Orpheus
was een Griekse halfgod die op de lier speelde en schitterend kon zingen.
Zijn grote liefde was Eurydice, met wie hij heel gelukkig was. Maar op een
kwade dag werd Eurydice gebeten door een slang en stierf.
Orpheus was gebroken van verdriet en kreeg voor elkaar wat niemand vóór hem had geflikt en na hem zou kunnen: hij daalde af in de onderwereld en verzachtte met zijn muziek de harten van de god en godin van het dodenrijk. Hij mocht Eurydice weer mee naar het land der levenden nemen. Er was alleen één voorwaarde: hij mocht de hele weg terug niet achteromkijken.
Orpheus begon aan zijn terugtocht, maar hoorde niet of Eurydice hem werkelijk volgde. Zou hij soms in de maling zijn genomen? Hij kon het niet laten en keek achterom. Daar zag hij nog net een glimp van Eurydice, die weer in de onderwereld verdween.
Orpheus was nu zó ongelukkig en maakte zulke treurige muziek dat de dieren van het bos gek werden en hem in stukken scheurden. Volgens een ander verhaal waren het vrouwen die probeerden zijn aandacht te trekken en woedend werden door zijn onverschilligheid, die hem vermoordden. En weer een andere versie vertelt dat de oppergod Zeus hem doodde omdat Orpheus het geheim van het dodenrijk had ontdekt. Hoe dan ook, Orpheus stierf en kon in de onderwereld zijn geliefde Eurydice weer in de armen sluiten.
Dit beroemdste verhaal over een muzikant, dat door de Romeinse dichter Ovidius werd beschreven, heeft talloze musici geïnspireerd. Jacopo Peri, Claudio Monteverdi, Christoph Willibald Gluck, Joseph Haydn en Jacques Offenbach maakten een opera van het tragische verhaal, en de mythe keert ook terug in de muziek van onder meer Telemann, Pergolesi, Krenek, Stravinsky en Vaughan Williams.
Foutje, bedankt!
De opera is eigenlijk per ongeluk uitgevonden. In Italië bestond aan het eind van de zestiende eeuw een groep studenten, dichters en amateurmuzikanten, de Camerata, die probeerden uit te zoeken hoe de Griekse tragedies vroeger werden opgevoerd. Zij bedachten dat deze tragedies van het begin tot het einde gezongen zouden moeten worden. Later bleek dat helemaal niet waar te zijn, maar deze Camerata waren dolblij met hun zogenaamde ontdekking.
Aan het hof in Italië vonden ze het wel leuk, zon nieuwe oude theatervorm. Het was de kans om de mensen die het mooist konden zingen bij elkaar te brengen, ze in de prachtigste kostuums te steken en in een schitterend decor te laten zingen. Daarmee konden de verschillende hoven aan elkaar laten zien wat ze aan weelde en rijkdom in huis hadden.
Het belangrijkste kenmerk van opera was de hoofdrol die de zangers vertolkten. Het verhaal werd verteld door de zangers: de operacomponisten maakten muziek van de woorden. De zangers droegen het verhaal en de muziek begeleidde de dramatische ontwikkelingen. Het was dus iets anders dan een theatervoorstelling waarin stukjes ballet of liedjes werden ingelast.
Van goden en helden
De eerste opera die in die tijd geschreven werd was Dafne van Jacopo Peri. Een dramatisch sprookje in een proloog en zes scènes werd de theateropvoering in 1597 genoemd. Tien jaar later componeerde Claudio Monteverdi Orfeo, naar de hierboven beschreven mythe.
Deze eerste operas gingen over goden en godinnen en over de helden uit de klassieke mythologie. Ze werden razend populair en niet alleen aan de hoven van Italië. In 1637 werd de eerste operaschouwburg gebouwd en konden ook minder hooggeplaatste mensen kennismaken met het nieuwe fenomeen. Het sloeg zo goed aan dat alleen al in Venetië in de zeventiende eeuw maar liefst tien van deze speciale operapaleizen werden opgericht.
Ook in de rest van Europa werd de opera een geliefd theateronderdeel. In Frankrijk werden speciale muzikale tragedies geschreven: de beroemde balletschool van de Zonnekoning werd zelfs omgevormd in een operaballet waarbij de zang net zo belangrijk werd als de dans.
In Engeland veroverde operacomponist Henry Purcell de harten van het theaterpubliek met zijn operabewerkingen van toneelstukken van Shakespeare en, opnieuw, Griekse heldenverhalen zoals de tragische liefdesgeschiedenis van Dido en Aeneas.
Vol tierelantijnen
In de operas uit de eerste helft van de zeventiende eeuw wisselden de luchtige komische en zware dramatische scènes zich af. Vanaf de tweede helft van die eeuw begint er een splitsing te ontstaan. Er zijn nu opera seria, serieuze operas, en opera buffa of, zoals die in Engeland wordt genoemd, ballad opera. Dit is een opera die niet over tragische onderwerpen, helden en koningen gaat, maar grappig is bedoeld. Dieven, hoeren, armelui en oplichters spelen vaak de hoofdrol in deze operavorm die uitgroeit tot de musical die we tegenwoordig kennen. De muziek is ook minder dramatisch dan bij de opera seria.
In dezelfde periode begint het bij de opera seria belangrijk te worden wie het mooist kan zingen. De operazangers lieten horen hoe groot het bereik van hun stem was, van hoe laag tot hoe hoog ze konden komen. Zangtechniek was het allerbelangrijkst: componisten brachten zoveel mogelijk versieringen aan in de muzieklijn van hun arias. Arias zijn de sololiederen in de operas. In het Italiaans betekent aria gewoon lied.
De verhalen van de operas gaan in deze periode steeds minder over mythen. Romantische verhaaltjes worden geliefd bij het publiek. Händel was zon componist die allerlei operas schrijft om het publiek te plezieren: verhalen over tovenarij, historische stukken en koninklijke romances. Het verhaal was eigenlijk niet zo belangrijk meer, het ging immers om de zang. Het gebeurde dan ook regelmatig dat er een tussenstuk in een verhaal werd geschreven, louter en alleen om zangers de kans te geven flink uit te pakken, waarbij de verhaallijn er eigenlijk niet toe deed.
De castraten, mannen bij wie op jonge leeftijd de testikels waren verwijderd zodat ze niet de baard in de keel kregen en mooi hoog konden blijven zingen, waren nu ook buitengewoon geliefd bij het operapubliek. In het begin van de operageschiedenis was het noodzakelijk dat mannen vrouwenrollen speelden: vrouwen mochten niet optreden. Maar later bleek dat het publiek sowieso liever mannen hoog hoorde zingen dan vrouwen. Een castraatstem werd ook wel beschreven als de stem van een vrouw met de kracht van een man en de zuiverheid van een kind.
De rol van de muziek
Willibald Gluck was een van de componisten die het verhaal van Orpheus en Eurydice tot opera bewerkte. Hij wilde, anders dan zijn voorgangers, meer samenhang tussen de gezongen tekst en de muziek in zijn stukken brengen. De muziek, vond hij, moest vooral de emoties van de tekst uitdrukken. Bij een dramatische scène zou niet alleen de zanger droevig zingen, maar huilden de instrumenten met hem mee.
Wolfgang Amadeus Mozart, tot op de dag van vandaag een van de meest geliefde operaschrijvers, ging daar nog een stapje verder in. Hij wilde dat ieder personage in zijn operas door aparte, herkenbare muziek werd begeleid. De manier waarop de zanger zingt en de melodieën van zijn liederen moesten het bijzondere karakter van iedere figuur benadrukken. Een bediende zingt bij Mozart dus heel anders dan een edelman. En de held van het verhaal klinkt anders dan een slechterik.
Een eeuw later greep Richard Wagner weer terug naar de mythen als onderwerp van zijn operas. Hij vond alle aspecten van zijn opera even belangrijk: de dans, de muziek, de teksten en de zang. Hij noemde het totaal een Gesamtkunstwerk, een totaalkunstwerk: de verschillende onderdelen zouden elkaar versterken, waardoor het geheel meer indruk maakte dan de dans, de zang of de muziek apart zou kunnen.
Fungeerde het orkest eerst nog als ondersteuning en begeleiding van de operadivas, in Wagners operas speelden de instrumenten een even belangrijke rol als de stem. Dat betekende wel dat de zangers in zijn operas een behoorlijk luide stem moesten hebben, anders konden ze nooit op tegen die overvloed van muziek. In zijn beroemdste werk, Der Ring des Nibelungen, vertelt Wagner een verhaal uit de Germaanse mythologie. Deze opera in vier delen, die in totaal maar liefst zestien uur duurde, was een keerpunt in de geschiedenis.
Spraakmakende stukken
De beroemdste operacomponist van Italië, en een van de bekendste ter wereld, werd geboren in hetzelfde jaar als Wagner. Zijn naam was Giuseppe Verdi. Hij schreef bijvoorbeeld voor de opening van de nieuwe operaschouwburg in Cairo de wereldberoemde Aïda, en operas die ook wel de Grote Drie worden genoemd, RigTrovTrav: Rigoletto, Il Trovatore en La Traviata. Maar liefst zesentwintig operas staan op zijn naam.
Dat Shakespeare niet alleen in gesproken maar ook in gezongen vorm tot de verbeelding blijft spreken, bewijst de geschiedenis van de opera. Net als Henry Purcell twee eeuwen voor hem bewerkte Verdi Shakespeare-verhalen tot opera: Macbeth en Otello. En een van de grootste operacomponisten van de twintigste eeuw, Benjamin Britten, maakte van A Midsummer Nights Dream een hit.
In de hele westerse wereld was opera inmiddels niet meer weg te denken. Juist omdat opera zo populair was, werd deze theatervorm angstvallig in het oog gehouden door de regeringen van de verschillende landen. Het kwam dan ook voor dat operas verboden werden omdat ze het publiek op verkeerde gedachten zouden kunnen brengen. Zo werd Le nozze di Figaro van Mozart in 1784 door de Oostenrijkse keizer Jozef II verboden omdat het werk te revolutionair zou zijn: in de opera neemt namelijk een dienaar, Figaro, het op tegen zijn meester, en wint. Ook in Frankrijk probeerde Lodewijk XVI de opera te verbieden. Dat mislukte, maar de voorstelling in Parijs werd zon rel dat er drie mensen in de massa werden doodgetrapt.
In Frankrijk veroorzaakte een eeuw later de opera Carmen van Georges Bizet veel opschudding. Het verleidelijke, vrijgevochten hoofdpersonage Carmen en haar entourage van dieven en relschoppers zouden niet door de beugel kunnen. Een recensent schreef: Carmen zou vastgebonden moeten worden, er zou een einde moeten worden gemaakt aan haar heupgedraai; ze zou in een dwangbuis moeten worden gestopt nadat men haar heeft afgekoeld door een emmer water over haar hoofd te gooien.
En de homoseksuele componist Britten veroorzaakte in de twintigste eeuw nog een rel met zijn laatste opera Death in Venice. Dat werk gaat over de liefde van een oudere man voor een jongen. Het liefst ontkennen de operabezoekers de onderliggende erotische lading.
Maar een schandaal is natuurlijk goede publiciteit, ga maar na: nog steeds spreken Carmen en Figaro tot de verbeelding, en worden hun operabewerkingen altijd wel ergens opgevoerd.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2