persoon niet het juiste gevoel geeft.

 

(On)zekerheid

‘Als een acteur blij het toneel opgaat, ligt dat aan een aantal dingen,’ legt Ernest uit. ‘En één van die dingen is het kostuum. Als hij een pak aantrekt moet de acteur daardoor zijn personage worden. Het wordt zijn tweede huid. Hij is zélf het karakter. En al kan de regisseur duizend keer zeggen dat dit het juiste kostuum is, als de acteur het er niet mee eens is, staat hij toch niet lekker op het podium.

In de opera werd Aïda bijvoorbeeld gespeeld door een geweldige operazangeres, met een gigantische maat. Die moet dan toch op een goede manier worden aangekleed als de mooie, verleidelijke prinses. Dat valt dan niet mee. Daar moet je iets voor gaan maken. Als een actrice die weet dat ze groot is, zich niet op haar gemak voelt in zo’n strak jurkje, dan gaat ze niet lekker het toneel op en dan kan ze niet lekker zingen. Op dat moment moet je met de regisseur bepraten wat er kan om voor die mevrouw iets te maken waarin ze zichzelf fantastisch voelt. Als zij in de spiegel kijkt en denkt: ik zie er fantastisch uit, dan gaat ze fantastisch dat toneel op.’

‘Maar hoe beter de acteur is, hoe minder hij het kostuum nodig heeft om een rol neer te zetten,’ zegt Myriam. ‘Je kunt iemand in het meest eenvoudige pak neerzetten: als hij kan acteren, maakt het in principe niks uit.’

Daar is Ernest het mee eens: ‘Dan kan hij het in zijn blote kont. Maar dat is voor ons vervelend. Want iemand die in zijn blote kont kan acteren, die haalt bij ons geen kostuums.’

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2