Ongehoorzaam

-- Israël/Palestina --

uit: Jesse Goossens, Right To Play

 

Amir belt aan bij de flat waar hij woont, in joods Oost-Jeruzalem. Hij kan binnen de televisie horen: het is de eindmelodie van de soapserie waar zijn moeder iedere middag naar kijkt. Voetstappen komen dichterbij. Als zijn moeder de deur opent, staat haar gezicht op onweer.

‘Amir Sjochet!’ zegt ze streng. ‘Waarom ben je zo laat?’

‘Het was speldag vandaag, en wij waren het laatst aan de beurt om te spelen,’ begint Amir uit te leggen. ‘En daarna kregen we nog wat te drinken en hebben we Nickelodeon gekeken tot de bussen kwamen…’ Op dat moment weet hij dat hij iets verkeerds heeft gezegd.

‘Ben je toch meegegaan?’ zegt zijn moeder, nu echt boos. ‘Je weet dat je vader en ik het erover hebben gehad. Het is nergens voor nodig dat jij met Palestijnse kinderen speelt. Ze maken ons leven al moeilijk genoeg. Naar je kamer jij! Ik ga de school bellen.’

Amir gaat in zijn kamer op zijn bed zitten. Hij hoort zijn moeder telefoneren. Amir probeert mee te luisteren, maar hij kan niet goed verstaan wat zijn moeder zegt. Het gesprek duurt lang. Eindelijk hoort hij dat ze ophangt.

Zijn moeder komt de slaapkamer binnen en gaat naast hem op bed zitten.

‘Vertel eens,’ zegt ze, en haar stem klinkt een stuk vriendelijker dan daarnet, ‘wat hebben jullie allemaal gedaan?’

Amir vertelt. Hij beschrijft hoe hij met de hele klas in de bus naar het tenniscentrum ging. Daar kwamen ook bussen met Palestijnse kinderen aan. In het centrum werden ze in groepen verdeeld. In iedere groep kwamen Palestijnse én joodse kinderen. Dat was wel even raar, vertelt Amir, want Palestijnen spreken Arabisch en Amir spreekt alleen Hebreeuws. Toch had hij al snel vriendschap gesloten met een jongetje uit de groep. Mohammed heet hij, en met zijn vingers had hij duidelijk gemaakt dat hij zes jaar was – even oud als Amir.

‘We hebben een hindernisbaan gemaakt!’ Amir wordt steeds enthousiaster. ‘En we hebben ballen doorgegeven, over ons hoofd en onder onze benen door. En volgende week gaan we met z’n allen naar de dierentuin en dan zie ik Mohammed weer.’

Dan schrikt hij en kijkt naar zijn moeder. Hij mag natuurlijk helemaal niet met de Palestijnse kinderen naar de dierentuin. Maar zijn moeder geeft hem een aai over zijn hoofd.

‘Ik zal wel met je vader praten,’ zegt ze. ‘De juf heeft ons uitgenodigd om een keer te komen kijken als jullie samen spelen. Dan kun je me laten zien wie Mohammed is. Je vader zal niet blij zijn dat je niet naar hem hebt geluisterd, maar ik denk dat we dat deze keer wel door de vingers kunnen zien. Samen spelen, daar schuilt toch eigenlijk niets kwaads in?’  

 

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2005

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Right To Play.
Een wereldboek, een verhalenboek, een doeboek en een fotoboek.
Lemniscaat, 2005
ISBN: 90 5637 749 3