Kijken met je hart en je gevoel

Ed Wubbe over Choreografie

uit: Jesse Goossens, Dit is Theater

 

Ed Wubbe is al ruim tien jaar de artistiek leider van het Rotterdamse Scapino Ballet. Hij leeft, praat, beweegt en ademt dans. Hij maakt als choreograaf avondvullende balletten, nu eens op al bestaande muziek, dan weer op door hem geschreven composities.

Al zijn balletten hebben één overeenkomst: niemand anders zou ze gemaakt kunnen hebben. Het zijn dansen van Ed Wubbe.

 

‘Een choreograaf is verantwoordelijk voor het bedenken en het maken van een dansstuk. Als choreograaf werk je met dansers, in tegenstelling tot een schrijver of een schilder die met een pen of een penseel werkt. Omdat dansers levend materiaal zijn, werk ik in dialoog. Ik verzin iets, ik geef iets aan. Zij verwerken dat en zo ontstaat dat stuk. Als choreograaf ontwikkel je dus samen met de dansers passen, maar ook decor, kostuums, het hele idee van een dansstuk.

Als choreograaf ben ik de kapitein van het schip: ik neem de beslissingen wat we wel en niet gaan doen, net als een regisseur bij een toneelstuk.’

 

Beeldvorming

‘Voordat ik de studio inga en het ballet ga maken, doe ik research. Ik denk na, praat met mensen en verzin beelden. Het kan zijn dat ik muziek gevonden heb waar ik een ballet op wil maken, of ik heb een idee: ik wil bijvoorbeeld iets maken over wat nu in de wereld speelt, over het gevoel dat daaraan vasthangt. Dan ga ik daar muziek en beelden bij zoeken.

Soms vind ik het heel leuk om iets te doen wat verhalend is. Het probleem is dat dans per definitie niet heel erg geschikt is om een verhaal te vertellen. Dans is juist heel associatief. Dans kan moeilijk letterlijk zijn. Je kunt moeilijk concrete dingen uitdrukken in dans, maar je kunt in dans wel een gevoel overbrengen dat je misschien niet onder woorden kunt brengen. In één beweging van dans voelt iedereen: hé, daar gebeurt wat.

Dans heeft zijn beperkingen en zijn mogelijkheden.

Als ik de studio inkom ga ik de beelden die ik hebt verzonnen, concreet in dans vertalen. Ik geef de dansers een opdracht of ik doe iets voor. Dan kijk ik hoe ze dat doen. Het is een vreemd proces. Ik vergelijk het altijd met een laboratorium. Ik begin met iets voor te doen, zij doen er iets bij. Heel langzaam krijgt het vorm.

Mijn taak als choreograaf is om voortdurend de input te geven aan de dansers: kijk, dat moet je doen. Zij voeren het uit en constant bewaak ik of wat zij doen overeenkomt met het beeld dat ik mijn hoofd heb of het verhaaltje dat ik in mijn hoofd heb.’

 

De mens achter de danser

‘Ik zeg welke beweging de dansers moeten uitvoeren, maar ik laat een soort ruimte waardoor die persoon er iets van zichzelf in kan leggen. Dat vind ik interessant. Ik hou ervan dansers neer te zetten waarmee het publiek zich kan identificeren. Mensen van vlees en bloed. Je kunt dansers op het toneel zetten op een manier waarvan het publiek meteen ziet: ja, dat zijn dansers die bewegen. Maar je kunt ook kiezen voor een humane dans: dat je de mens in de danser nog ziet.

Dans is natuurlijk een kunstvorm die te maken heeft met andere mensen. Een danser zal hoe dan ook altijd een eigen interpretatie geven.

Als wij hier een stuk dansen, hebben we vaak twee bezettingen omdat we veel voorstellingen doen. Stel dat je een stuk hebt met twee hoofdrollen erin, dan zullen in de ene bezetting de hoofdrollen toch heel anders gedanst worden dan in de andere bezetting. Alleen al omdat het andere mensen zijn. Iedere danser interpreteert een choreografie op zijn eigen wijze. Daarom ziet hetzelfde stuk, gedanst door een andere danser, er anders uit.

Je kunt een danser puur gebruiken als instrument. Maar ik probeer te bekijken wie die man of vrouw is en wat hij of zij mij te zeggen heeft. Elke danser heeft iets persoonlijks, een eigen manier van bewegen, dat wat hem uniek maakt. Iedereen heeft iets aparts en dat probeer ik op te nemen, iedere danser een stukje van zijn persoonlijkheid mee te geven in de dans, waardoor je als publiek iemand hopelijk niet alleen ziet bewegen: je komt ook nog iets te weten over die man of vrouw die daar danst.

Dans is iets waarvan ik denk dat mensen zich er heel makkelijk mee kunnen identificeren. We hebben allemaal twee armen en twee benen. We kunnen allemaal invoelen, als een danser iets doet, hoe dat moet zijn. We moeten proberen meer met ons hart en ons gevoel te kijken dan met ons verstand. Dat is voor dans belangrijk.’

 

Ingehaald door de tijd

‘Choreografie is over het algemeen heel vluchtig. Die korte houdbaarheidsdatum heeft te maken met de snelle tijd waarin we leven. Bij dans werk je vanuit het niets. De passen bestaan nog niet, de kostuums bestaan nog niet, er is nog geen verhaal. Soms is het zelfs zo dat er nog geen muziek is, dat je een componist een opdracht geeft: ga jij muziek maken. Alle elementen worden uit het niets verzonnen.

Je werkt altijd in een tijdsgewricht. We zitten als mensen zo in elkaar dat we iets maken waar we nu mee bezig zijn. Daardoor heb je kans dat het ‘nu’ heel erg in een nieuw stuk zit, en over tien jaar kan dat ‘nu’ van toen gedateerd zijn.

Soms merk je als iets af is: hier klopt alles aan, de muziek, de vormgeving, de choreografie, de combinatie daarvan, alles klopt. Dat soort stukken kun je na verloop van tijd opnieuw opvoeren en dan blijkt alles nog vers te zijn. Er zijn zelfs juweeltjes die misschien over honderd jaar nog goed zijn. Ik denk dat hoe universeler de waarde is van wat je maakt, hoe langer iets houdbaar is. Het gaat erom of dingen een tijdloos karakter hebben. Hoe tijdlozer de stukken, hoe beter.’

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2