In Mijn Elektra van het Noord Nederlands Toneel
speelt Carice zichzelf. Of eigenlijk, ze speelt Carice, want de regisseur
van Mijn Elektra schrééf een Carice die wel lijkt op
Carice van Houten maar het natuurlijk net niet is.
Carice volgde de Kleinkunstacademie en acteert voor film en televisie, speelt theaterrollen en schittert in musicals. Bij het grote publiek is ze vooral bekend als Minoes.
Ik denk dat mensen naar een tragedie gaan kijken omdat die troost biedt voor hun eigen verdriet. Je wilt dingen herkennen, je denkt: ik ben niet de enige die problemen heeft. En het is ook lekker om juist te kunnen huilen over iets wat bij wijze van spreken helemaal niets met jezelf te maken heeft.
Op het ogenblik speel ik in Een Meeuw. Een theaterstuk van Anton Tsjechov. Iedere avond zitten mensen te sniffen in de zaal. De een is er heel erg persoonlijk door getroffen en een ander heeft lekker zitten huilen om andermans verdriet.
Bij een tragedie zijn er mensen die al binnenkomen met het idee: o, dit wordt vast heel tragisch. Er zijn ook mensen die heel open gaan zitten en kijken wat er gebeurt. Want er zitten ook grappige dingen in, anders is het niet vol te houden. Zelfs in Elektra zat tragische humor, een beetje verdekt. Je moet niet hardop lachen omdat je tegelijkertijd denkt: o, wat is dit erg.
Echte tranen?
Het is heel lekker om op het podium te staan en mensen te horen huilen om wat je doet. Lachen en huilen is wat dat betreft een beetje hetzelfde. Als mensen heel hard lachen geeft dat hetzelfde gevoel als wanneer mensen aan het huilen zijn, omdat je een letterlijk bewijs hebt dat je mensen op een directe manier raakt. Dat er iets met die mensen gebeurt. Dat is wel iets wat je beoogt als je speelt.
In Een Meeuw zijn we zelf heel veel aan het huilen. Er zijn trucjes voor om op het podium te kunnen huilen. Soms kun je, als je je heel goed concentreert en er een bepaald gevoel zit, écht huilen op het podium. Maar als je het avond aan avond moet doen, dan heb je soms een trucje nodig: dat je je ogen heel lang openhoudt of dat je een tranenstick gebruikt dat is menthol die je onder je ogen smeert, waarvan je heel snel gaat huilen.
Mensen vinden het achteraf soms naar om te horen dat je een tranenstick hebt gebruikt, want ze denken: het was toch echt, jullie waren toch aan het huilen? Maar ik vind dat het gaat om het effect dat je ermee bereikt en niet zozeer om hoe je het doet. Of je nou aan je dode hond zit te denken of aan de boodschappen die je nog moet doen, dat maakt, vind ik, voor een acteur niet uit: als je het maar geloofwaardig doet moet je het verder zelf weten.
Er zijn mensen die gewoon zó kunnen huilen. Dat kan ik niet. Dat vind ik ook wel prettig, want daardoor hou ik toch altijd een bepaalde afstand. Ik ben heel bang voor pathetiek, om alles te overdreven te spelen.
Ik ben van mening dat als je wilt dat mensen gaan huilen, dat je dan zelf eigenlijk niet moet huilen, maar dat je er een beetje tegenaan moet zitten. Het gaat tenslotte niet over de acteur die verdriet heeft: je moet het publiek iets geven. Theater is niet bedoeld voor acteurs om daar hun eigen psychiater te spelen, om therapeutisch te werken, al heeft het soms wel dat effect.
Een beetje depri
Het is voor een acteur misschien zwaarder om een tragische rol te spelen dan een komische, omdat het zo in je systeem gaat zitten. Na een voorstelling moet ik ook echt altijd even met mijn voeten op de aarde terechtkomen en weer uit die schulp kruipen.
De rol van Mascha in Een Meeuw is zon tragische rol. Hij is zó zwaar dat ik mezelf er onbewust door kan laten meeslepen, al neem ik me voor om het niet te laten gebeuren. De hele avond speel ik alleen maar dat ik doodongelukkig ben en ik een liefde heb die me niet ziet staan. Ik drink en ik rook. Dat gaat toch wel iets met je doen. Ik word er zelf ook wel een beetje treurig van. Ik ben dan niet heel erg depressief, maar toch wel naar binnen gekeerd.
In een komische rol moet je ook heel veel laten zien en wil je dat mensen om je lachen, dan moet je iets anders aanspreken van jezelf. Technisch gezien kan een komische rol ook heel zwaar zijn. Grappig zijn is ook heel moeilijk, maar het geeft een ander soort energie, dat is heel lekker.
Het is heerlijk om grappig te zijn, maar een tragische rol vind ik ook heel leuk. Je mag een bepaalde gemoedstoestand vertolken of tot leven brengen die iedereen wel ergens herkent. Iedereen heeft toch wel eens een bui waarin hij denkt: ik kom er niet meer uit. Die tragische kant van de mens is ook een heel herkenbare kant. Dat is belangrijk.
Lachen om niet te huilen
De interessantste rol vind ik de tragisch-komische rol. De tragikomedie, omdat het er zo tegenaan zit.
In Een Meeuw speel ik een scène waarin ik heel erg dronken ben, ladderzat. Dan zeg ik hele erge dingen. Ik ga trouwen met iemand waarvan je het hele stuk al denkt: nee niet met die, niet met die, dat is zon verschrikkelijk iemand!!! Als iemand aan me vraagt waaróm ik toch met hem ga trouwen, leg ik het uit. Ik kan namelijk de jongen niet krijgen op wie ik verliefd ben. Als ik dan ga trouwen met iemand anders, met die eikel, komt er vanzelf wel nieuwe ellende die de oude ellende verdrijft.
Het idee om je nog meer ellende op de hals te halen om dat oude verdriet niet meer te voelen, heeft iets heel grappigs. Maar eigenlijk is het een manier om te overleven, een tragische manier.
Ik vind het grappig dat mensen soms lachen om verdriet. Dat het heel erg is wat je zegt en dat mensen er toch om moeten lachen. Dat is een soort weglachen van verdriet en pijn, een poging om een beetje te relativeren. Daarom vinden mensen het ook fijn om naar cabaret te gaan en naar harde moppen te luisteren. Harde grappen, daar moeten de mensen om lachen, dan hoeven ze er in ieder geval niet om te huilen. Dat vind ik wel mooi.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2