Je stapt in een sprookje

Chantal Janzen over Musical

uit: Jesse Goossens, Dit is Theater

 

Chantal Janzen zat in de schouwburg en keek naar The Phantom of the Opera. Ze zag de prachtige kostuums, de betoverende decors en hoorde de fantastische muziek. Ze was direct verloren en wist het zeker: dit wil ik ook.

En ze kreeg het voor elkaar. In een mum van tijd heeft Chantal – zangeres, danseres en actrice – zich een plaats verworven bij de top van de musicalsterren in Nederland.

 

‘Ik heb altijd het idee bij musical dat ik in een andere wereld stap.

Als ik in de coulissen sta, ben ik nog mezelf. Bij Saturday Night Fever bijvoorbeeld, bij het laatste nummer voordat ik op moest, stond ik als Chantal naar Tony Manero te kijken, maar dan opeens, zodra ik één stap op het toneel zet en het licht op me voel schijnen, stap ik een sprookje binnen. Dat is echt iets magisch, dat is iets van theater wat ik niet kan verklaren.

Het is een gevoel: als je daaraan verslaafd bent, als je die drang hebt, dan móét je gewoon het theater in – ondanks het feit dat het, op één dag in de week na, iedere dag werken is. En het is hard werken: fysiek, maar ook mentaal.’

 

Lef en bluf

‘Musical is voor mij zo’n mooie theatervorm omdat je acteren, dansen én zingen combineert. Dat is ook het moeilijke eraan.

Om musical te spelen moet je heel veel wilskracht hebben. Je moet het écht willen en er écht induiken. 42nd Street was mijn eerste musical; het was mijn stage. Ik kreeg na twee weken repetitietijd de understudy van de hoofdrol – als zij ziek zou zijn, dan moest ik op. Ik dacht niet dat ik het zou kunnen. Maar omdat ik het zo graag wilde, móést ik die onzekerheid gewoon aan de kant zetten. Dat is een stuk moeilijker dan het lijkt. Toch moet het, want als jij onzeker bent en het is in je ogen te zien, hoe moet het publiek dan nog vertrouwen hebben in jouw rol?

Dat is ook wat ik zeg als mensen bij me om raad komen vragen: “Je moet bij het doen van auditie en het instuderen van een rol een bepaalde zekerheid hebben. Speel het maar, bluf het desnoods, maar straal die zekerheid uit.”

Als ik als mezelf op het toneel sta – als ik bijvoorbeeld iets moet aankondigen of ik zing als mezelf een liedje voor iemand – dan vind ik het wel enger dan wanneer ik een rol speel. Als je daar als jezelf staat sta je toch meer in je blootje dan wanneer je een huls van iemand anders om je heen hebt. Terwijl het publiek gewoon precies dezelfde persoon ziet, is het naar je eigen idee veel makkelijker.’

 

Inleven

‘Ik maak voor mezelf altijd een achtergrond voor de persoon die ik speel. Dat staat niet in het script: het verhaal dat ik maak bestaat helemaal niet. Maar het helpt wel heel erg.

In Saturday Night Fever speelde ik Stephanie Mangano en ik heb een hele voorgeschiedenis voor haar bedacht. Bijvoorbeeld dat ze alleen woont met haar moeder en dat ze haar vader nooit heeft gekend, daarom is ze mannen niet echt gewend. Daarom ook heeft ze in het stuk een oudere minnaar, die ze als een soort vaderfiguur ziet. Tony Manero vindt ze maar een jonge jongen. Ze is niet gewend dat jongens zomaar op haar afkomen, daarom doet ze zo arrogant en afstandelijk. Maar vanbinnen wil ze alleen maar liefde.

Dat hele verhaal heb ik voor mezelf verzonnen. Het is een goede basis om mee te beginnen. Vanuit dat karakter ga ik dan de nummers instuderen. Eerst op techniek natuurlijk, of ik het allemaal kan halen, qua hoogte, en dan ga ik me inleven in de tekst door die hardop te zeggen en niet meteen te zingen.

Ik vind het vervelend als mensen naderhand zeggen: “Dat heb je mooi gezongen” en ze hebben er niets bij gevoeld. Je moet altijd proberen de teksten over te brengen, het gaat er niet alleen om dat je de noten hebt gehaald.’

 

Het succes van musical

‘Mensen die niet van musical houden vinden het belachelijk als ik, terwijl ik gewoon met iemand zit te praten, opeens begin te zingen en op die manier doorpraat. Het slaat ook eigenlijk nergens op. Maar het is een soort passie, je gaat erin mee.

Musicals trekken een groot publiek. Ik denk dat dat komt omdat het luchtig is. We hebben nou eenmaal meer mensen in Nederland die van luchtig theater houden dan mensen die naar zware toneelstukken gaan.

Musical is ook voor iedereen, voor alle leeftijden: van kinderen van vier, vijf jaar tot mensen die tachtig zijn. Toneel is toch voor een beperktere groep.

Dat vind ik zo leuk van musical: het is voor een heel breed publiek en je gaat nooit met een steen in je maag naar buiten. Je hebt bij films of toneelstukken soms dat je zuchtend uit de bioscoop of het theater komt. Dat heb je bij musical niet, daar kun je ook naartoe als je je klote voelt of net iets ergs hebt meegemaakt. Dan zit je even in een sprookjeswereld.’

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2