Je loopt door je eigen droom heen

Dorus van der Linden over Decor

uit: Jesse Goossens, Dit is Theater

 

Dorus van der Linden ontwierp het decor voor Van de brug af gezien.

Dorus is een van de beroemdste Nederlandse decorontwerpers. Hij ontwierp niet alleen decors voor theater maar vooral ook veel voor televisie (zoals J.J. de Bom, voorheen De kindervriend) en film (zoals Het meisje met het rode haar en de Oscarwinnende De Aanslag). En nog steeds, als andere ontwerpers er niet meer uitkomen, gaat de telefoon in Hilversum: ‘Dorus…?’

 

‘In het vroegste stadium, eigenlijk als de regisseur de opdracht heeft gekregen, ben jij de eerste die hij aanklampt. Omdat hij zelf vaak nog geen rond idee heeft hoe hij een bepaalde productie vorm wil geven, ben jij de eerste aan wie hij komt vragen: “Wil je meewerken? Wat denk je ervan?”

Het leuke is dat hij soms ook vraagt: “Heb jij iemand in je hoofd voor de hoofdrol?” Zo pril is het contact. Je denkt mee over de hele productie.’

 

Het juiste gevoel

‘Het belangrijkste voor een decorontwerper is invoelingsvermogen.

Je begint met: wat voor sfeer moet er vanuit dat proscenium overkomen naar de toeschouwer. Als je een scenario of een script leest moet je kunnen invoelen wat dat voor mensen zijn waarover het stuk gaat, in wat voor een omgeving je die mensen zou laten leven.

Je moet iemand een visuele omgeving geven. Dat gaat heel ver: je moet dus bedenken wat die persoon leuk zou vinden. Zou hij vlinders verzamelen? Je moet de man voor de toeschouwer een leefomgeving geven die bij hem zou passen of die juist met hem contrasteert. Dat kan dus ook, dat maakt hem ook weer interessanter: díe man in dát interieur, dat heeft iets volslagen ongerijmds.

Je weet dus als decorontwerper meer van een persoon dan in het script staat. Dat moet je wel met de regisseur overleggen, want hij moet niet een geheel andere kant op denken. Wat wil hij met dat stuk? Wat wil hij dat jij daaraan toevoegt, aan wat de acteurs zeggen en wat het verhaal vertelt?

Als een regisseur het niet eens is met jouw plannen, probeer je hem wel te overtuigen, maar daar ga je niet ver in: dat is vechten tegen de bierkaai. Ik heb het wel gehad dat ik bij een regisseur kwam met een plan waarvan hij zei: “Nee, dat zie ik helemaal niet zitten.”

Hoewel ik natuurlijk best bereid ben om mijn idee aan te passen, kan ik beter mijn opdracht teruggeven als hij echt totaal andere ideeën verzint. Dan wordt het niets.’

 

Symboliek en steun

‘Je hebt stukken waarvan je denkt: hier kan ik met realisme helemaal niet terecht; abstracte stukken waarbij je in abstractie en symboliek moet gaan werken.

Spoken uit de kast was een theaterstuk waarin de acteurs herinneringen aan de oorlog ophaalden. Daar zijn ze gaan repeteren toen er nog helemaal geen idee van een decor was. Ik ben bij de repetities geweest en heb de acteurs gevraagd of ze foto’s hadden uit de tijd waaruit hun herinneringen dateerden. Uiteindelijk bestond het decor uit heel grote fotolijsten met herinneringen van die mensen uit de oorlog, alsof je op hun dressoirtje de foto’s uit hun verleden zag. Zo is het decor ontstaan terwijl er gerepeteerd werd en er met de acteurs overlegd werd. Ook een heel mooie manier.

Bij dezelfde voorstelling zat op een gegeven moment op het podium een man op een fiets. Hij maakte zijn eigen licht door te trappen: dat hoorde bij de herinnering aan de oorlog, dat ze lampen lieten branden door een fiets die in de kamer stond. Toen vroeg de regisseur aan mij: “Kun jij een aantal foto’s van concentratiekampen leveren, want ik wil dat de mensen die in die scène spelen die foto’s als een fietsroutekaart op de fiets hebben en daardoor geïnspireerd worden.” Vanuit het publiek heeft niemand ooit gezien of er een fietskaart van het Gooi op die fiets zat of iets anders. Het waren dus foto’s van Dachau.

Dat is ook een onderdeel van je vak: dat je dingen maakt die een acteur kunnen inspireren.

Vaak doe je dat in samenwerking met die acteur. Ik heb een film gedaan waarin Monique van de Ven speelde. Monique vroeg: “Kun je mij een soort fotootje leveren dat ik in mijn kamer heb, in een lijstje of zo, waardoor ik ontroerd kan raken? Want ik heb soms moeite om ontroerd te raken.”

Natuurlijk kon ik dat. Ik heb gezocht en had een aantal beelden voor haar: “Zie je hier iets bij?”

“Ja, die foto, die wil ik graag.”

Dan ga je wel heel erg in detail, maar dat is ook onderdeel van je vak.’

 

Van droom tot werkelijkheid

‘Je ontwerpt het decor, je maakt een maquette of een aantal bouwtekeningen, en dan gaat het naar een decoratelier en daar wordt het gebouwd. Daar heb je constant controle over. Je bent daar steeds aan het overleggen: ik had het op die manier gedacht. Terwijl het proces van het bouwen loopt, moeten er ook vaak dingen worden aangepast.

De meubels en rekwisieten ga je zelf uitzoeken. Daar ga je af en toe heel ver in. Voor Van de brug af gezien had ik bijvoorbeeld bedacht: het zijn Italianen en ik ga dat laten zien door een verlichte gondel op de kast met een Mariabeeld erin. Ik kocht ergens een gondel met lampjes, maar ik kon nergens in Nederland een goed Mariabeeld vinden. Ik ben toen naar België, naar Baneux gereden. In een bedevaartplaats, midden in de winter, waar alles op slot zat, kon ik toch zo’n Maria met zo’n lichtkroontje kopen.

Het leukste onderdeel van het werk is dat wat je in je hoofd bedenkt en op papier zet, of in het klein in een maquette maakt, dat dat na een aantal weken zo is dat je erdoorheen wandelt. Dat is fascinerend. Je loopt door je eigen droom en door je eigen bedenksels. Het is fantastisch dat je daar staat en denkt: dit is het! Dit had ik bedacht. Nu staat het er en loop ik erdoorheen. En nu gaat er licht op en komen er acteurs in en die gaan er dingen in doen. Dat is fantastisch.’

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2