Ik loop tussen de wolkenkrabbers, langs brede straten
vol voorbijzoevende autos en gele taxis. New York is even wennen,
na de rode aarde van Mali, het stoffige landschap van Palestina en de groene
heuvels van Rwanda. Ik ben op weg naar het hoofdkwartier van de Verenigde
Naties.
Daar wordt een bijeenkomst georganiseerd van de Internationale Werkgroep voor Sport voor Ontwikkeling en Vrede. Johann Olav Koss is een van de bedenkers van deze werkgroep. Hij vindt dat sport en spel niet alleen in de Right To Play projecten, maar overal op de wereld bij alle regeringen van alle landen een rol moeten gaan spelen. Straks zit ik tussen ministers van over de hele wereld, atleten, mensen van de Verenigde Naties en verschillende sportverenigingen die gaan praten over hoe ze dat voor elkaar moeten krijgen.
Als ik bij de Verenigde Naties kom aanlopen, staat een eerste schoolklas al te wachten bij de bezoekersingang. Over een uurtje zal de drukte nog groter zijn dan verdringen de busladingen toeristen zich om op tijd te zijn voor een van de rondleidingen door het gebouw die in maar liefst twintig talen worden gegeven.
Lees: Het recht om te spelen
Er is een strenge controle voor ik in het hoofdkwartier naar binnen mag. Mijn tas wordt doorzocht en ik moet door een detectorpoortje lopen zodat de beveiligingsmensen weten dat ik geen metalen voorwerpen mee naar binnen smokkel.
Ik krijg in de hal twee naamkaartjes om mijn hals waarmee ik vrij door het gebouw mag lopen. Het is even zoeken naar de eerste conferentiezaal waar de ochtendvergadering plaatsvindt. In halve cirkels staan tafels en stoelen opgesteld. Voor in de zaal staat een rechte rij tafels, waar de naambordjes voor de voorzitters van de vergadering klaar staan.
Als iedereen gaat zitten, zie ik dat er achter iedere stoel twee andere stoelen staan. Die zijn voor een assistent en een tolk want niet iedereen spreekt even goed Engels, de taal die tijdens de bijeenkomst wordt gesproken. Een van de eerste sprekers is Dennis Bright. Hij is minister van Jeugd en Sport in Sierra Leone. Hij is naar de Verenigde Naties gekomen om aan de andere ministers te vertellen hoe belangrijk hij sport vindt niet alleen voor kinderen, maar ook voor volwassenen en zelfs voor een heel land. Hij heeft dat met eigen ogen gezien. Maar hij weet ook dat het heel moeilijk gaat worden om iedereen daarvan te overtuigen. De meeste mensen denken nog steeds dat sport alleen maar een leuke manier is om je vrije tijd mee door te brengen en niet meer dan dat.
Er is niets stommer dan oorlog, zegt hij tegen de ministers die zich in de vergaderzaal van de Verenigde Naties hebben verzameld. En zoiets simpels als sport kan helpen op te bouwen wat door de oorlog kapot is gemaakt.
Sport helpt! zegt Dennis Bright tegen de ministers. Kinderen worden er gezonder door, sportclubs helpen bij de verspreiding van informatie over hiv/aids én iedereen wordt vrolijker en gelukkiger. Hij gaat onwillekeurig harder praten. Kijk om je heen! Dan zie je dat sport en spel een magisch effect hebben op jonge mensen ze vinden het heerlijk om al spelend van alles te leren. Het is de hoogste tijd dat de regeringen van over de hele wereld dat begrijpen; hun volk wordt er alleen maar beter van! Een enthousiast applaus vult de zaal. Tevreden leunt Dennis Bright achterover in zijn stoel. Zijn boodschap is overgekomen.
Tussen alle mannen in donkere maatpakken valt één jongeman op. Hij zit in de vergaderbanken in een batakari, een kleurig traditioneel gewaad uit Ghana.
Zijn naam is Emmanuel Yeboah. Hij is atleetambassadeur van Right To Play.
Lees: Fietsen met één been
Voor de lunch gaat iedereen naar een speciale ruimte.
Daar is een hele wand met grote ramen, waardoor je een prachtig uitzicht
hebt op New York. Boven de gebouwen torent het Chrysler Building uit
de wolkenkrabber die een toren heeft als het radiatorscherm van een auto
uit de jaren dertig. Terwijl het eten wordt geserveerd door obers
die zo zachtjes tussen de tafels doorlopen dat ze lijken te sluipen, worden
ook nu weer verschillende speeches gehouden. Er is een man die ballen heeft
meegenomen van over de hele wereld: gemaakt van plastic zakjes, van kapotgesneden
autobanden, van gevlochten riet of bananenbladeren. Hij laat zien dat kinderen
hoe weinig ze ook hebben altijd wel bedenken hoe ze zelf een
bal kunnen maken om mee te spelen. Hij vertelt hoe belangrijk het is om
te spelen en om creatief te zijn, ook als je al volwassen bent.
Daarna komt een van de beroemdste economen van de wereld aan het woord. Hij heeft net een boek uitgegeven dat Het einde van de armoede heet. Hij gelooft dat een wereld mogelijk is waarin niemand arm is. Stel je voor, zegt hij. Drie miljoen kinderen sterven alleen al dit jaar aan malaria, terwijl een goede behandeling nog geen euro kost.
Als hij is uitgesproken steekt een jonge vrouw met een wilde bos krullen haar hand op. Ik ben Jessie Stone, zegt ze. Zij is een atleetambassadeur van Right To Play. Ik hoorde u praten over malaria, en ik wil u graag uitnodigen om naar Oeganda te komen. Ik run daar namelijk een malariaproject.
Het vliegtuig van Adolf Ogi is op tijd geland, zodat hij s middags
bij de bijeenkomst kan zijn. Het hele gezelschap heeft zich nu verzameld
in de ecosoc-zaal, de ruimte waar normaal gesproken de Economische en Sociale
Raad van de Verenigde Naties vergadert.
Het is toepasselijk
dat ECOSOC onder andere de taak heeft om de Rechten van de Mens te bewaken
dus ook het recht om te spelen. Adolf Ogi is een van de belangrijkste
mensen van de Verenigde Naties. Hij is Ondersecretaris Generaal en Speciaal
Adviseur van Kofi Annan over Sport voor Ontwikkeling en Vrede. Hij is bovendien
twee keer president van Zwitserland geweest.
Adolf Ogi is een goede vriend van Johann Olav Koss. Hij vindt het ook verschrikkelijk belangrijk dat sport en spel overal in de wereld een rol gaan spelen. Hij vertelt aan alle mensen die zich in de ECOSOC-zaal verzameld hebben waaróm sport zo belangrijk is.
Kijk naar Pakistan en India, zegt hij. Deze landen voeren al jarenlang een verwoede strijd over het grondgebied Kashmir, maar komen samen om cricket te spelen. Of kijk naar Israël en Palestina, gaat Adolf Ogi verder. Door Right To Play spelen Israëli en Palestijnen samen dat is iets wat een tijd terug niemand voor mogelijk had gehouden.
Niet alleen bij oorlog kan sport een onderdeel van de oplossing zijn, legt Adolf Ogi uit. Sport kan ook helpen arme mensen nieuwe kracht te geven. Het is een middel om mensen iets te leren. En het kan er zelfs voor zorgen dat het beter gaat met de economie in een land. Adolf Ogi was in Brazilië om daar projecten te bekijken die met de hulp van sport en spel het bestaan van kinderen uit de sloppenwijken en het leven van gevangenen verbeteren.
Lees: De voetbal van Vitor
Met de hulp van sport en spel wil ik een nieuwe generatie kweken, besluit Adolf Ogi zijn speech. Een generatie voor een betere wereld. Wij zijn bergbeklimmers. Als bergbeklimmer krijg je te maken met steile hellingen, slecht weer en andere tegenslagen. Soms heb je het verschrikkelijk zwaar. Je hebt uithoudingsvermogen nodig. Maar uiteindelijk zul je de top bereiken.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2005
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Right
To Play.
Een wereldboek, een verhalenboek, een doeboek en een fotoboek.
Lemniscaat, 2005
ISBN: 90 5637 749 3