De lachspiegel die de wereld weerkaatst

Komedie door de eeuwen heen

uit: Jesse Goossens, Dit is Theater

 

Dionysus was de god van de vruchtbaarheid. Net als alle goden werd hij vereerd met dans en muziek. Maar Dionysus was ook de god van de wijn. Zijn aanbidders móésten deze drank dus wel eer aandoen: ze dronken het godenvocht bij hun rituelen en het ene glas volgde op het andere.

De Dionysusverering liep steeds meer uit de hand: vrouwen trokken hun kleren uit, mannen vierden hun lusten bot. En drank maakt meer kapot dan je lief is… De volgelingen van de god rukten in extase met hun blote handen beesten en zelfs mensen aan stukken en aten het rauwe vlees terwijl het bloed langs hun kin droop.

 

Geïnspireerd door de vele wijn vlogen de schuine grappen tijdens de bacchanalen over en weer. Steeds vaker stonden grappenmakers op, vroegen de aandacht en voerden hun stukjes op.

Later was de wijn niet meer nodig. Er werd een nieuwe manier van Dionysusverering gevonden: theaterfestivals. Schrijvers schreven drie tragedies en één grappig stuk, een saterstuk, in de hoop de grote theaterprijs te winnen.

 

Satire, parodie en romantische komedie

In het begin waren de saterstukken behoorlijk grof. De schrijvers kozen een onderwerp of een persoon uit waarvan ze wisten dat het publiek er kritiek op had. Daar scholden ze vervolgens lustig op los, waarmee ze gemakkelijk de lachers op hun hand kregen. Nog steeds wordt het woord ‘satire’ gebruikt voor een tekst of theaterstuk waarin iemand of iets belachelijk wordt gemaakt. De grappen waren vaak behoorlijk kwetsend, of puur leedvermaak. Ook grove humor over seks viel goed in de smaak bij het publiek.

Maar na een jaar of honderd hadden de toeschouwers het wel gehad met deze moppentappers. Langzaamaan ontstond een nieuwe vorm van komedie: de parodie. Bekende verhalen, mythen of toneelstukken die iedereen kende, werden op een humoristische manier nagespeeld. De gedragen taal waarin de tragedies waren geschreven werd bespot, helden werden slapjanussen en de tragisc-->->e momenten uit de verhalen werden zo verdraaid dat het publiek de absurditeit ervan inzag en zich bescheurde van het lachen.

De scherpe kantjes sleten steeds meer van de komedie af en vanaf ongeveer 350 voor Christus werden vooral liefdesproblemen het middelpunt van de lach.

 

De ondergang van de lach

De Romeinen hielden helemaal niet van zware tragedies en kwamen alleen maar naar het theater als er gelachen kon worden. De humor op het toneel werd steeds platter: de voorstellingen gingen alleen nog maar over seks en geweld, iets wat de kerk een doorn in het oog was.

Het was dan ook niet verwonderlijk dat de geestelijken in de Middeleeuwen een einde probeerden te maken aan de komedie. Maar juist als iets verboden is, wordt het natuurlijk extra spannend. In het geheim bleven komedieauteurs stukken schrijven. Acteurs doken op tijdens dorpsfeesten en aapten daar tot groot vermaak van het publiek het kerktoneel na.

Na enige tijd mochten van de kerk weer theaterstukken op straat worden opgevoerd, de zogenaamde mirakelspelen. Deze voorstellingen gingen over de wonderbaarlijke levens van heiligen. Zodra het toneel buiten het bereik van de kerk kwam, slopen er steeds meer komische elementen in.

 

Terug naar de oude tijd

In de Renaissance werden de oude theaterstukken van de Griekse en Romeinse theaterschrijvers weer opgepakt. Het stof werd eraf geblazen, hier en daar werden de stukken bijgeschaafd en toen kon het publiek weer genieten van tragedies.

Maar veel tragedies duurden zo lang dat het moeilijk was de aandacht van het publiek vast te blijven houden. Daarom werden de lange stukken steeds vaker onderbroken door een pauze waarin een luchtig tussenspel werd opgevoerd. Deze lachwekkende sketches waren bedoeld om het publiek even een adempauze te gunnen. Er wordt juist vaak harder gelachen om flauwe moppen als je een hele tijd ernstig en serieus hebt moeten zijn.

Deze tussenspellen groeiden langzaam uit tot op zichzelf staande komedies. Ook daarbij werd teruggegrepen naar de vormen uit het verleden. William Shakespeare ging bijvoorbeeld op de romantische toer, terwijl een andere beroemde toneelschrijver uit die tijd, Ben Jonson, zich liet inspireren door de oude satires.

 

De karakterkomedie

Vanuit Italië veroverde de commedia dell’arte de westerse wereld. In deze geïmproviseerde komedies draaide het verhaal altijd rond een aantal vaste typen: de harlekijn, dat was de slimme bediende, de dokter, de legerkapitein, de handelaar en het verliefde paar.

De karakters stonden vast en daaromheen speelden zich verschillende verhalen af. Het publiek herkende de vaste eigenschappen van de personages. Dat deze karakters nooit konden veranderen, waardoor iedere keer opnieuw de bediende zijn baas te slim af was, zorgde voor de lol bij het publiek.

Vanuit deze commedia dell’arte verfijnde de Franse toneelschrijver Molière (pseudoniem van Jean Baptiste Pocquelin) de karakterkomedie. In zijn theaterstukken gaf Molière zijn hoofdpersoon altijd één belangrijke karaktertrek, die hij sterk uitvergrootte, waardoor het lachwekkend werd. Zo is Tartuffe uit het gelijknamige stuk een hypocriet, een schijnheilige huichelaar die doet alsof hij heel gelovig is om zo alles wat hij wil te pakken te krijgen. De complete titel van het stuk luidt dan ook: Tartuffe of De Hypocriet. Ook andere titels van Molières toneelstukken spreken voor zich: De vrek, De ingebeelde zieke, De bedrieger, De misantroop of de mensenhater.

 

De tranentrekkers

Rond de zeventiende en achttiende eeuw kwam vanuit Frankrijk weer een nieuwe stijl van komedie op, de ‘comédie larmoyante’, wat letterlijk vertaald ‘de beklagenswaardige komedie’ betekent.

In deze verhalen draait alles om de goedheid van de mens. Alle theaterpersonages zijn in wezen goed, ze helpen anderen en geven gul alles wat ze bezitten aan degenen die het meer nodig hebben. Ze maken wel fouten, maar dat is omdat ze menselijk zijn. Erg braaf dus. Het is de bedoeling dat de toeschouwers zich laten meevoeren in de ellende die de personen op het toneel meemaken. Het liefst zien de schrijvers van deze komedievorm het publiek huilen.

Maar als de tranen goed stromen, komt het uiteindelijk toch allemaal goed. De lach bij deze vorm van komedie gaat niet over hoe stom mensen kunnen zijn. De toeschouwers worden vrolijk van het idee dat ze eigenlijk hartstikke goed zijn, hoeveel fouten ze ook maken. Daar herkennen ze zich graag in: iedereen geeft toch wel eens toe aan zwakheden? Deze comédies larmoyantes geven het idee dat dat hoort bij het leven.

Na de brave komedies verstilt de lach in de theaters een poosje.

 

De zedenkomedie

Aan het eind van de negentiende eeuw veroverde Oscar Wilde de theaters met zijn ‘comedy of manners’. Deze komediesoort bestond eigenlijk al in de zeventiende eeuw, maar Wilde blies het genre nieuw leven in.

In deze vrolijke theaterstukken werd de bovenlaag van de samenleving onder de loep genomen. De mensen van stand moesten het ontgelden. De verhalen gingen over de wereld van schijn die de rijken wilden ophouden: tegenover de buitenwereld doen deze mensen alsof ze deftig, goedgemanierd en rustig zijn. De werkelijkheid is wel anders, zo leert deze komedie. Achter hun nette maniertjes laten deze mensen zich vooral leiden door lust en hang naar geld en macht.

Grappig genoeg werd deze vorm van komedie vooral geschreven door homoseksuele auteurs, zoals Wilde en Noel Coward: het was de ideale manier om te schoppen tegen de wereld waarin zij zich anders voor moesten doen dan ze zich voelden, waarin ze voortdurend moesten toneelspelen.

 

De harde wereld

Vanaf het begin van de twintigste eeuw volgen de komediestijlen elkaar in hoog tempo op. George Bernard Shaw verfijnde zich in de ‘ideeënkomedie’: daarin werden de normen en waarden die in de maatschappij werden gehanteerd, aan de kaak gesteld.

Iemand als Samuel Beckett specialiseerde zich in het absurdisme, dat eigenlijk tussen komedie en tragedie in hangt. Zijn stukken laten zien hoe hopeloos, hulpeloos en zinloos het menselijk bestaan eigenlijk is. Er is eigenlijk geen reden waarom we de dingen doen, zegt Beckett, behalve de reden die we er zelf voor verzinnen. Wachten op Godot is daar een prachtig voorbeeld van: de twee mannen die nergens heen kunnen, geen actie kunnen ondernemen omdat ze moeten wachten op Godot. Maar Godot komt niet. Toch blijven ze wachten: Godot is hun excuus om geen beslissingen te nemen. Zo gebeurt er niets.

Hoe mensen vast blijven zitten in door henzelf gekozen patronen wordt duidelijk in de stukken van Alan Ayckbourn. Hij schrijft ‘zedenkomedies’ waarin korte metten wordt gemaakt met de schijn die de mensen ophouden: eigenlijk is hij een soort moderne Oscar Wilde. In zijn Prettige feestdagen bijvoorbeeld probeert een familie tijdens de kerstviering het ‘saamhorige familiegevoel’ hoog te houden, want zo hoort het toch. Maar dat lukt natuurlijk voor geen meter…

Harold Pinter is een voorbeeld van een toneelschrijver van ‘zwarte komedie’. Op wrange, humoristische wijze toont hij aan hoe wreed de wereld is. Hoe meedogenloos mensen met elkaar omgaan om het beste voor zichzelf te verkrijgen. In zijn stukken, zoals Het verjaardagsfeest en De huisbewaarder, komt er onverwacht iemand het leven van de hoofdpersonen binnen en zet dat volledig op zijn kop. Het publiek blijft, net als de personages, onwetend over wie deze indringer is en waarom hij deze geregelde levens overhoop haalt.

Geen vrolijke thema’s eigenlijk, zinloosheid en ongevoeligheid, maar het is juist de lach die het publiek aan het denken kan zetten. Al duizenden jaren lang.

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2003

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Dit is Theater.
Lemniscaat, 2003
ISBN: 90 5637 565 2