Recht voor z’n raap

Stand-up door de jaren heen

uit: Jesse Goossens, Dit is Theater

 

Stand-up comedy is helemaal in. Je ziet het steeds meer. Er worden zelfs televisieseries over gemaakt. In Seinfeld bijvoorbeeld is te zien hoe de stand-upper Jerry Seinfeld het materiaal voor zijn voorstellingen uit zijn directe omgeving haalt. Wat hij overdag meemaakt met zijn neurotische vriendin Elaine, de gestoorde Kramer en de eeuwige loser George, verwerkt hij ’s avonds in zijn shows. Doordat hij hier een televisieserie van maakt, is hij eigenlijk een acteur, een komiek. Hij spéélt een stand-upper met op de achtergrond het ingeblikte gelach van een computer. Een échte stand-up komiek staat achter de microfoon en vertelt op een podium grappen aan een levend publiek. En dan maar hopen dat ze lachen…

 

De naam ‘stand-up comedy’ bestaat nog niet zo lang. Het ‘stand-up’ komt letterlijk van ‘overeind staan’. De grappenmakers van de comedyclubs in de jaren zeventig en tachtig stonden op een kaal podium achter een microfoon en voerden zo hun show op. Maar om met Shakespeares Julia te spreken: ‘What’s in a name?’ Stand-up bestaat al eeuwenlang, al heette het nog niet zo.

 

Slimmer dan verwacht

De eerste stand-upper bestond al voor onze jaartelling: de nar. Door de eeuwen heen zijn er in verschillende culturen narren geweest; ze werkten bijvoorbeeld voor Egyptische farao’s en aan het Engelse hof.

Er waren verschillende soorten narren. Je had geestelijk en lichamelijk gehandicapte mensen. Zij werden in een pakje gehesen en als vermaak aan het hof gehouden omdat ze zo grappig bewogen of spraken. Daarnaast waren er dwergen die om hun uitzonderlijke uiterlijk als nar in dienst genomen werden. Eigenlijk werd de nar gezien als een incompleet mens, een zot, een halve gare. In het Engels heet de nar dan ook ‘the fool’. Maar juist omdat er verwacht werd dat de nar toch maar een domkop was, kon hij alles zeggen wat hem voor de mond kwam. Het werd hem wel vergeven.

In de loop van de tijd verschoof de rol van iemand die grappig was om te zien naar de grappenmaker die behoorlijk scherp kon zijn. Met een onnozel gezicht kon deze nar de meest sarcastische opmerkingen maken over het dagelijks bestaan, de maatschappij en zelfs over zijn baas of bazin. Die vielen van hun troon van het lachen.

De nar komt in de loop van de theatergeschiedenis in verschillende gedaanten terug. In de Italiaanse commedia dell’arte is de harlekijn de belangrijkste figuur: de schijnbare domme bediende die iedereen te slim af is. Net als onze eigen Jan Klaassen.

 

Schuine moppen

Andere stand-uppers waren de spreekstalmeesters die in circussen en theaters verschillende acts aan elkaar praatten.

In Amerika kwam de vaudeville op rond de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Er werden avonden georganiseerd waarbij verschillende acts werden vertoond. Meestal waren dat er een stuk of acht, maar soms waren ook wel twintig acts op een avond te zien. Er trad van alles op: goochelaars, jongleurs, danseressen, zangeressen, acrobaten. De mooie kostuums en prachtige decors waren er in de eerste plaats op gericht om het publiek, dat voornamelijk uit mannen bestond, te vermaken. Niet moeilijk doen, plezier hebben, daar ging het om in de vaudeville.

Tussen de acts door vulde een koiek met grappen en kwinkslagen de tijd totdat de ‘echte’ artiesten klaar waren voor hun optredens. De moppen die hij vertelde, en waarbij hij het publiek vaak betrok, waren vooral seksueel getint. Terwijl hij het publiek vermaakte werden achter hem decors verwisseld, kostuums aangetrokken en de laatste schminkstrepen aangebracht.

De vaudeville delfde rond 1930 het onderspit. Mensen gingen liever naar de bioscoop. De geluidsfilm was net uitgevonden en steeds meer vaudevilletheaters moesten worden omgebouwd tot cinema.

 

Huis-, tuin- en keukenhumor

Nu de vaudeville zijn podium was kwijtgeraakt, verhuisden de komieken naar een nieuwe plek: de radio. Er ontstonden in de jaren dertig steeds meer radioshows die veel weg hadden van de vaudevilleavonden uit de theaters.

Opnieuw werden de verschillende sketches aan elkaar gepraat door gastheren. Maar het radiopubliek was natuurlijk veel breder dan de toeschouwers die naar de vaudevilletheaters kwamen. Er luisterden zowel mannen als vrouwen naar de radio, volwassenen en kinderen, armelui en rijken. Daarnaast was er een strenge censuur op de radio. Als er verkeerde grappen werden gemaakt, zouden de programma’s hun sponsors kwijt kunnen raken en dat betekende geen geld. Dus er werd geen scherpe kritiek meer geleverd en er werden geen schuine moppen getapt. De luisteraars lachten nu om onschuldige grappen over huiselijke voorvallen.

 

De politiek krijgt ervan langs

Het belangrijkste kenmerk van de stand-up comedy is dat de onderwerpen die de grappenmaker aansnijdt, dicht bij de mensen liggen. Het was dan ook niet verbazingwekkend dat toen het in de jaren vijftig en zestig minder goed ging met de maatschappij, de stand-uppers de gelegenheid aangrepen om de politiek aan te pakken.

Lenny Bruce is misschien wel de beroemdste stand-upper ooit. Hij was de eerste die werkelijk alles durfde te zeggen wat hem voor de mond kwam. Hij had kritiek op de Amerikaanse regering en maakte gewaagde grappen over seks en godsdienst. Zijn publiek vond hem geweldig, maar Lenny kreeg nauwelijks de kans om zijn voorstellingen te houden. Hij werd om de haverklap opgepakt: zogenaamd wegens schunnig taalgebruik (hij gebruikte woorden als ‘cocksucker’ en ‘motherfucker’) en vanwege zijn drugsgebruik, maar eigenlijk om hem de mond te snoeren. Hoewel hij heel veel fans had, kreeg hij nergens meer de kans om op te treden: de clubs wilden hem niet meer aannemen uit angst voor moeilijkheden met de politie. Lenny Bruce raakte verslaafd aan heroïne en stierf op 41-jarige leeftijd aan een overdosis.

 

Van club naar tv Lenny Bruce was zijn tijd vooruit. Jaren later lachte de hele westerse wereld om de grappen waarvoor hij destijds werd opgepakt. De gevatte humor haalde een enorm publiek via de televisie.

Johnny Carson begon in 1962 als gastheer van The Tonight Show (met de uitroep ‘Heeere’s Johnny!!!’ startte iedere aflevering). In dit programma ontving hij gasten en maakte hij grappen over wat hij in de krant gelezen had.

Johnny was dol op stand-up comedy en hij nodigde dan ook graag komieken uit in zijn show. Met name in de jaren tachtig ging er bijna geen aflevering voorbij zonder een optreden van een nieuwe stand-up komiek. De carrière van Robin Williams begon bij The Tonight Show, net als die van bijvoorbeeld Roseanne en Jerry Seinfeld.

Het publiek van The Tonight Show ging kijken naar wie het op tv had gezien en bezocht de clubs waar deze stand-uppers speelden. Daardoor werden ze nog beroemder: uiteindelijk kregen de grootsten een eigen televisieserie, zoals Roseanne en Jerry Seinfeld, of ze werden filmacteur, zoals Robin Williams.

Nu konden mensen weer thuisblijven om hun favorieten te zien. De clubs liepen leeg en midden jaren negentig moesten de meeste nieuwe theaters hun deuren sluiten. De goede stand-uppers waren naar de televisie verdwenen.

Net als iedere vorm van theater is ook de stand-up comedy voortdurend in beweging. Een nieuwe lichting stand-uppers baant zich een weg naar de podia. Zolang er een publiek bestaat, zullen er stand-uppers zijn.

 

Het publiek maakt de show

Is stand-up nu alleen maar gepraat?

Nee, het belangrijkste deel van de voorstelling van een stand-upper zal wel bestaan uit kwinkslagen en vlotte babbels, maar het komt ook voor dat hij tussendoor een liedje zingt. Maar wat is dan toch het verschil tussen een stand-upper en een cabaretier?

Het allerbelangrijkst is de interactie tussen het publiek en de man of vrouw op het podium. Een cabaretier heeft een afgeronde show klaar voor hij het toneel betreedt. Een stand-upper zal altijd een aantal voorbereide grappen en eventueel liedjes in zijn hoofd hebben als hij de club ingaat, maar hij is afhankelijk van wat de mensen uit het publiek hem aangeven. Als er bij een cabaretier niet geklapt of gelachen wordt, is dat vooral vervelend voor hem, maar hij heeft wél een programma; misschien is het slecht, maar het is wel íets. Als een stand-upper geen reactie van zijn toeschouwers krijgt, bloedt zijn optreden dood. Dan is er niets.

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2