Op het
podium zit een verteller. Hij vertelt zijn publiek het verhaal van een arme
soldaat. Luisterend naar de muziek van een klein orkest, is te zien hoe
de soldaat op de terugtocht van het slagveld wordt aangesproken door een
oude man. Deze man biedt hem in ruil voor zijn geliefde viool een boek aan
dat hem de toekomst kan voorspellen. De soldaat zwicht en blijft een paar
dagen bij de oude man om te leren hoe hij het boek moet gebruiken.
Als de soldaat terugkomt in zijn geboortedorp, blijken er geen dagen maar jaren te zijn verstreken. Zijn familie en vrienden herkennen hem niet en zijn liefje is getrouwd met iemand anders. Nu wordt hem duidelijk dat hij mét zijn viool zijn ziel aan de duivel heeft verkocht. Alle rijkdom die hij met zijn boek wint, maakt het verlies niet goed.
De verteller stookt de soldaat op. Hij moet het gevecht met de duivel aangaan. Hij moet proberen zijn ziel terug te winnen door met hem te kaarten. Het lukt. Door een list weet de soldaat onder de vloek van de duivel uit te komen. Maar als hij ooit terugkeert zal de duivel hem weer pakken.
De soldaat trouwt in een ander koninkrijk met een prinses en ze worden heel gelukkig. Maar de prinses blijft zeuren dat ze de ouders van de soldaat wil ontmoeten. De soldaat keert met haar terug naar zijn geboortestreek en de duivel neemt hem te grazen
Om gelezen, geacteerd en gedanst te worden, dat was de omschrijving van het theaterstuk dat componist Igor Stravinsky en auteur Charles Ramuz in 1917 maakten: Lhistoire du soldat, het verhaal van de soldaat.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was het een moeilijke tijd voor het theater. Daarom zochten de theatermakers naar goedkope manieren om een voorstelling neer te zetten. Ze ontwikkelden stukken die ook buiten theaters zouden kunnen worden gespeeld, zonder decors, kostuums en andere kostbare aangelegenheden. Het verhaal van de soldaat was geschreven voor één verteller, twee acteurs en zeven muzikanten en kon overal worden opgevoerd.
Het was geen opera, geen musical, maar ook geen gewoon theater. Wat was het eigenlijk wel?
Wat is het níet
In de jaren zestig van de twintigste eeuw kwam muziektheater als een nieuwe theatervorm naar voren. De theatermakers van dit genre zetten zich af tegen de gebruikelijke operas, operettes en musicaltradities, maar wilden toch gebruikmaken van muziek om hun verhaal te vertellen.
Al bestaat het begrip muziektheater pas een jaar of veertig, de theatervorm zelf bestaat al langer. Wanneer ervan wordt uitgegaan dat muziektheater alles omvat wat géén opera of musical is, kent het een brede voorgeschiedenis.
Drank en gezelligheid
Muziek in de kroeg is er al zolang er cafés zijn. Regelmatig huurden café-eigenaars muzikanten, zangers of ander muzikaal vermaak in om de gasten juist naar hún bar te trekken. Hoe gezelliger de sfeer, hoe meer er werd gedronken. De Lucky Luke strips geven een mooi beeld van hoe danseressen en zangeressen onder pianobegeleiding (met een bordje schiet niet op de pianist) de mannen aan de tap vermaakten.
In 1860 in Londen bedacht een man, Charles Morton, dat hij misschien geld kon verdienen aan een speciale music-hall : een ruimte waar drank werd geschonken en muzikaal amusement op het podium werd geboden. Hij opende zijn eerste music-hall naast een café en het werd een doorslaand succes. Zon tien jaar later waren er in Groot-Brittannië ruim driehonderd music-halls te vinden. In deze gelegenheden werden liedjes gezongen die gingen over het leven van alledag. Het publiek kon de nummers binnen de kortste keren meezingen en op straat werd de bladmuziek verkocht van de populairste songs die in de music-halls ten gehore werden gebracht.
Later werden naast de zangers en danseressen ook goochelaars, jongleurs en acrobaten in het programma van de music-hall opgenomen. Alle acts werden aan elkaar gepraat door een spreekstalmeester, een soort stand-up comedian.
De zwarte minstreel
Ook in Amerika was inmiddels een bijzondere vorm van muzikaal theater ontstaan. Aan het begin van de negentiende eeuw was de slavernij in de Verenigde Staten nog doodgewoon. Zwarte mensen bestonden om de blanken ten dienste te staan. Het witte publiek van de theaters vond het dan ook een grote grap toen een blanke zanger zijn gezicht zwart maakte met verbrande kurk en een kreupel geslagen slaaf nadeed terwijl hij een liedje zong. Al snel waren er meer van deze black minstrels, zoals ze genoemd werden, die liederen vertolkten over het harde leven van een slaaf en de zwarte mensen te kijk zetten als lui en dom.
De beroemdste minstrel was Al Jolson. Deze Russische jood maakte zijn gezicht juist zwart om duidelijk te maken dat de zwarte medemens op gelijke voet stond met de blanke. Jolson schopte het zelfs tot acteur. Hij speelde in de eerste lange geluidsfilm waarin werd gesproken en gezongen: The Jazz Singer uit 1927. En mét de film ging het beeld van de black minstrel de hele westerse wereld over.
Een drama op muziek
In de negentiende eeuw kwam, vanuit de opera, een nieuwe muziekvorm op die vooral populair werd in de salons van Europa. Het was het melodrama. Eén acteur droeg een verhaal of gedicht voor, terwijl hij werd begeleid door een kamerorkest of een piano.
Schubert was een van de componisten die zulke ballades maakte. Zijn belangrijkste melodrama is waarschijnlijk Der Erlkönig (1815). Schubert koos een gedicht van Goethe over een vader die met een ziek kind voor op zijn paard naar huis rijdt door de nacht. De jongen ijlt en ziet de elfenkoning (Erlkönig) voor zich, die de jongen met zich mee wil nemen naar zijn wereld. Wanneer vader en kind thuis aankomen blijkt de jongen te zijn overleden.
In de begeleidende muziek is te horen hoe het paard als een razende galoppeert. Het jaagt door de nacht in een race tegen de klok om op tijd de veilige thuishaven te bereiken.
Het melodrama bleef populair. Een eeuw na Schubert schreef de componist Schönberg Pierrot Lunaire in opdracht van een actrice en diseuse. Een diseuse was een vrouw die op gevoelige wijze gedichten kon voordragen. Schönberg koos daarvoor een bestaande cyclus van eenentwintig gedichten. Hij vond het vooral belangrijk dat de stem van de diseuse en de melodie van de instrumenten één geheel vormden. Alle partijen waren even belangrijk en de klanken van de muziekinstrumenten vertelden het verhaal evenzeer als de woorden van de gedichten.
Dit idee dat muziek en stem even belangrijk zijn, werd gedeeld door beeldend kunstenaar Kandinsky. Hij maakte een stuk dat nog verder ging: naast stem en geluid moesten ook het acteren, het decor en het licht een gelijke rol spelen. Het resultaat was Der Gelbe Klang (het gele geluid). Een Gesamtkunstwerk, een totaalkunstwerk, zonder dialogen, zonder logisch verhaal. Het publiek begreep er niets van en was er dan ook niet erg over te spreken.
Experimenten en oude meesters
Ieder jaar worden er talloze nieuwe muziektheaterproducties op touw gezet. Iemand regisseert Shakespeare en leukt het stuk op door er liedjes tussen te plakken (denk aan Baz Luhrmanns film Romeo and Juliet). Een ander leest een verhaal voor dat met muziek wordt geïllustreerd. Een derde laat videoclips in zijn theaterstuk een prominente rol spelen en een vierde vraagt zijn hoofdpersoon om niet te spreken maar zijn emoties in fluitspel uit te drukken.
Er zijn oneindig veel mogelijkheden binnen het muziektheater: de productie is geen opera of musical, maar de muziek vormt wel een essentieel onderdeel van het toneelstuk, van het verhaal.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2