…en er was licht

Theaterlicht en special effects door de eeuwen heen

uit: Jesse Goossens, Dit is Theater

 

Licht is zo belangrijk voor een mensenleven, dat je bijna zou vergeten dat het bestaat. Net zoals je niet nadenkt over de zuurstof die je inademt, vergeet je hoe bijzonder het is dat iedere dag opnieuw de zon opkomt, dat je in je kamer het licht aan kunt doen of dat, als de elektriciteit is uitgevallen, een kaars of zaklantaarn je bijlicht.

Toch is er ooit een eerste keer geweest dat de mens erachter kwam dat hij zelf licht kon maken, op het moment dat hij het vuur ontdekte. Waarschijnlijk was dat toen de bliksem een keer in een boom sloeg en deze oplichtte door de vlammen die eruit sloegen. Sindsdien zoekt de mens naar licht om in de hand te houden: van een vet dier, zoals een vis of vogel, met een lont erin, tot aan de nieuwste laserontwikkeling.

Ook voor het theater is licht van groot belang – en zo vanzelfsprekend dat je het bijna zou vergeten.

 

Vliegende goden bij daglicht

In de oudheid werden theaterstukken opgevoerd bij daglicht. De theaters waren zonder dak en de voorstellingen vonden overdag plaats. Dat betekende niet dat er geen licht werd gebruikt op het podium. Er waren wel degelijk fakkels en olielampen, maar die stonden er niet zozeer om het spel te verlichten. De aanwezigheid van zulke verlichting was een teken voor de toeschouwers dat die scènes zich in de avond of de nacht afspeelden.

De oude Grieken waren de eersten die gebruik maakten van special effects. Zij vonden de deus ex machina uit, wat letterlijk ‘god uit de machine’ betekent. Dit was een takelmachine waaraan acteurs konden worden opgehesen. Zo konden goden uit de hemel neerdalen.

De Romeinen waren bezeten van techniek. Het was dan ook onvermijdelijk dat hun liefde voor de nieuwste snufjes ook tot op het toneel zou doordringen. Op welke manieren ze hun speciale effecten tot stand brachten is helaas niet meer duidelijk, maar we weten wel dat ze het op het podium konden laten donderen en bliksemen en dat goden met veel spektakel het podium opkwamen.

De Romeinen waren ook dol op bloed en gruwelijke taferelen op het podium. En daarbij werd helaas vaak geen gebruik gemaakt van special effects: dan werden er werkelijk slaven gemarteld, aan stukken gesneden of aan wilde beesten gevoerd.

 

Om niet in slaap te vallen

In de Middeleeuwen vonden de theaterstukken vooral plaats in de kerk. Rond het jaar 400 waren de kaarsen uitgevonden. Het zou nog zo’n duizend jaar duren voordat de kaars zijn weg naar het gezinsleven had gevonden, maar in kerken werd er al snel gretig gebruik van gemaakt.

De religieuze toneelstukken in de Middeleeuwen konden urenlang duren. Om de aandacht van de toeschouwer toch vast te houden, werden er steeds meer trucjes verzonnen. Op het toneel konden acteurs net als tijdens de Romeinse tijd met behulp van blazen gevuld met dierenbloed op gruwelijke wijze worden neergestoken. Kunstledematen zorgden voor realistische onthoofdingen of het afhakken van armen of benen.

Er werden in de podia van het theater luiken gebouwd waardoor spelers plotseling konden verdwijnen of verschijnen. De deus ex machina was ook bij de bijbelverhalen zeer geliefd: God kon met een takel uit de hemel afdalen naar het podium en aan zo’n zelfde constructie vlogen engelen door de lucht. Op het toneel werd met water en vuur gewerkt en ook rookeffecten deden in deze periode hun intrede. Bekend is dat bij een theaterstuk uit 1501 de hellemond op het toneel open kon gaan en een enorme rookwolk kon uitblazen. Er waren maar liefst zeventien mensen voor nodig om deze truc te bewerkstelligen.

Al deze speciale effecten waren niet ongevaarlijk. Soms werd er zelfs vuurwerk vastgemaakt aan de kleding van de acteurs. Als dat misging kon het tot lelijke verwondingen leiden, of zelfs erger.

 

Een studie van techniek

Vanaf het midden van de zestiende eeuw begonnen er in Italië boeken te verschijnen over theatertechniek. De architect Sebastiano Serlio legde uit hoe op de beste manier een decor kon worden opgebouwd en vond het licht daarbij van groot belang. Hij bedacht hoe verschillende kleuren licht op het podium konden worden gemaakt door kaarsen achter een glazen bak met gekleurde vloeistof neer te zetten. Serlio vond ook het eerste spotlicht uit, door licht door een flessenbodem te laten schijnen.

Toen het theater van open speelvlakken naar schouwburgen verhuisde, werd de toneelzaal verlicht met grote kandelaars. Op het podium werden alle lichtbronnen ingezet die de mensen kenden: kaarsen, fakkels en olielampen.

Het gebruik van theaterlicht werd steeds belangrijker. Rond 1630 kwam er een tweedelig boek uit over theatereffecten, waarin onder meer precies werd beschreven op welke manier voetlicht op het podium het best kon worden ingezet. Er was zelfs een speciaal systeem ontworpen van metalen kapjes, waardoor het licht van kaarsen gedimd kon worden zonder dat ze uitgingen.

Het gebruik van vuur voor verlichting, en zeker voor special effects, werd er niet veiliger op. Het beroemde theater van William Shakespeare, The Globe, ging in rook op toen bij een nepkanonschot een brandend papier naar het rieten dak opdwarrelde. Als door een wonder konden alle toeschouwers ongedeerd uit het theater komen. Om de risico’s te verkleinen moesten de acteurs dan ook altijd de pitten afknippen van de lampen die ze bij zich droegen, omdat anders de vlam te groot zou worden.

De trucs die goochelaars bedachten werden ook in gewone theaterstukken ingezet. Zo konden het publiek allerlei illusies worden voorgeschoteld. In de achttiende eeuw werd bijvoorbeeld een manier bedacht om geesten te laten verschijnen door met een toverlantaarn een soort dia op een doorzichtig scherm te projecteren. Ook dat vond zijn weg naar het theater.

 

Licht, lichter, lichtst

In de negentiende eeuw volgden de veranderingen in het theaterlicht elkaar snel op. Aan het eind van de achttiende eeuw was de gaslamp uitgevonden en die vond al snel zijn weg naar het podium. Inmiddels was het ook mogelijk om met behulp van spiegels het licht zo te weerkaatsen dat ieder hoekje van het podium goed verlicht was.

Door verschillende lampen met elkaar te verbinden kon in één keer een hele rij – bijvoorbeeld voetlicht – worden gedimd of juist fel oplichten. Net als kandelaars en olielampen konden ook gaslampen worden voorzien van gekleurde glazen kappen om de kleur van het podiumlicht aan te passen.

Niet lang na de gaslamp werd het kalklicht uitgevonden: door een brok kalk te verhitten gaf het een helder schijnsel af dat uitstekend kon worden gebruikt als spotlicht of als hemellichaam. En vervolgens vond Edison de gloeilamp uit en maakte daarmee theaterverlichting nog gemakkelijker hanteerbaar én een stuk veiliger: opeens waren de lichttechnici niet meer afhankelijk van open vuur.

In het midden van de negentiende eeuw werd een illusie uitgevonden die in de wereld van de goochelaars en het theater een hoop mogelijk maakte. Door het gebruik van spiegels en licht kon een acteur verdwijnen en op een andere plek op het podium opeens opduiken, of spontaan veranderen in een ander persoon.

Al deze veranderingen maakten de taak van theatertechnici veelzijdiger: er was steeds meer mogelijk op het podium. Aan het eind van de negentiende eeuw werd dan ook de eerste vereniging van theatertechnici opgericht, waarin de techneuten van elkaars ervaringen konden leren. Tegelijkertijd ontstond de eerste theatertechniekfabriek die materiaal aanleverde voor licht en special effects.

Aan het eind van de negentiende eeuw was Sir Henry Irving de eerste persoon die ervoor zorgde dat de toeschouwers helemaal in het donker zaten. Hij was zelf ook acteur en wist dus dat er een heleboel dingen in het publiek konden gebeuren die de aandacht van de kijkers van het podium konden afleiden. Toch was het niet een nieuw idee. Al zo’n driehonderd jaar eerder had Leone di Somi in zijn handboek voor theater opgeschreven dat het effect van licht op een podium veel groter was wanneer het daaromheen donker was.

 

Alles is mogelijk, en meer…

In de twintigste eeuw is het licht even belangrijk in het theater als bijvoorbeeld geluid, decor en beweging. Alle aspecten van het theater spelen inmiddels een even belangrijke rol.

Met de ontwikkeling van computertechnieken is er nauwelijks meer een effect te bedenken dat niet meer op het podium kan worden uitgevoerd. Met de hulp van multimedia kunnen uitgestorven wezens weer als levend worden opgevoerd, acteurs lijken werkelijk te kunnen vliegen en de toeschouwers wanen zich nu eens in de jungle, dan weer in een huiskamer.

Licht, geluid en zelfs geur worden ingezet om de zintuigen van het publiek te prikkelen en theater tot een totaalervaring te maken. En net als je denkt dat nu écht alles kan, wordt er weer een nieuwe techniek uitgevonden die nieuwe perspectieven opent.

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2