De wereld is een schouwtoneel

Speelruimte door de eeuwen heen

uit: Jesse Goossens, Dit is Theater

 

‘De wereld is een schouwtoneel / Elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel.’ Deze beroemde zinnen werden in 1668 door de Nederlandse schrijver Joost van den Vondel op papier gezet. Hij was niet echt origineel. Bijna honderd jaar eerder, in 1598, maakte William Shakespeare de woorden ‘All the world’s a stage, and all the men and women merely players onsterfelijk. Met deze zinnen wilden de auteurs zeggen dat het leven een soort theaterstuk is, waarin iedereen een rol speelt vanaf het moment dat hij geboren wordt, totdat het doek voor hem valt – totdat hij sterft. Inmiddels is de uitspraak ook letterlijk te nemen. De hele wereld wordt tegenwoordig als podium gebruikt. Maar dat hadden Shakespeare en Vondel nog niet kunnen vermoeden…

 

Bij de eerste theatervoorstellingen, ver voor onze jaartelling, was het natuurlijk al de bedoeling dat de toeschouwers het gebeuren goed konden volgen. De acteurs zochten dan ook vaak een open terrein vóór een heuvel uit. Het publiek kon op de helling zitten, als op een soort tribune, en had uitstekend zicht op het stuk. Het voordeel van zo’n voorstelling was dat er wel twintigduizend mensen tegelijk naar konden kijken. Wat later werd er een houten verhoging gebouwd als podium, en zo’n drie eeuwen voor Christus ontstond het eerste stenen theater. In Griekenland zijn nog steeds de resten van deze oude theaters te vinden. Wereldberoemd zijn ze, en geen toerist wil ze missen.

De Romeinen waren de eersten die een muur om het theater heen bouwden. Het theater werd een openluchtschouwburg. Er was geen dak omdat de voorstellingen het van daglicht moesten hebben. Ze gingen wel de hoogte in, met theaters die soms tot drie verdiepingen hoog waren en waar het publiek vanaf balkons het toneel aanschouwde. De akoestiek was zo goed dat de acteurs zelfs achter op het derde balkon goed te horen waren. Daarnaast werden kleinere theatertjes gebouwd voor minder spectaculaire voorstellingen.

De Romeinen wilden het het publiek zo gemakkelijk mogelijk maken. Voor de rijke mensen waren er plaatsen met kussentjes, zodat ze lekkerder konden zitten op de harde stenen banken. De Romeinen zorgden voor een goede luchtvoorziening en van één theater is zelfs bekend dat er een speciaal systeem was ontworpen dat de verhitte toeschouwers af en toe besproeide met waterdruppeltjes. De voorstellingen vonden overdag plaats en het kon gloeiend heet worden in de zon.

 

Heilige en hoge podia

In de Middeleeuwen werden voorstellingen gegeven in de kerk. Langs de wanden van de kerk werden verschillende kleine podia gebouwd. Op ieder podium werd een scène uit een verhaal gespeeld en het publiek kon erlangs lopen om al die scènes in de juiste volgorde te bekijken.

Later, toen de producties groter werden, werd er op het kerkplein een houten podium gebouwd. In het speelvlak van dit podium werd vaak een valluik gebouwd waardoor acteurs plotseling konden verdwijnen of opkomen. Deze verhogingen waren vaak eenvoudig uit elkaar te halen en in elkaar te zetten, zodat ze op verschillende plaatsen konden staan. Want toen na 1210 priesters van de paus niet langer toneel mochten spelen, verhuisde het theater naar de marktpleinen van de dorpen en steden.

In plaats van de kleine podiumpjes in de kerk ontstonden nu een soort rijdende minitheatertjes. Op karren werden hutten gebouwd die bestonden uit twee verdiepingen: beneden konden de acteurs zich omkleden en bovenop werd gespeeld. Op iedere kar werd een scène uit een langer verhaal gespeeld. Het publiek zag alle karren langskomen en kreeg zo het hele theaterstuk voorgeschoteld.

 

Vaste theaters

Het was de architect Sebastiano Serlio, die normaal gesproken kastelen bouwde, die in de zestiende eeuw bedacht dat het goed zou zijn als het podium naar achteren toe schuin omhoog zou lopen. Dan waren de acteurs die achter op het toneel stonden tenminste ook goed te zien.

Nu architecten zich met het theater gingen bemoeien, hoefde het publiek niet lang meer te wachten totdat de eerste vaste schouwburgen werden gebouwd. In Italië was dat het Teatro Olimpico in Vicenza, in 1584. De kostbaarste materialen werden gebruikt om de Italiaanse theaters te bouwen, de gebouwen glommen van het marmer en het goud.

Toch waren de Italianen niet de eersten die een schouwburg uit de grond stampten. De Fransen hadden de primeur. Zij richtten in 1548, voor het eerst sinds de val van het Romeinse Rijk meer dan duizend jaar tevoren, een vast theater op: het Hotel de Bourgôgne. En negentien jaar later werd buiten Londen (want zoiets zondigs als theater werd niet toegestaan ín de stad) de eerste Engelse schouwburg gevestigd: The Red Lion. In deze eerste schouwburgen speelden de acteurs tegen een achtergrond met een vast decor. Het publiek zat in een halve cirkel om het podium heen.

Een belangrijke mijlpaal in de geschiedenis van de theaterbouw was het Teatro Farnese, opnieuw in Italië. Het theater werd gebouwd in één jaar tijd en was het eerste waarin het podium van de zaal werd afgescheiden door een podiumboog: het proscenium. De podiumboog versterkte de diepte van het decor. Het was daardoor alsof het publiek in een soort kijkdoos keek, in een nieuwe wereld waar het toneelstuk zich afspeelde. Het publiek kon van het podium worden afgescheiden door een rood gordijn. De zaal zelf had een u-vorm, en het gebouw was zo ontworpen dat er gemakkelijk van decor gewisseld kon worden. Omdat het zo snel af moest zijn, werd het gebouw opgetrokken uit hout in plaats van steen, werden er gipsen beelden geplaatst in plaats van marmeren en stonden er kartonnen decors. Toch vergaapte het publiek zich bij de opening in 1619 aan alle schoonheid: hout, gips en karton waren zo prachtig beschilderd als imitatiemarmer en stucwerk dat het net echt leek. Een bijzonder staaltje van trompe l’oeil (bedriegt het oog).

Veel van de schouwburgen zijn in de loop der eeuwen gebaseerd op het ontwerp van Teatro Farnese. De u-vormige zaal bleek ideaal om alle toeschouwers goed zicht op het podium te bieden en de toneelboog, het proscenium, was in de meeste theaters niet meer weg te denken.

Er waren natuurlijk wel verschillen. Nu eens was een zaal rond, dan weer ovaal. De ene keer zat het publiek op houten klapstoeltjes, de andere keer in luxe pluchen fauteuils. Maar er was één belangrijke overeenkomst tussen al die theaters: de acteurs stonden op een podium dat op een duidelijke manier, meestal door de podiumboog, van het publiek was afgescheiden.

 

Het theater uit

Pas honderd jaar geleden, aan het begin van de twintigste eeuw, kwam er verandering in de afstand tussen de acteurs en het publiek. Het was de Oostenrijkse regisseur Max Reinhardt die de stap aandurfde de schouwburg te verlaten. Hij vond het theater rond de eeuwwisseling maar saai en beklemmend, dus richtte hij een eigen gezelschap op waarmee hij kon experimenteren.

Reinhardts nieuwe theatergroep heette ‘Schall und Rauch’, wat zoveel betekent als ‘lawaai en rook’. De acteurs maakten een soort cabaret en lapten alle regels van het toneel aan hun laars. Ze wilden dat het publiek meer betrokken zou raken bij het theater en stapten dus van het podium af de zaal in. Later gingen ze zelfs het theater uit en maakten hun voorstellingen op andere plaatsen, zoals in kerken, paleizen en maneges. Het publiek merkte al snel dat het heel anders is om Shakespeares Midzomernachtdroom in het theater te zien of in bijvoorbeeld de buitenlucht. Max Reinhardt liet in The Hollywood Bowl – een openluchttheater in de heuvels van Los Angeles – het stuk niet alleen op het podium spelen, maar gebruikte de hele omgeving als toneel: op een gegeven moment kwamen vanuit de heuvels acteurs met fakkels aanlopen. Het publiek was overdonderd en razend enthousiast.

Het voordeel van spelen in de buitenlucht is ook dat je niet gebonden bent aan een aantal stoelen in een schouwburg. Dat hadden de theatergezelschappen in Rusland ook door.

In oktober 1917 – eigenlijk in november, maar de kalender in Rusland was een andere dan de onze – kwam via een grote revolutie het communisme aan de macht. De theatergroepen wilden hun communistische ideeën aan zoveel mogelijk mensen duidelijk maken, en dus gingen ze de straat op. Het Rode Plein in Moskou was een van de plaatsen waar toen theaterstukken werden opgevoerd voor tienduizenden mensen tegelijk.

 

Locatietheater en theater op locatie

Er zijn geen goede of slechte plaatsen voor theater. Iedere plek ademt een eigen sfeer die het stuk dat er gespeeld wordt een nieuwe betekenis geeft, zoals ook een decor een voorstelling beïnvloedt.

De laatste jaren gaat het onderzoek naar het effect van een speelplek op een voorstelling nog verder. Werden er eerst bestaande stukken gespeeld op een bijzondere plaats, ‘theater op locatie’, nu wordt de plek zelf hoofdrolspeler. De geschiedenis van de locatie, de gebeurtenissen die er hebben plaatsgevonden of de gevoelens die de plaats oproept bij de theatermakers, worden het uitgangspunt van een nieuwe voorstelling. Dat is ‘locatietheater’: het publiek wordt door de spelers meegenomen door duinen, bossen, straten of een gebouw en wordt deelgenoot gemaakt van de ruimte waarin men zich bevindt.

Nederland is in deze vorm van theater een voorloper. Er is hier zelfs een heel theaterfestival waarbij locatie het uitgangspunt is: het Oerol Festival. Artiesten van over de hele wereld komen nu ieder jaar tien dagen naar Terschelling om daar een theatervoorstelling op locatie te geven of locatietheater te maken.

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2