Iemand is een koning als hij dat zegt

Don Duyns over Tekstschrijven

uit: Jesse Goossens, Dit is Theater

 

Don Duyns schreef MUF. Don heet eigenlijk Dionysius, een prachtige naam voor iemand die met theater bezig is: de eerste theaterfestivals bij de oude Grieken werden gehouden ter ere van Dionysus, de god van de wijn en de vruchtbaarheid.

Sinds 1994 is Don een van de artistiek leiders van het theatergezelschap Growing up in Public. Hij regisseert en staat zelf op het podium, maar hij schrijft vooral: toneelteksten, televisiescenario’s, theaterbewerkingen, verhalen, noem maar op.

 

‘Op de middelbare school, toen ik vijftien was, schreef ik korte tekstjes voor de grote voorstellingen die we eens per jaar hadden. Dat waren sketches over hoe het in zijn werk ging als je iets wilde hebben op school, bijvoorbeeld suikerklontjes; hoe je dan via de conrector naar de rector de school doorgestuurd werd. Dat viel in de smaak.

Toen heb ik mijn eerste echt eigen stuk geschreven: De Rode Ridder en de Groene Mummie. Dat was gebaseerd op de stripboeken van Willy Vandersteen. Ik had honderd van die boekjes gelezen en ze hadden allemaal dezelfde plot: de rode ridder stuit op een paar monsters die allemaal niet echt blijken te zijn. Dat vond ik zo absurd dat ik daar een stuk over schreef. Dat is heel klassiek door de leraar Nederlands geregisseerd, met mij in de hoofdrol als Rode Ridder, want zo ben je in die tijd.

Toen merkte ik dat mensen erom moesten lachen en dat toneel wel bij me paste. Ik vond het mooi om vanuit een donkere zaal naar mensen te kijken. Daar wilde ik deel van uitmaken. Ik wilde vooral dat ze mijn woorden zouden horen.

Het lijkt alsof je een soort macht hebt. Je hebt iets gemaakt waaraan een groep mensen heeft gewerkt. Het zijn allemaal jóúw denkbeelden, of in ieder geval komt het allemaal uit jouw hoofd.’

 

Voortdurende verrassing

‘Soms valt me een onderwerp in, dan begin ik gewoon te schrijven. Ik werk niet met een synopsis of zo, zoals: mijn stuk gaat over Vincent van Gogh, dit gaat erin gebeuren en in de eerste scène gebeurt er dat. Dan hoef je alleen maar naar het resultaat toe te schrijven. Dat vind ik geestdodend. Bij mij begint het gewoon met de ene zin en daaruit volgt dan de volgende.

Ik heb wel eens een vergelijking gemaakt – maar die begreep bijna niemand – met een timmerman die de ene plank haaks op de andere zet. Die hoekigheid zoek ik in schrijven. Ik begin dus met een zin en de andere is daar het tegendeel van.

Ik verras mezelf tijdens het schrijven doorlopend doordat de ene zin de andere oproept. Toneel, dat stroomt er bij mij gewoon uit. Als ik proza schrijf zitten mijn hersens veel meer in de weg. Dan zit ik veel sneller aan een plot te denken, en er moeten beschrijvingen in. Terwijl toneel voor mij voelt als een ontzettende vrijheid.

Met toneel kun je ook veel meer maken. Iemand is een koning als hij dat zegt. Je kunt in één zin honderd jaar overslaan. Je kunt op elke plek zijn die je wilt. Dat zie je ook bij Shakespeare, daar was het toneel zonder decor en werd er gewoon gezegd “in een woud vlak bij Northhampfordshire” of zo, en dan wás je daar.

Ik heb het schrijven echt nodig. Ik heb minder plezier als ik niet schrijf. Het is de stuwing die in de woorden zit, die bij mij ook in het schrijven zit. Het is echt een drang.’

 

Stemmen in je hoofd

‘Toneel is een stem. Eén stem als het een monoloog is en meerdere stemmen als het een dialoog is. Als ik schrijf hóór ik het, wat voor een toneelschrijver niet verkeerd is. Het gaat tenslotte om de taal.

Voor toneelschrijven lijkt het me dat je goede oren moet hebben, je moet goed mensen kunnen afluisteren. Je moet kunnen horen op welke verschillende manieren mensen spreken. Hoe iets goed klinkt, want Nederlands kan best mooi zijn.

In het dagelijks leven, in het café, in de tram, op de televisie, ben ik me bewust van hoe mensen formuleren. Het kan pijn doen aan je oren, zoals mensen die vaak zeggen: “Dan heb ik zoiets van…” Dat hoor je nu zelfs bij topmensen. Of “weet je wel”, dat is ook vreselijk.

Het is interessant om zoiets in een toneeltekst vast te leggen als je een bepaald type wilt beschrijven. Bijvoorbeeld bij iemand die zich vaag uitdrukt kun je zo’n term een aantal keer gebruiken: “Dan heb ik zoiets van, zeg maar, weet je wel?”’

 

Iedereen gaat dood

‘Het voordeel van mijn stukken is – ik lijk wel een verkoper – dat er niet zoveel woorden zijn. Het zijn niet zulke lange stukken en het zijn geen stukken met gigantische lappen tekst. Er is daarnaast veel ruimte voor beeld en dingen. Het is nogal sober eigenlijk.

Mijn teksten zijn wel direct. Sommige mensen nemen daar na de voorstelling een gevoel van mee, ontroering bijvoorbeeld, dat gebeurt best vaak. Dat vind ik mooi: dat mensen gaan huilen of zo.

Ik denk dat ik met mijn teksten een andere blik op de werkelijkheid wil geven, op een aspect van die werkelijkheid. Dat is dan mijn blik. Mijn blik is dat me rare dingen opvallen, details, kleine verschuivingen, omdat ik op een andere manier kijk dan de meeste mensen.

Een tekst is een uitdrukking van wat je zelf bent. Ik probeer geen mensen te verbeteren of te veranderen. Ik ben geen politicus of activist. Ik stel eerder vragen over vergankelijkheid: Waarom gaat alles voorbij?

Dik, Abe, Johnny en Hansje gaat bijvoorbeeld over vier Hollandse helden die zich erover verbazen dat hun roem al verdwenen is, of waarom niemand meer precies weet hoe het gegaan is. Dat is wel een thema dat vaak opduikt: vergankelijkheid. Wat voor mooie dingen je ook maakt, uiteindelijk verdwijnt het. Al hoop ik dat mijn teksten wel even blijven.

Wie schrijft blijft, en zeker bij toneel.’

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2