Samar loopt door de straten van het vluchtelingenkamp
Aqabat Jabr. Ze draagt een blauw-wit gestreept jurkje over haar gewone kleding.
Dat is haar schooluniform.
Het is nog vroeg in de ochtend. Ze is vanmorgen al om vijf uur opgestaan om op tijd van huis te kunnen vertrekken. Samar woont in Jericho en wandelt elke ochtend de drie kilometer naar haar school in Aqabat Jabr.
Samars gympjes worden stoffig van het geelgrijze woestijnzand dat door de straten van Aqabat Jabr stuift. Iedere keer opnieuw verbaast Samar zich erover hoe kaal het is in het kamp. Het lijkt een beetje op een dorp, met lage witte huizen. Op de daken staan grote tanks om het kostbare regenwater in op te vangen. Er ligt veel bouwafval in de straten: stukken beton, steengruis en staalkabel. Op de muren van de huizen staan spreuken uit de koran geschilderd; ook staan er namen geschreven van mannen die gestorven zijn in de oorlog. Dat zijn martelaars, zegt Samars moeder altijd. Zij hebben hun leven opgeofferd om ons, Palestijnen, vrijheid te geven.
Hier en daar groeit langs de straten in het kamp wat vergeeld gras, maar nergens staan bomen, planten of struiken. Dat is een heel verschil met Jericho, waar Samar woont. Haar stad wordt ook wel de Stad van de palmen genoemd. Er groeien verrukkelijke sinaasappels, citroenen en dadels aan de bomen. De paarse bloemen van de bougainvilles bloeien en de geur van jasmijn waait door de straten. Maar ook in Jericho ziet Samar het leven veranderen. Haar moeder heeft verteld dat dat komt door de oorlog. Vroeger kwamen er veel toeristen naar de stad; ze kwamen drijven in de Dode Zee of gingen met de kabelbaan naar de top van de Berg der Verleiding. Nu komt er niemand meer naar Jericho op vakantie. Steeds meer winkels en restaurants sluiten hun deuren en worden met planken voor ramen en deuren dichtgespijkerd.
Samar is al acht jaar, maar heeft nog nooit een andere stad dan Jericho of Aqabat Jabr gezien. Ze zou wel willen: ze hoort mooie verhalen over de stad Ramallah of over Jeruzalem, waar de Al-Aqsa moskee staat waar Mohammed naar de hemel opsteeg. Daar zou ze wel graag naartoe willen, maar haar moeder heeft gezegd dat ze die dromen uit haar hoofd moet zetten. Rond Jericho en Aqabat Jabr staan checkpoints. Samar zou daar nooit worden doorgelaten. De laatste straten voordat ze bij school komt, rent Samar. Ze weet dat ze ruim op tijd is, maar het is een extra feestelijke dag op school. Het is Play Day een speeldag, georganiseerd door Right To Play. Al de hele week zijn alle klassen van de onderbouw bezig geweest met de voorbereidingen. Alle zeshonderd kinderen zijn in vijf groepen verdeeld. Iedere groep heeft een eigen kleur. Dat zijn de kleuren van Right To Play, heeft Samar geleerd. En dat heeft weer te maken met de spellen die ze doen. Iedere kleur staat voor een ander soort spel.
De groep van Samar is groen. Groen is de kleur voor de gezondheid. De beste vrienden van Samar, Ibrahim en Rami, zitten in de gele groep. Geel is voor een goed gevoel. Er zijn ook nog rode groepen de kleur van het geheugen, blauwe, wat staat voor vrede, en zwarte voor beweging. Samar is tevreden dat ze het allemaal nog goed weet.
Ze heeft straks eerst nog een uurtje les: Arabisch, een van haar lievelingsvakken. Samar wil later graag schooljuffrouw worden. Dat is echt iets voor meisjes, had Ibrahim gezegd toen ze het hem vertelde. Ik word ingenieur, voegde hij eraan toe. En ik advocaat, had Rami geroepen. Maar hoe leuk Samar de Arabische les ook vindt, ze weet dat het moeilijk zal worden om op te letten vandaag. Ze kan eigenlijk niet wachten om te gaan spelen.
Marhaba, Samar, hoort ze naast zich. Het is Rami, die nog nahijgt; ook hij heeft gerend om op tijd op school te komen. Wat denk je dat wij voor spelletjes gaan doen vandaag? vraagt hij.
Druk pratend lopen ze het schoolterrein op.
copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2005
Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Right
To Play.
Een wereldboek, een verhalenboek, een doeboek en een fotoboek.
Lemniscaat, 2005
ISBN: 90 5637 749 3