Het is jammer dat de vlaggen niet wapperen, denkt Shaun
als hij voor de hekken van het hoofdkwartier van de Verenigde Naties staat.
Hij is hier vaak langsgekomen terwijl zes blokken lang van 42nd tot
48th Street maar liefst honderdeenenvijftig vlaggen wapperden, van
de landen Afghanistan tot Zimbabwe. Hij ziet wel de lichtblauwe vlag van
de Verenigde Naties: in het wit is een wereldkaart afgebeeld, waaromheen
olijftakken staan, het symbool van de vrede.
Hij is op excursie met zijn schoolklas uit Harlem. Ze zullen zo direct een rondleiding krijgen door het VN-gebouw. Als voorbereiding hebben ze al een paar lessen over de geschiedenis van de Verenigde Naties gehad.
De VN werden na de Tweede Wereldoorlog opgericht om ervoor te zorgen dat er overal op de wereld vrede zou zijn. De landen die zich bij de VN hebben aangesloten, willen dat arme mensen een beter leven krijgen, zonder honger, ziekte en oorlog; en dat de rechten en vrijheden van iedereen op de wereld worden beschermd. Dat proberen ze nu al zestig jaar voor elkaar te krijgen, maar het is nog niet gelukt.
Wat Shaun vooral spannend vindt is dat hij straks, als hij de hekken is gepasseerd, niet meer op Amerikaanse bodem staat, maar in een zogenaamde Internationale Zone. De juf heeft uitgelegd dat op het grondgebied van de Verenigde Naties, ook al ligt dat aan de East River in Manhattan, New York, niet de Amerikaanse wetgeving, maar de regels van de Verenigde Naties gelden. Shaun is nog nooit uit New York weg geweest deze rondleiding is dus eigenlijk een soort vakantie naar het buitenland.
Na de beveiligingscontrole komt Shaun een grote hal binnen. In een hoek van de hal staan jongemannen in een net pak achter een tafel met naamkaartjes. Shaun loopt erop af en kijkt of zijn naam ertussen zit. Op ieder kaartje staan, behalve een naam, wel vier logos afgebeeld. Hij herkent het logo van het Jaar van de Sport, dat heeft hij op school gezien. In de blauwe kleur van de Verenigde Naties staat er UNFIP en UNDP, en rechtsboven in het kaartje staat een rode bal afgedrukt, met eronder de woorden Right To Play. Shaun wil het plaatje juist beter gaan bekijken als hij door zijn juffrouw bij de tafel wordt weggetrokken.
Dat is niet voor ons, Shaun, zegt ze. Bij de klas blijven.
Wat is Right To Play? vraagt Shaun. Zijn juf kijkt hem verbaasd aan. Het recht om te spelen, dat weet je toch wel? Maar voor Shaun kan uitleggen wat hij bedoelt, geeft ze hem een duwtje in de rug. Kom op, de rondleiding begint. Terwijl hij met de groep meeloopt naar een rustig plekje waar de gids over de geschiedenis van de Verenigde Naties begint te vertellen, denkt hij na over het recht om te spelen. Iedereen kan toch spelen wanneer hij wil? Shaun gaat na schooltijd vaak met zijn vriendjes basketballen in St. Nicholas Park. Er zijn veel parken en open speelplekken in Manhattan, dus er is altijd ruimte om te spelen.
Of zou Right To Play betekenen dat alle kinderen op alle speelplekken moeten kunnen spelen? Er zijn speeltuinen in Manhattan die alleen voor rijke kinderen zijn, of waarvan je lid moet worden en dat kost veel geld. Shauns zus Jaye is nanny bij een rijke familie in de Upper East Side. Jaye heeft verteld dat in het gebouw waar de familie woont een speciale speelplek is waar alleen de kinderen uit dat gebouw mogen spelen. Maar die is bijna altijd leeg als het mooi weer is, zegt Jaye, want dan gaan alle kinderen toch liever naar Central Park.
Of wil Right To Play
Shaun, je staat weer te dromen, roept zijn juffrouw. Hij ziet dat de klas verder loopt, achter de gids aan. Hij moet nu toch opletten straks is hij de Verenigde Naties alweer uit en heeft hij niets gezien.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2005
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Right
To Play.
Een wereldboek, een verhalenboek, een doeboek en een fotoboek.
Lemniscaat, 2005
ISBN: 90 5637 749 3