Bloed, zweet en woorden

Toneelschrijven door de eeuwen heen

uit: Jesse Goossens, Dit is Theater

 

Het is koud in de middeleeuwse kloosterzaal. De dikke stenen muren houden de zomerwarmte buiten en er dringt nauwelijks zonlicht door de smalle ramen. In de harde houten banken zit een jonge monnik te schrijven. Hij wordt gezelschap gehouden door de geur van perkament en het krassen van zijn gesneden veer waarmee hij de woorden noteert.

De monnik wijdt zijn leven aan het bewerken van bijbelverhalen tot theaterstukken: passie- of mysteriespelen over het leven van Christus en mirakelspelen over goddelijke wonderen en heiligenlevens. Terwijl in de kerken zijn teksten tot leven worden gebracht, kent niemand de jonge monnik. Hij is de Schrijver Zonder Naam.

 

In het allereerste begin van theater kwamen er geen schrijvers aan te pas. De rituelen die werden uitgevoerd, waren vaak woordloos. Hooguit prevelde een voorganger wat formules.

Pas met de opkomst van acteurs in het oude Griekse theater begon de taal een rol te spelen en betraden de toneelschrijvers het podium…

 

Van held tot voetveeg

Thespis is de eerste theaterschrijver die bij naam bekend is. Hij schreef stukken die hij zelf ook opvoerde tijdens de Griekse theaterwedstrijden.

In het oude Griekenland waren toneelschrijvers mensen van aanzien. Iemand als Aeschylus, die maar liefst dertien keer de belangrijke theaterprijs won, werd op handen gedragen. En Sophocles had helemaal de status van volksheld: niet alleen schreef hij prachtige stukken, hij was ook nog aardig en hij zag er goed uit.

Terwijl de Griekse theaterauteurs konden leven van hun werk, hadden de Romeinse schrijvers het moeilijk. Veel schitterende werken verdwenen direct in de kast. Het publiek wilde spektakel: gevechten en bloedbaden, geen hoogdravende teksten. Van een schrijver als Seneca, die nu heel bekend is, werd tijdens zijn leven waarschijnlijk geen enkel toneelstuk opgevoerd.

 

De kerk als schrijver

In de Middeleeuwen was het toneel op straat verboden. Er werd nog wel opgetreden, maar in het geheim. Ook de schrijvers produceerden hun werk stiekem – hun naam bleef onbekend.

In de kerk werden wel stukken uit de bijbel opgevoerd. De tekst was al klaar: de bijbel bestond immers. Priesters, broeders en nonnen bewerkten de teksten hooguit tot iets wat voor het volk begrijpelijker was.

Uit deze periode stamt de eerste vrouwelijke theaterschrijver – een beroep dat door de geschiedenis heen toch voornamelijk door mannen is bekleed. De Duitse non Hroswitha las met het schaamrood op haar kaken Romeinse drama’s. Ze bewerkte die totdat ze aan christelijke maatstaven voldeden. Maar tijdens haar leven heeft ze weinig voldoening van haar werk gehad. Pas zo’n duizend jaar later, in 1914, werd voor het eerst een stuk van haar hand opgevoerd.

Op het moment dat geestelijken ook theater buiten de kerk gingen toestaan, wilden ze nog wel een vinger in de pap houden. Ze lieten daarom speciale gilden, groepen waarin zich schrijvers verzameld hadden, de stukken schrijven die opgevoerd mochten worden. Dat was mooi te controleren.

 

Rederijkers

In de vijftiende eeuw ontstonden in de Lage Landen (nu Nederland en België) en Noord-Frankrijk de rederijkerskamers. In deze ‘kamers’ verzamelden zich muzikanten, acteurs, dichters en toneelschrijvers. De rederijkers kregen opdrachten van de gemeenten om voorstellingen te schrijven voor volksfeesten en recepties. En net als in het oude Griekenland werden er wedstrijden gehouden om te zien welke rederijkerskamer de beste theaterstukken maakte.

De ‘factor’ was de artistiek leider van zo’n kamer. Hij schreef de stukken die werden opgevoerd. Iedere schrijver wilde graag factor worden: de man kreeg een jaarinkomen en bovendien een extra bedrag voor elke honderd regels theater die hij schreef. De stukken die hij maakte waren ‘spelen van zinne’, leuk om naar te kijken, maar met een lesje voor het publiek. De toeschouwer moest eruit kunnen opmaken hoe hij goed moest leven en wat er met hem zou gebeuren als hij het slechte pad opging.

De belangrijkste toneelstukken die uit deze kamers zijn voortgekomen, zijn onder andere Elkerlyc en Mariken van Nimweghen. Hoewel de kerk deze zinnespelen in eerste instantie aanmoedigde, begon ze na een poosje de stukken godslasterlijk te vinden. De schrijvers van toneelstukken waarin God volgens de kerk op een verkeerde manier was afgeschilderd, werden vervolgd en onthoofd, of – als ze geluk hadden – op bedevaartstocht gestuurd.

 

Handel!

Schrijven was een vak. Een beroep als slager of bakker. En als jij een witbrood vraagt bij de bakker, wil je niet dat de man je een zwaar zuurdesembrood met zonnepitten meegeeft. Zo werd in de tijd van Shakespeare over theaterschrijven gedacht.

Een toneelauteur had geen hoge status. Hij was helemaal afhankelijk van de vraag van het theatergezelschap waaraan hij verbonden was. Hij kon wel leuk artistiek gaan doen, en schrijven wat er in hem opkwam, maar de kans bestond dat hij zo’n nieuw stuk aan de straatstenen niet kwijt kon. Een auteur was alleen zeker van verkoop van een stuk als hij de opdracht had gekregen, vaak met aanwijzingen waarover het moest gaan en hoeveel personen erin mee moesten spelen. Voor zo’n opdracht werd hij meestal wel goed betaald, maar als een schrijver zijn toneelstuk uit handen had gegeven, had hij er verder niets meer over te zeggen. Het kon door iedereen worden uitgevoerd en naar believen worden aangepast. Van royalty’s had nog nooit iemand gehoord.

Een schrijver als Shakespeare had geluk. Hij was verbonden aan een eigen theatergroep, The Chamberlain’s Men, en hij had uiteindelijk zelfs een eigen theater, The Globe, waar zijn stukken werden opgevoerd. Maar ook zijn stukken werden door andere gezelschappen overgenomen en aangepast. Dan verdiende een andere schrijver een centje bij door de woorden van Shakespeare te schrappen of er eigen teksten aan toe te voegen.

 

Loon naar werken

Net als in het oude Griekenland en in de tijd van Shakespeare, het Elizabethaanse Engeland, laten de theaterschrijvers rond 1900 zich opnieuw inspireren door de maatschappij waarin ze leven en de politiek uit die tijd.

Het realisme – de goed lijkende overeenkomst met de werkelijkheid waarin het stuk speelde – werd heel belangrijk gevonden. Emile Zola, een belangrijke Franse auteur en toneelschrijver, was een groot voorvechter van dit ‘naturalisme’: hij wilde dat de personages die op het podium werden opgevoerd, net zo echt waren als de mensen die ernaar keken. Op die manier moest het publiek zich bewust worden van de invloed die de omgeving heeft op het gedrag van een mens. En hoe hard een mens moet vechten om te ontkomen aan die invloed en te ontdekken wie hij werkelijk is. Nora bijvoorbeeld, de hoofdpersoon in Henrik Ibsens Een poppenhuis, lijkt het allemaal voor elkaar te hebben als directeursvrouw in haar gelukkige gezinnetje. Totdat haar man haar laat vallen als een geheim uit haar verleden bekend wordt. Nora laat het er niet bij zitten en vecht voor respect en een eigen bestaan.

In de tijd van Ibsen, eind negentiende eeuw, kon een toneelschrijver inmiddels wel artistieke teksten schrijven. Hij was natuurlijk verzekerd van een goed inkomen als hij vast schreef voor een theatergezelschap, maar er bestonden inmiddels ook geldprijzen die aan toneelschrijvers werden toegekend. Er werden stipendia uitgereikt, beurzen waardoor een schrijver een poosje kon werken zonder zich over zijn inkomen druk te maken. En er waren royalty’s geregeld: iedere keer als een toneelstuk werd uitgegeven of opgevoerd kreeg de schrijver van het stuk wat geld.

 

Schrijven, een bijbaan?

Theaterschrijven kun je eigenlijk niet leren. Er zijn wel regels voor hoe dialogen moeten worden geschreven, op welke manier regie-aanwijzingen kunnen worden verwerkt en er wordt zelfs les gegeven in hoe een stuk spannend kan blijven, maar het echte schrijven gebeurt toch vooral in het hoofd. In de fantasie van de auteur. Niet voor niets wordt er gepraat over talent, een gave: je hebt het of je hebt het niet.

Hoewel er nog steeds toelagen voor toneelschrijvers zijn, net als in de negentiende eeuw, is het vrijwel onmogelijk te leven van het schrijven alleen. Samuel Beckett bijvoorbeeld reisde rond door Europa, had overal rare baantjes en schreef in de tijd die hij overhad. Tijdens zijn reizen en bij het werk dat hij deed, kwam hij allerlei mensen tegen die weer een inspiratie vormden voor zijn stukken. Harold Pinter acteerde naast zijn schrijfpogingen, en speelde bijrolletjes in radiohoorspelen. En Edward Albee ging langs de deuren om elpees te verkopen en was koerier. Uiteindelijk kwam het met deze drie wel goed: hun stukken werden zo bekend dat ze fulltime konden schrijven, maar de meeste toneelschrijvers hebben minder geluk.

De subsidies en stipendia helpen wel, en daardoor kan het theater blijven bloeien: er is ruimte voor experimenten waardoor er steeds nieuwe theatervormen kunnen worden verkend. Schrijven blijft hard werken, maar wordt in ieder geval steeds meer naar inspanning beloond.

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2