Gewoon werken totdat het goed is

Alex van Warmerdam over Regie

uit: Jesse Goossens, Dit is Theater

 

Alex van Warmerdam schreef Kleine Teun, regisseerde het, en in de filmversie speelde hij Brand. Hij bedacht het decor, zorgde voor de juiste kleding en verzamelde de acteurs om zich heen met wie hij wilde werken.

Alex is een van de belangrijkste theater- en filmmakers van Nederland. En misschien wel de meest eigenwijze.

 

‘Bij mij ligt het proces iets anders dan bij een andere regisseur, omdat ik zelf mijn stukken schrijf. Daar begin ik mee. Het is ook niet zo dat ik een stuk af heb als ik begin te repeteren of zo. Het woord “af” is eigenlijk helemaal niet aan de orde. Ik heb een stapel papieren en scènes en tijdens de repetities met de acteurs krijg ik een beter beeld van wat ik heb. Ik schrijf door tijdens het repetitieproces.

Daarvoor regisseer je dus: om de acteurs zo goed mogelijk te laten spelen binnen de mogelijkheden van de tekst.’

 

De keuze van de acteurs

‘Vroeger, bij Hauser Orkater, zat ik in een collectief. Toen was de groep acteurs een vast gegeven. Langzamerhand ben ik steeds meer acteurs gaan casten. Dan heb ik een idee, hoe vaag ook, en daar zoek ik acteurs bij zonder dat ik nog precies weet wat zij zullen gaan doen. Ik zoek meestal mensen met wie ik al eerder gewerkt heb. Ik doe er soms wel een nieuwe bij, of twee, maar die moet ik dan wel al hebben zien spelen, of ik moet het gevoel hebben dat ik met hen op kan schieten, dat ik met hen kan werken.

Vooral belangrijk is dat ik een groepje probeer samen te stellen waarvan ik weet dat het klopt als je met zijn allen in een busje door het land gaat: dus dat er niet eentje is die altijd vroeg naar bed wil of die zeurt. Dat het een gezelschapje wordt voor de periode dat je samenwerkt. Dat is voor een deel intuïtief.

Ik zoek een soort nuchterheid in het werk. Je hebt acteurs, die moeten door een crisis heen, of die krijgen gegarandeerd in een bepaald stadium een huilbui, of die weten niet wie ze zijn. Als ik bijvoorbeeld zeg: “Weet je wat? Je komt daar binnen, dan loop je naar het raam, daar wacht je even en dan kom je terug”, dan vragen die acteurs: “Maar waaróm loop ik naar het raam?” Ik word geacht daar een reden voor te geven, maar dat doe ik niet. Die reden mogen ze zelf bedenken.

Ik hou van acteurs die fysiek handig zijn; die kunnen vallen, en die niet bang zijn om fysieke handelingen te verrichten of ergens tegenaan te stoten. Die ook handig zijn in een gevecht en daar lol in hebben. Dat probeer ik van tevoren uit te vinden. Maar de meeste acteurs ken ik dus al. Dan weet ik: die moet ik hebben.’

 

Opstarten

‘Het schrijven is natuurlijk opwindend. Dan is de vrijheid nog het grootst. Op het moment dat je schrijft ben je nog de koning van alles, dan zit alles nog in de verbeelding.

Op het moment dat je gaat repeteren, neem je in zekere zin afscheid van alles wat je ooit bedacht hebt. Op het moment dat je het letterlijk moet maken, gaat het eigenlijke beeld verloren. Het wordt altijd anders. Niet per se slechter, maar altijd anders. Je gaat op zoek naar wat je in je kop hebt, maar dat is net zoals bij een droom: een droom kun je niet navertellen. Tijdens het zoeken vind je weer andere dingen die ook weer goed zijn, dus raak je steeds verder weg van het eerste beeld. Dat is niet erg: alles wat je onderweg tegenkomt wat het beter maakt, of anders, moet je accepteren. Dat is het proces.

Je repeteert een heel stuk in drie maanden. De eerste week maak je je nog nergens druk over. We lezen eerst om de tekst te horen, en gaan dan de vloer op. Ik werk heel erg één op één, zoals ze dat noemen: ik laat de acteurs spelen wat op papier staat. Het is niet zo plat dat ik zeg dat je er niet over na mag denken, dat je het karakter geen redenen mag geven; daar wordt natuurlijk wel over gepraat. Maar het is niet het belangrijkste.

Ik vind dat je in de eerste periode moet kunnen klooien, dan laat je de acteurs ook het meest vrij. Dan mogen ze allemaal dingetjes proberen. Ik zeg altijd: “Speel het. Speel het eens gewoon aan de hand van de tekst.” Ik zeg dan nog niet: “Dit moet je zo zeggen of dat mag wel wat harder of dit mag agressiever.” Dan wil ik het gewoon grofweg zien. Het is eigenlijk een soort warmlopen. Dat je het even voor je ziet. En dan ga ik het steeds preciezer maken.’

 

Verfijnen

‘Ik heb specifieke gedachten of wensen over hoe de tekst moet klinken: het ritme, de snelheid. Maar dat verandert onderweg omdat een acteur iets anders doet. Acteurs doen vaak iets anders. Soms vind ik dat goed, en soms niet.

Het is niet zo dat ik een soort dressuurtheater maak. Acteurs blijven mensen met hersenen, dus ze hebben zelf gedachten. Je mag bij mij alles zeggen. Ik ben altijd te porren voor andere dingen. We werken samen; we staan samen problemen op te lossen. Als iemand bijvoorbeeld van een bank moet vallen, kan dat op verschillende manieren. Ik laat dan aan de acteur over wat hem het beste past, dus dan gaan we dingen proberen. Je bouwt het op: “Dit is niet goed, kan het niet aan de andere kant?” Gewoon werken totdat het goed is.

Als het niet duidelijk is met woorden, dan speel ik wel eens voor wat ik bedoel. Vroeger deed ik dat meer dan nu, dat komt doordat ik met steeds betere acteurs werk en ook doordat ik steeds meer ervaring krijg in hoe ik iets op mensen moet overbrengen.

Het repeteren heeft ook een vertragende factor. Je stelt het kijken naar het geheel in feite uit tot de eerste doorloop, dat is het moment dat je voor het eerst een voorstelling zonder onderbreking speelt. Die eerste doorloop is pas na drie maanden. Dus je zit heel erg op scènes te pielen, op kleine dingetjes. Tijdens een doorloop mag ik natuurlijk niks zeggen, dan wordt er gespeeld. Meteen na een doorloop ga je met z’n allen aan tafel zitten en neem je het hele stuk door. Vanaf dat moment versnelt alles zich.

Het is tenslotte toch een soort muziek die je moet maken, in een bepaalde toon en in een bepaald ritme, zodat het een ding wordt, een mechaniek dat herhaald kan worden, want het moet natuurlijk vaker gespeeld worden. Het ritme komt erin door de try-outs. Je kunt niet een stuk in een moordend tempo erdoorheen jagen, dus is het hier snel en daar langzaam, in een bepaalde afwisseling. Dat groeit en dat probeer ik steeds meer vast te leggen.

Het is een kick om iets te maken wat er eerst nog niet was. Eerst is er niets en dan, na een bepaalde tijd, is er iets van een bepaalde duur en daar bewegen zich mensen in en dat gaat allemaal kloppen. Iets maken is het leukste dat er is.

Het liefst zou ik natuurlijk net als een dirigent zo’n stuk voortdurend blijven dirigeren qua timing en ritme. Maar dat kan niet. En dat slaat natuurlijk ook nergens op, want de acteurs moeten het uiteindelijk zelf doen. Als zij gaan spelen verdwijn ik er steeds meer uit. Maar ik blijf wel vaak terugkomen en dan zit ik in de zaal, met een papiertje, toch weer allerlei details op te schrijven.’

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2