Van kleur en stof tot personage

Theaterkostuums door de eeuwen heen

uit: Jesse Goossens, Dit is Theater

 

‘Rare jongens, die Romeinen,’ is de geliefde uitspraak van Obélix. En gelijk heeft hij.

Het is natuurlijk op z’n minst gezegd ‘een beetje vreemd’ om met plezier toe te kijken hoe in een arena mensen aan stukken worden gescheurd door wilde beesten of worden verpletterd door stieren – een gebruikelijke straf in het oude Rome voor christenen en misdadigers. Maar de Romeinen gingen nog een stapje verder in hun vermaak. Om de voorstelling op te leuken werden de slachtoffers in kostuums gehesen, waardoor de gruwelijke straf een echte theatervoorstelling voor de toeschouwers werd.

Volgens de mythe verleidde de oppergod Zeus het mooie meisje Europa door zichzelf in een witte stier te veranderen en haar op zijn rug te laten klimmen. Wat is er dan vermakelijker dan een vrouw aan te kleden als Europa, haar vast te binden op een wilde stier en haar zo haar dood in te sturen? Of om een man te verkleden als Orpheus en hem dan met beren te laten vechten? Je weet al van tevoren dat de werkelijkheid net zo zal verlopen als het oude verhaal: Orpheus wordt aan stukken gescheurd door de beesten uit het bos…

 

Als we tegenwoordig praten over ‘theaterkostuums’ denken we aan de kledij die de mensen in verschillende historische periodes hebben gedragen. Maar wat ze in die tijd op het podium aantrokken om zelf een theaterstuk op te voeren, zijn niet altijd de kledingstukken die op dat moment in de mode waren.

 

Aangeplakte lichaamsdelen

Bij de toneelstukken van de oude Grieken stonden acteurs voor een koor. Alle koorleden waren meestal in dezelfde kostuums gehesen. Dat gaf een mooi totaalbeeld. Bij de voorstelling Vogels bijvoorbeeld, van de schrijver Aristophanes, droegen alle koorleden een zwart gewaad en hadden ze op hun hoofd een masker van een grote open vogelbek.

De acteurs die voor het koor stonden, moesten goed opvallen. Bij de tragedies stonden deze spelers op hoge plateauzolen. Ze droegen een groot masker, en om alles een beetje in verhouding te brengen werden er aan hun kostuums vaak grote neparmen vastgenaaid, waardoor het leek alsof er een meer dan levensgroot wezen stond te acteren.

Bij de komedies was het kostuum aangepast om de lach van het publiek op te wekken. Vaak waren de acteurs halfnaakt en niet zelden droegen ze een enorme voorbindpiemel: de grappen gingen ook vaak over seks.

Omdat het publiek van een afstand toekeek moest goed duidelijk zijn welke acteur welke rol speelde. Iedere toeschouwer wist dan ook dat de man in het gele kledingstuk waarop paarse figuren en gouden sterren waren geborduurd de god Dionysus moest voorstellen. Als een persoon in een paarse of gouden jurk verscheen, moest dat een godin of een andere belangrijke dame zijn. En soldaten kon je niet uit het oog verliezen doordat ze grote bossen veren op hun helm hadden vastgemaakt.

 

De betekenis van kleur

De kleuren van de kostuums werden in de Middeleeuwen nog belangrijker. In die tijd vonden de acteurs historische correctheid absoluut niet belangrijk. Dat zie je ook op schilderijen: op een afbeelding van bijvoorbeeld de kruisiging van Jezus, zie je dat de soldaten in middeleeuwse kledij rondlopen.

Op het podium droegen de acteurs dan ook kleding uit hun eigen tijd. Hierbij wist het publiek door de kleur met wat voor een type ze te maken hadden. Deze kleurcode was afkomstig uit de kerk: kleur werd gezien als aards, en dus slecht. Alles wat rein, eerlijk en goddelijk was, werd dus in wit afgebeeld.

Rood was de slechtste kleur: de duivel ging in rood gekleed. Rood symboliseerde de hel en de gevaren van lust en seks. Nog steeds wordt rode lingerie als het meest prikkelend, het meest sexy en dus het gevaarlijkst gezien.

Heiligen werden gespeeld in de rustige, hemelse kleur blauw. Maar wanneer een man in het geel het podium betrad, hield het publiek zijn adem in: dat was een onbetrouwbare ongelovige verrader. Zelfs in het dagelijks bestaan kon je beter geen geel dragen, hooguit in handschoenen of iets anders kleins.

Kostuums van goede mensen hadden ook altijd maar één kleur: helemaal blauw of helemaal wit. Streepjes en andere patronen in verschillende kleuren werden als negatief gezien. De nar, of een andere zot, droeg dan ook meestal een pak in de kleurencombinatie geel-groen; iemand die dat droeg kon ze onmogelijk allemaal op een rijtje hebben.

 

Typetjes

Zoals kleuren een boodschap op het publiek overbrachten, waren er ook standaardkostuums voor bepaalde typen. Een man in een zwart pak waarop een skelet was afgebeeld, was natuurlijk de dood. En de figuur met een dierenkop, of met een staart, kon alleen maar de duivel zijn.

In de commedia dell’arte werden deze typetjes ook doorgevoerd. De ‘gewone’ mensen, de jonge geliefden, droegen de kleding uit die tijd, maar de karakters die hen omringden hadden voorgeschreven pakken aan. Zo droeg de harlekijn een pak waarop allemaal veelkleurige lapjes waren vastgenaaid – een zot dus – en op zijn hoofd stond een pet met een vossenstaart eraan, het symbool voor spot. Pantalone, de handelaar, droeg onveranderlijk een rode strakke broek, een rood mutsje en een lange zwarte cape. En de dokter was getooid met een statige zwarte vilten hoed en een witte geplooide kraag.

Het publiek wist dus precies welke figuur welke kleding droeg. En bij de kostuums die de acteurs aanhadden moesten de toeschouwers ook vaak hun fantasie gebruiken. Als er werd gezegd ‘als ik deze cape omdoe ben ik onzichtbaar’, ging het publiek ervan uit dat diegene voor de andere acteurs niet zichtbaar was als hij die mantel om zich heen had geslagen. Verbeelding was, en is, toch onontbeerlijk bij het kijken naar een theaterstuk.

 

Tweedehands kostuums

In de Renaissance wilde het publiek zo mooi mogelijke kleding zien. Vaak waren de kostuums van de theatergezelschappen de kostbaarste items die ze in hun bezit hadden. Destijds werden de groepen vaak van de noodzakelijke middelen voorzien door een beschermheer: een man van adel, of nog beter, een lid van het koninklijk huis.

Deze beschermheer, de patroon, zorgde ervoor dat de kostuums tot op het laatste detail van kostbare stoffen en bijzondere kant en knoopjes konden worden gemaakt. Eén jurk of pak kon meer kosten dan wat een acteur in een jaar verdiende. De patroon was nog het goedkoopst uit als de kostuums van zijn eigen familie afkomstig waren: de afdankertjes, kleding die al vaak gedragen was, waaraan iets kapot was gegaan of die de eigenaar niet meer paste, werden opgelapt en op het podium gedragen.

Pas vanaf de achttiende eeuw werd er naar historische juistheid gestreefd. Kostuummakers maakten gebruik van afbeeldingen om te kijken hoe mensen er in de periode waarin een stuk speelde uit hadden gezien. Sindsdien is alles mogelijk: de kroning van Napoleon kan worden nagespeeld in het kostuum dat hij op het beroemde schilderij aanheeft, een komedie kan worden opgevoerd waarbij alle personen herkenbare typetjes zijn, in een stuk kan ieder kostuum een symbolische betekenis hebben. De costumiers hebben – binnen de grenzen die de regisseur hun stelt – de vrije hand.

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2