Het is zes uur in de ochtend als ik op het vliegveld
van Amsterdam sta om in te checken. Ik vlieg vandaag naar Kigali, de hoofdstad
van Rwanda, in het hart van Afrika.
Vanmorgen om vier uur controleerde ik voor de laatste keer of ik al mijn spullen op zak had: mijn tickets (Amsterdam-Brussel en Brussel-Kigali), mijn paspoort, en vooral: de uitnodigingsbrief die ik nodig heb om straks, in Kigali, een visum te kunnen krijgen.
De brief komt van een olympische hardloper, Charles Nkazamyampi. Hij nodigt me uit om een week lang speeldagen en sportactiviteiten te bezoeken in verschillende delen van Rwanda, met spannende namen als Nyamirambo, Butamwa, Kanombe en Kacyiru.
Ik zet mijn tas op de lopende band die ervoor zorgt dat de bagage in het juiste vliegtuig terechtkomt. De vrouw die de band bedient pakt mijn paspoort en tickets, typt iets in op haar computer en kijkt dan naar mij. Het spijt me, zegt ze, maar ik mag u niet mee laten gaan op deze vlucht, want u heeft geen visum voor Rwanda.
Dat geeft niet, leg ik uit, want ik kan een visum kopen op Kigali Airport, dat heb ik allemaal al uitgezocht. Kijk maar, ik heb alle papieren die ik nodig heb. En ik laat haar de uitnodigingsbrief zien.
Ze kijkt er nauwelijks naar. Een uitnodiging is geen visum, zegt ze streng. U kunt niet mee. En ze scheurt demonstratief mijn ticket Brussel-Kigali doormidden.
Goed, zeg ik. Ik heb ook nog een ticket naar Brussel. Daar heb ik geen visum voor nodig. Ik ga daar gewoon naartoe en dan zie ik wel hoe ik verder kom.
De vrouw haalt haar schouders op. Ze drukt op een knop en mijn tas verdwijnt in de richting van het vliegtuig. O ja, roept ze me nog na als ik al wegloop. Vergeet je tas niet op te halen in België, want die sturen we ook niet door naar Rwanda.
**
In het kleine vliegtuig naar Brussel bedenk ik wat ik zal doen.
Mijn ticket is verscheurd. Ik heb geen visum. Maar ik heb wel het bewijs dat ik mijn ticket heb betaald, én de brief van Charles Nkazamyampi. Ik besluit het erop te wagen.
Op het vliegveld van Brussel haal ik eerst mijn tas op en loop dan langs de balies waar je kunt inchecken voor de vlucht naar Rwanda. Ik ga in de rij staan bij de man die er het aardigst uitziet en doe alsof er niets aan de hand is.
Als ik aan de beurt ben, glimlach ik zo vriendelijk mogelijk. Goedemorgen, zeg ik opgewekt. Ik ga vandaag naar Kigali, maar ik ben mijn vliegticket verloren. Ik heb wel het bewijs bij me dat ik betaald heb, kijkt u maar, en ik geef hem alle papieren. Er zit ook een uitnodiging bij om naar Rwanda te komen. In mijn paspoort staat nog geen visum, maar dat kan ik op het vliegveld van Kigali regelen. De man lijkt een beetje overdonderd door mijn verhaal en bekijkt de papieren. Ik moet dit even overleggen, zegt hij. Hij loopt naar een man in een streng uitziend uniform. De mannen praten op fluistertoon en kijken ondertussen naar mij. Ik glimlach stralend terug.
De man komt terug en drukt op een knop op zijn computer. In orde, zegt hij, terwijl hij mij een nieuw ticket geeft. Ik wens u een prettige vlucht.
Na bijna negen uur vliegen sta ik opnieuw voor een balie. Ik heb het warm. Ook al is het zeven uur in de avond, het is hier vijfentwintig graden.
Boven de balie hangt een bordje: Visa. Er zit een jongeman achter die mijn paspoort en de uitnodigingsbrief aanneemt. Tja zegt hij nadat hij de brief gelezen heeft. Als iemand jou een uitnodiging wil sturen, moet hij eigenlijk eerst aan ons toestemming vragen. Dit kan niet zomaar Hij kijkt me even aan. Maar weet je wat? zegt hij dan. We doen alsof je deze brief nooit gekregen hebt. Hier hij geeft hem aan me terug. Dan krijg je gewoon een toeristenvisum. Hij vult een formulier in en zet een stempel in mijn paspoort.
Opgelucht loop ik Rwanda in.
Ik ben niet de enige die voor Right To Play naar Rwanda is gekomen: behalve de zes vrijwilligers die hier de projecten opzetten, zijn er nu ook mensen van het hoofdkantoor uit Canada, van de Amerikaanse Johns Hopkins universiteit en van de internationale ontwikkelingsorganisatie CARE.
Right To Play heeft een programma opgezet Live Safe, Play Safe waarin kinderen spelenderwijs van alles over hiv en aids wordt geleerd. Voordat het programma in Rwanda van start gaat, wordt onderzocht wat de kinderen in dit land al van hiv en aids weten. Als straks het programma een paar maanden draait, worden de vragen opnieuw aan hen gesteld. Dan zal duidelijk worden of Live Safe, Play Safe heeft gewerkt en de kinderen er iets van hebben opgestoken.
Ik sta met alle medewerkers voor het hotel te wachten op de Rwandese
onderzoekers die de kinderen straks in hun eigen taal het Kinyarwanda
zullen ondervragen. Ik blader een van de vragenlijsten door: Kennen
de kinderen mensen met aids? Zijn hun ouders aan aids overleden? Is het
waar dat je een hiv-besmetting kunt oplopen van een wc-bri
l? Of doordat je gestoken wordt door een mug? Of door tongzoenen?
De lijst is paginas lang.
Lees: Live Safe, Play Safe
De onderzoekers zijn inmiddels aangekomen. Twee minibusjes staan klaar om ons naar Butamwa te brengen. Het is wringen om allemaal mee te kunnen eenentwintig mensen op vier bankjes in één busje. Ik heb een plaatsje bij het raam en kijk mijn ogen uit naar de terracottarode aarde, de donkergroene struiken en de felgekleurde bloemen die overal in bloei staan. Ik zie felblauwe vogeltjes, nog kleiner dan mijn duim, en vlinders die groter zijn dan mijn vuist.
Direct buiten het stadscentrum maakt de geasfalteerde weg plaats voor een pad van aangestampte rode aarde waarin het regenwater diepe geulen heeft gesleten. Maar de chauffeur remt niet af; hij raast in volle vaart door alle kuilen, waardoor iedereen in de auto alle kanten op wordt geslingerd: tegen het dak, tegen de zijkant van de auto en tegen de medepassagiers. Langzaam word ik bont en blauw.
Rwanda wordt het land van de duizend heuvels genoemd en doet zijn naam eer aan. De heuvels van Kigali zijn af en toe zo steil dat de bus het nauwelijks redt. Langzaam als een slak kruipt hij naar boven, terwijl we allemaal onze adem inhouden, om weer uit te ademen als we de top bereiken; dan zoeven we rakelings langs groene ravijnen naar beneden.
Het kost bijna een uur om bij Butamwa te komen. Daar staan al een paar honderd kinderen in de zon te wachten. In een mum van tijd worden ze in een aantal gelijke groepen verdeeld en beginnen de coaches met het spel. Terwijl er gespeeld wordt roepen de onderzoekers één voor één kinderen bij zich om de vragenlijst met hen door te nemen.
Als ik door de straten wandel van Kigali, de hoofdstad van Rwanda, valt het me op dat het er zo stil is. Normaal gesproken hoor je in Afrikaanse steden overal muziek. Vrouwen zitten buiten met hun koopwaren. Kinderen spelen op straat. Mensen praten, lachen, zingen en roepen. Iedereen die langsloopt wordt uitgenodigd om even te komen zitten, iets te drinken en mee te praten. Maar hier is het anders er zijn geen handeltjes op straat, er klinkt geen luide muziek en ik zie nauwelijks spelende kinderen. Vreemdelingen in de stad worden anders bekeken. Het lijkt alsof de mensen het niet prettig vinden dat ik door hun straten loop.
Als ik tijdens een speelmiddag met Pierre, een van de vrijwilligers van Right To Play, naar een potje Kat en muis zit te kijken, vertel ik hem wat me is opgevallen. Je hebt gelijk, zegt Pierre. Kigali is anders dan andere steden in Afrika. Sinds de genocide is iedereen achterdochtig. Het lijkt soms wel of niemand elkaar meer vertrouwt, maar zo raar is dat niet als je bedenkt wat er gebeurd is.
Dat kan ik me voorstellen. In een kerk in Ntarama, twee uur rijden hiervandaan, kwam de geschiedenis voor me tot leven. In 1994 waren vijfduizend Tutsis deze kerk ingevlucht. Ze hadden de deur op slot gedaan, in de hoop veilig te zijn voor de woedende Hutus. Maar de moordenaars gooiden door de ramen handgranaten naar binnen, om gaten in de muren te slaan. Ze drongen de kerk binnen en vermoordden iedereen die aanwezig was: ze sloegen hun met stokken de schedels in, doorkliefden hun hoofden met machetes of speren, of joegen hun een kogel door het lijf. Eén man overleefde het door zich onder een stapel lijken voor dood te houden. Deze man leidde mij door de kerk waar al zijn familieleden en vrienden de dood hadden gevonden. We moesten over de banken lopen omdat op de grond nog steeds de botten, schedels, schoenen, tassen en andere resten liggen van de mensen die daar gestorven zijn.
Spelen hier nu Tutsis en Hutus door elkaar? vraag ik, terwijl ik naar de kinderen kijk die hand in hand in een cirkel staan.
Pierre begint te lachen. Dat is dus een vraag die je in dit land nooit moet stellen, zegt hij. Volgens de regering mag er geen onderscheid meer gemaakt worden tussen Tutsis en Hutus. Er is maar één volk: Rwandezen.
Maar jou kan ik het toch wel vragen, dring ik aan. Spelen ze met elkaar of niet?
Ja, ze spelen samen, antwoordt Pierre. Paul Kagame, de president van Rwanda, is een groot voetbalfan. Hij heeft er persoonlijk voor gezorgd dat in alle districten van Rwanda voetbalteams werden opgericht: jongensteams én meisjesteams. De regering moedigt de bevolking aan om met elkaar te sporten en daardoor het verleden te vergeten. Er wordt niet alleen gevoetbald; er worden ook volleybal- en basketbalwedstrijden georganiseerd. En het is duidelijk dat het werkt. Door sport wordt iedereen vrolijker. Tijdens het spelen is iedereen gelijk. En je hoort het Op het sportveld is het niet zo stil als in de stad.
Ik sta op een heuvel net buiten Kanombe voor een school: een lang, laag gebouw van gele stenen. De deuren en de getraliede ramen zijn helderblauw geschilderd. Voor het schoolgebouw liggen tegen de helling een uitgestrekt voetbalveld en een basketbalveld.
Binnen wordt lesgegeven. De klaslokalen zijn klein en hebben aan twee kanten ramen. De derde muur wordt helemaal gevuld door een schoolbord en tegen de achterwand hangen prenten: kleurige landkaarten van Afrika en Rwanda, afbeeldingen van de lichaamsbouw van gorillas en katten en een doorsnede van een menselijk hoofd.
Er staan drie rijen blankhouten bankjes in de klas. De banken en tafels zitten aan elkaar vast en in ieder bankje zitten twee of drie leerlingen. Een aantal zit ijverig te schrijven, maar de meesten kijken verlangend naar buiten, want daar mogen ze zo direct gaan sporten.
Als het eindelijk tijd is voor de gymles lopen de schoolkinderen in
keurige rijen naar buiten. Daar worden ze in groepen verdeeld, die ieder
met een eigen spel beginnen: voetbal, basketbal en kringspelen.
De leerlingen sporten in hun schooluniform: een lichtblauwe blouse
en een ecrukleurige broek of rok tot net over de knie. Er komen nu ook kinderen
uit de buurt tegen de heuvel op rennen. Ze sluiten zich bij de spelende
groepen aan. Als de gymles voorbij is, en de schoollessen weer beginnen,
blijven er tientallen dorpskinderen op het sportveld achter om met de coaches
door te spelen.
Lees: Voetbalvrienden
Een hotsende botsende busreis, recht tegen een steile heuvel op, brengt ons naar een plateau in Kacyiru waar een enorm speelveld is afgebakend; wel acht voetbalvelden groot. Aan de ene kant staan tegen de helling bomen die voor schaduw zorgen. Aan de andere kant loopt de heuvel af, Kigali in. Er staan lage huizen met kleurige muren. Ik zie hoe kinderen naar buiten komen rennen en aan de klim beginnen die wij er net op hebben zitten.
We zijn op het terrein van het Rode Kruis waar een weeshuis staat voor aidswezen; kinderen die hun ouders aan aids hebben verloren. Veel van deze kinderen zijn zelf ook besmet met hiv. Meer dan duizend kinderen wonen hier bij elkaar. Drie keer per week komen ze op dit veld samen om te spelen en te sporten. Als ze klaar zitten onder de bomen, wachtend op hun coaches, zien de kinderen uit de huizen beneden dat er gespeeld gaat worden. Dat is voor hen het startsein om ook naar het speelveld te komen, want iedereen is welkom.
Lees: Coach2Coach

Het enige stuk speelgoed dat op het sportveld van het Rode Kruis te vinden is, is een bal. De bal wordt in een cirkel, met een coach in het midden, heen en weer gevolleybald. Alles speelt door elkaar: jongens en meisjes, jong en oud. Jonge vrouwen dragen hun babys op hun heup of in een draagdoek op hun rug, zodat ze hun handen vrij hebben om te spelen. Overal klinkt geroep en gelach. Er worden klap- en zangspelletjes gedaan. Twee groepen spelen estafette met bamboestokken. In een grote kring worden achter de ruggen van alle aanwezigen om stenen doorgegeven en degene die in het midden staat, moet raden waar ze zijn. Een hele rij jongens en meisjes vormen levende kruiwagens en racen om het hardst. Iemand heeft een oude velg van een wiel gevonden. Om beurten spelen jongens ermee. Door ertegen te slaan met een stok, laten ze hem als een hoepel voor zich uit rollen, het hele pad langs het speelveld af en weer terug.
Eén bal en duizend kinderen, maar niemand verveelt zich. Wie fantasie heeft, kan altijd spelen.

Op een veld in Nyamirambo bezoek ik een speeldag van de Fondation Sports Pour la Paix Sport voor Vrede. Een van de mensen die voor deze organisatie werkt is Charles Nkazamyampi. Charles is atleetambassadeur van Right To Play.
Hij werd in Burundi geboren, een land dat aan het zuiden van Rwanda grenst. Zijn hele leven heeft Charles gerend: terwijl hij het vee van zijn familie hoedde, op weg van en naar school hij genoot ervan. Hij vond het dan ook geweldig toen hij door zijn school werd uitgekozen om mee te doen aan hardloopwedstrijden: eerst won hij de schoolwedstrijden, daarna werd hij landskampioen, hij won goud op de Afrikaanse kampioenschappen en bracht het zelfs tot de kwartfinale van de Olympische Spelen in Atlanta.
De Spelen in Atlanta werden vlak na de eerste Golfoorlog tussen de Verenigde Staten en Irak georganiseerd. Op een gegeven moment zou er een voetbalwedstrijd tussen de VS en Irak worden gespeeld en iedereen hield zijn adem in: daar zouden vast problemen van komen. Maar dat gebeurde niet; het was een prachtige wedstrijd. Het bleek niet uit te maken wat voor geloof iemand had, uit welk land hij kwam of wat zijn politieke overtuiging was: tijdens die voetbalwedstrijd telde alleen de sport.
Op dat moment besloot Charles dat hij sport wilde gebruiken om kinderen te helpen. Hij keerde terug naar Burundi en begon daar sportfestivals voor straatkinderen te organiseren. Maar de politieke situatie in Burundi werd te gevaarlijk, dus Charles verhuisde naar Rwanda. Ook in Kigali zijn talloze straatkinderen, mayibobo. Daarom ging Charles werken voor de Fondation Sports Pour la Paix. Deze organisatie sport en speelt niet alleen met de straatkinderen; ze leren ook traditionele dansen, schrijven gedichten en maken theaterstukken die ze voor elkaar opvoeren. Met succes: de straatkinderen vertellen aan elkaar hoe leuk het is, en de groep is nu al uitgegroeid uit tot een club van wel vierhonderdvijftig jongens en meisjes.
De speeldag in Nyamirambo wordt geopend met een voetbalwedstrijd. Halverwege de eerste helft zie ik Denise en Philippe aan komen lopen. Ze zijn druk in gesprek, maar gaan na een poosje helemaal op in het voetbal. Na de wedstrijd verzamelen alle kinderen zich. Er wordt getost door de coaches: kop of munt. Wie het goed raadt krijgt een rood lint om zijn arm; die kinderen zullen straks over hiv en aids worden ondervraagd.
Ik zie Denise blij worden als hij een lint om krijgt. Hij weet nog niet waarom hij is uitgekozen, maar hij denkt vast dat hij iets leuks gaat doen of iets lekkers krijgt. Philippe denkt dat duidelijk ook, want hij kijkt sip als hij geen lint omgeknoopt krijgt.
Als de coaches verderlopen, zie ik hoe Denise het lint van zijn arm haalt. Hij scheurt het in tweeën, strikt de ene helft terug om zijn eigen arm en de andere helft om de arm van Philippe. Nu hebben ze beiden een rood lint om hun arm.
Er gaat iets niet goed, hoor ik een medewerker van Right To Play roepen. Er komen steeds meer kinderen met een lint om hun arm bij. Er zijn veel meer linten dan wij hebben uitgedeeld! Zo loopt het onderzoek in de war!
Ik begin te lachen. Hoe bedoel je, het gaat niet goed? zeg ik. Dit is toch precies wat Right To Play wil? Ze leven naar het motto: Look After Yourself, Look After One Another. Ze zorgen voor zichzelf en zorgen voor elkaar.
Als ik wegloop geef ik Denise een knipoog.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2005
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Right
To Play.
Een wereldboek, een verhalenboek, een doeboek en een fotoboek.
Lemniscaat, 2005
ISBN: 90 5637 749 3