Israël/Palestina

Op reis voor Right To Play

uit: Jesse Goossens, Right To Play

 

Het is midden in de nacht als mijn vliegtuig landt in Tel Aviv. Terwijl we dalen kan ik vanuit de cabine de lichtjes van de stad aan de Middellandse Zee goed zien. De skyline langs het water lijkt op die van een westerse wereldstad. Toch ben ik nu in het Midden-Oosten. Vier uur geleden vertrok ik uit West-Europa, waar het sneeuwde en vroor; nu kan ik mijn trui uitdoen, want het is hier twintig graden warmer.

Ik ben naar Israël gekomen om projecten van Right To Play in Palestijnse vluchtelingenkampen te bezoeken, om Palestina – het land van de Palestijnen – te bekijken en Palestijnse kinderen en coaches te ontmoeten. Maar volgens Israël bestaat Palestina helemaal niet. Wie in een atlas kijkt, ziet ook geen land dat officieel Palestina heet.

Tegen de douane kan ik beter niet zeggen dat ik naar Palestina ga.

Er staan lange rijen voor de douanehokjes. Op het formulier dat ik moet invullen schrijf ik dat ik in het theater werk en dat ik vijf dagen naar Jeruzalem ga. Het meisje achter het loket wil precies weten waar mijn hotel is, en onder welk telefoonnummer ik daar te bereiken ben, en dan mag ik doorlopen. Dat ging gemakkelijker dan ik had gedacht.

Maar een paar meter verderop word ik opnieuw aangehouden, dit keer door een man die bewapend is met een machinegeweer. Hij wil precies weten waar ik vandaan kom, waar ik naartoe ga, wat voor werk ik doe en waarom ik in Israël ben. Ik antwoord hem dat ik voor mijn werk onderzoek doe naar sportende en spelende kinderen over de hele wereld, en dat ik hier kom kijken hoe Israëlische kinderen sporten.

De man glimlacht vriendelijk naar me. ‘Welkom in Israël,’ zegt hij.

Ik haal opgelucht adem. Het is maar goed dat hij niet verder vroeg, want als ik zou vertellen dat ik ga schrijven over Palestijnen, was ik het land waarschijnlijk niet ingekomen.

Ik ben binnen.

**

Ik heb drie uur geslapen als mijn wekker afgaat. Het is zeven uur in de ochtend. Zo direct word ik opgehaald door Erika en Marianne van Right To Play. We gaan naar Jericho, waar op de basisschool van het vluchtelingenkamp Aqabat Jabr Play Day (een speeldag) gehouden zal worden.

Het ontbijt is anders dan ik gewend ben. Ik krijg bruin brood met geitenkaas, abrikozenjam en groene olijven. Het smaakt tegelijkertijd zoet, zout en zuur en is eigenlijk hartstikke lekker. De koffie, die in kleine hoge glaasjes wordt geschonken, heeft ook een apart smaakje. ‘Kardemom,’ zegt de man die me opnieuw inschenkt. Ik brand mijn mond aan de hete zoete drank in mijn haast om op tijd klaar te staan.

Erika en Marianne komen voorrijden in een witte jeep van de Verenigde Naties. Het voelt een beetje alsof ik meedoe aan een film als ik in de auto stap en we op weg gaan.

Wanneer we vanuit Jeruzalem in de richting van Jericho rijden, zie ik dat op de andere rijstrook een auto door militairen wordt aangehouden.

Marianne ziet me kijken. ‘Dat is een flying checkpoint,’ legt ze uit. ‘Een mobiele grenspost. Zoals je zo meteen zult zien, staan er overal tussen het Israëlische en het Palestijnse grondgebied checkpoints. Daar wordt iedereen tegengehouden: auto’s, fietsers, wandelaars, net als bij een landsgrens. Je moet je paspoort laten zien – dat heb je toch wel bij je? Geef het maar vast, want we zijn er al bijna. En stop je fototoestel weg, want je mag absoluut geen foto’s nemen van de soldaten.’

We passeren een lange rij stilstaande auto’s. ‘Wij mogen doorrijden via een aparte rijstrook,’ zegt Erika, die achter het stuur zit. ‘Omdat we van de Verenigde Naties zijn hebben we voorrang, net als ambulances en auto’s van belangrijke mensen.’

In de verte doemt het checkpoint op. Als eerste zie ik een wachttoren: een hoge houten uitkijktoren die is bedekt met camouflagemateriaal, zodat hij vanuit de lucht niet makkelijk te herkennen is. Wel wappert er een opvallende blauw-witte Israëlische vlag aan de torens. Ik zie dat er een soldaat in uniform in de toren staat, met een machinegeweer in de aanslag.

We horen de sirene van een ambulance, en ik zie hoe aan de overkant van de grenspost een ambulance langs de rij auto’s rijdt om zo snel mogelijk Israël binnen te komen. Tot mijn verbazing wordt de ambulance door gewapende soldaten tot stilstand gebracht. De militairen nemen alle tijd om de papieren van de chauffeur te controleren; dan richten ze hun geweren op de achterkant van de ambulance, en ze zwaaien de deuren open van het gedeelte waarin de patiënt ligt.

 

Lees: Door het checkpoint

 

Lees: Het verhaal van Samar

 

Als wij met de auto aan komen rijden, zie ik een jongen en een meisje het schoolhek inwandelen. Ze lopen in de richting van hun klas.

Terwijl we de auto naast een van de schoolgebouwen parkeren, wordt het hoge hek achter ons direct gesloten. De basisschool van Aqabat Jabr is erg groot; op de onderbouw en bovenbouw zitten bij elkaar wel zestienhonderd leerlingen. Omdat het zo warm is ’s middags – het kan in de zomer zelfs warmer worden dan veertig graden – wordt er alleen in de ochtend lesgegeven. Iedere dag van de week, behalve op vrijdag, zitten de kinderen van halfacht tot halféén op school.

De school bestaat uit lange gebouwen van twee verdiepingen hoog, waarin de klaslokalen zijn ondergebracht. De muren zijn witgekalkt om de hitte buiten te houden, maar de balustrades zijn vrolijk helderblauw geschilderd. Er zitten tralies voor de ramen van de klassen zodat niemand de kostbare lesmaterialen kan stelen. Ik zie de leerlingen in keurige rijen in de klas zitten – maar als ze mij zien, blijven de rijen niet zo netjes. De kinderen staan op, rennen naar de ramen, zwaaien en roepen ‘marhaba’, hallo, en ‘shoe ismek’, hoe heet je.

De kinderen van Aqabat Jabr zijn in het vluchtelingenkamp geboren en opgegroeid. De meesten van hen hebben het kamp nog nooit verlaten. De nieuwste gymschoenen, gave computerspellen en lekkere maaltijden kennen ze alleen van reclames. Dat aan de andere kant van de checkpoints, in de staat Israël, al die luxe gewoon te koop is, is voor hen nauwelijks voor te stellen. In de kampen is niets: geen speelgoed, geen sportspullen, en veel kinderen hebben niet eens behoorlijke schoenen. Medewerkers van de Verenigde Naties delen dagelijks duizenden voedselpakketten uit, omdat er anders mensen zouden sterven van de honger.

**

Achter de school staat opnieuw een hoog hek. Een man draait het slot van de metalen deur open en laat ons door. Voor ons ligt een enorm speelterrein: een grote zandvlakte die met witte kalk in vlakken is verdeeld. Er ligt niet veel materiaal op het speelveld: hoepels, een paar rode Right To Play ballen, zakjes met bonen, wat oranje kegels en twee emmers. Het lijkt weinig, maar het is meer dan genoeg om eindeloos mee te kunnen spelen.

Naast het veld staat een betonnen tribune waarop toeschouwers kunnen zitten. Daar staan een paar mensen te overleggen. Eén van hen draagt een T-shirt waarop Right To Play staat. Dat is Wissam.

Wissam werkt voor Right To Play in Jericho. Hij heeft deze dag georganiseerd. Twee vrienden van hem hebben zich als clown verkleed en hij heeft een deejay geregeld die de hele ochtend platen zal draaien. Tot diep in de nacht heeft Wissam papieren zakjes gevuld met een paar koekjes en een pakje druivensap, want van spelen in de zon krijg je dorst.

De zeshonderd kinderen die vandaag meedoen, hebben hun eerste lesuur erop zitten en staan klaar op het plein voor de school. De vijf groepen zijn gemakkelijk te herkennen aan de Right To Play kleuren: rood, geel, groen, blauw en zwart. De meisjes dragen rokken van gekleurd crêpepapier over hun gestreepte schooluniform, of hebben gekleurde papieren linten om hun arm. De jongens hebben maskers geknipt in dezelfde kleuren. Ze staan in keurige rijen op het schoolplein te wachten tot de speldag begint. Als ik langsloop zwaaien ze met hun ballonnen en houden ze de spandoeken omhoog die ze hebben gemaakt.

Ze beginnen te juichen als de clowns het plein op komen. Door de luidsprekers klinkt vrolijke Arabische muziek terwijl ze in een honderden meters lange polonaise het speelveld op lopen. Ze draaien met hun heupen, klappen in hun handen en zingen mee met de liedjes die ze kennen.

Wissam staat op de tribune met een microfoon in zijn hand. De kinderen lachen om zijn grapjes en om de rare capriolen die de clowns uithalen. Wissam legt uit wat de spelregels zijn: er zijn vijf verschillende spelen en iedere groep zal ze alle vijf doen. Het gele woestijnzand stuift op als de kinderen naar de verschillende spelen toe hollen. De muziek wordt harder gedraaid. Play Day is begonnen.

**

Vandaag is Hani onze chauffeur. Hij kent het hele gebied als zijn broekzak en rijdt blindelings de kortste weg naar Ramallah. Ramallah heeft een heel mooie bijnaam: De Bruid van Palestina. Ik ken de stad vooral van televisie en uit de krant. Het is de stad die het meest in het nieuws is als het gaat over het Palestijns-Israëlische conflict; dan zie je beelden van Palestijnse rebellen met katapulten, Israëlische tanks en schietende militairen. Maar het stadscentrum waar we doorheen rijden ziet er heel gewoon uit. Er zijn winkels met vrolijke uithangborden, handelaars met karren vol sinaasappels en bergen groene amandelen, en op het plein is de fontein met de leeuwen stralend wit geschrobd. Toch is het maar de vraag of het vandaag rustig zal blijven. Marianne heeft verteld dat er gisteren een Palestijn in de stad is doodgeschoten door een Israëlische militair. Het is traditie dat als zoiets gebeurt alle winkeliers uit protest een dag staken. Maar er worden zo vaak mensen in de stad gedood dat de winkeliers het zich niet meer kunnen veroorloven om iedere keer dicht te gaan. Soms breken er rellen uit als winkeliers niet willen staken. Dan worden de ramen van hun winkels ingegooid als waarschuwing en de winkeliers zelf worden in elkaar geslagen.

 

Langs de weg van Ramallah naar Nabloes ligt het vluchtelingenkamp Jalazone. Aan de ene kant van de weg staat de hoge muur van het kamp, aan de andere kant is tegen de groene heuvel een joodse nederzetting gebouwd. De witte huizen kijken uit op het vluchtelingenkamp. Er komen geen buitenlanders naar Jalazone. Zelfs journalisten laten zich nauwelijks zien. Het risico is te groot: vanuit de joodse nederzetting wordt soms zomaar in de richting van het kamp geschoten. Wie vanuit Ramallah naar het kamp wandelt – zoals de leraressen die in de stad wonen maar in het kamp werken – is zijn leven niet zeker.

Als ik kennis maak met de hoofdlerares van de basisschool van Jalazone, Katy, vertelt zij dat ze iedere dag die gevaarlijke weg naar school loopt. Ze heeft al vaak moeten rennen voor haar leven. Toch blijft ze elke dag terugkomen.

‘Ik doe dat,’ zegt Katy, ‘omdat het juist voor mijn leerlingen belangrijk is dat ze elke dag naar school kunnen. Hun leven is al zo onzeker; de school brengt er regelmaat in. Wij spelen met ze. Daardoor krijgen ze weer plezier. Ze leren met elkaar samen te werken en elkaar te vertrouwen. Ze worden gezonder, en we helpen ze op die manier te verwerken wat ze dagelijks meemaken.’ Hoe kun je nou een oorlog verwerken door spelletjes te doen? vraag ik me af.

‘Right To Play heeft vijf verschillende soorten spellen bedacht,’ legt Katy uit. ‘Ieder soort spel heeft zijn eigen kleur. Een van de Right To Play kleuren is rood. Rood staat voor het geheugen. Om het geheugen te trainen, laten we de kinderen herinneringen ophalen. Zo beginnen ze te praten over wat hen bezighoudt, wat ze meemaken en waar ze bang voor zijn. Spelenderwijs komen de verhalen naar boven. Maar het belangrijkste wat we doen,’ vindt Katy, ‘en waar de spellen van Right To Play bij helpen, is dat iedereen in deze school leert wie hij is. Ik wil dat mijn leerlingen – en ook hun moeders – gaan praten met hun ouders en hun grootouders over waar ze vandaan komen. Ik wil dat ze hun geschiedenis leren kennen. Wie zijn geschiedenis kent, begrijpt zichzelf beter. En wie zichzelf beter begrijpt krijgt meer zelfvertrouwen. En met zelfvertrouwen gaan deze kinderen een betere toekomst tegemoet.’

 

Lees: Dagopening

 

Als we terugrijden van Ramallah naar Jeruzalem worden we tegengehouden bij het checkpoint. Een breed grijnzende soldaat pakt mijn paspoort en de VN-pasjes van Hani en Marianne.

Hij kijkt even naar de pasjes van de Verenigde Naties en geeft ze dan terug. ‘Deze kaarten zijn niet geldig,’ zegt hij. ‘Jullie komen de grens niet over, ga maar terug naar Palestijns grondgebied.’

‘Niet geldig?’ roept Marianne verontwaardigd. ‘Al jarenlang komen we met deze pasjes langs de checkpoints, iedere dag opnieuw. Dat weet je zelf ook wel.’

‘Je moet het zelf weten,’ zegt de soldaat, die blijft grijnzen. ‘Je gaat nu terug naar Palestijns gebied of je zet de auto aan de kant van de weg en ik haal mijn commandant erbij.’ ‘Doe dat maar,’ zegt Marianne.

Hani parkeert de auto en we wachten. Even later wordt er op mijn autoraam geklopt. Als ik het raampje naar beneden draai, staan er drie militairen naast me met hun mitrailleur in de aanslag. Eén van hen – ik neem aan dat dat de commandant is – gebaart dat ik de pasjes opnieuw door moet geven. Hij werpt er één blik op en schudt zijn hoofd. ‘Nee,’ zegt hij. ‘Niet geldig. Ga maar terug.’

‘Dan ga ik nu het hoofdkwartier van de VN bellen,’ zegt Marianne.

‘Ga je gang,’ zegt de militair, ‘dan bel ik míjn hoofdkwartier.’

Het volgende moment zijn ze allebei aan het telefoneren. Marianne praat Arabisch in haar mobieltje, de soldaat Hebreeuws in zijn telefoon. Tegelijkertijd hangen ze op.

De commandant gooit de passen door het raampje op mijn schoot en maakt een gebaar met zijn geweer. ‘Doorrijden!’ Even begrijpen we het niet. ‘Schiet op, doorrijden!’ zegt de commandant nog een keer.

Hani start de auto en rijdt met piepende banden Israël binnen.

**

Op een regenachtige ochtend word ik naar het oosten van Jeruzalem gebracht, naar het Israel Tennis Centre, waar één keer in de week, op woensdagochtend, een twinning-project wordt georganiseerd. Twinning betekent samenkomen, samenwerken, samen een band aangaan.

In 2002 kwam het Peres Centre for Peace naar Johann Olav Koss met het idee om Israëlische en Palestijnse kinderen samen te laten spelen. Het Peres Centre, dat is opgericht door een oud-premier van Israël, Shimon Peres, is zo machtig dat het dingen bij de Israëlische regering voor elkaar kan krijgen. Right To Play weet natuurlijk alles van sporten en spelen. De twee organisaties vormen een ideale combinatie. Johann zei meteen ‘ja’ en sinds die tijd stellen Right To Play en het Peres Centre voetbalteams samen waarin zowel Israëlische als Palestijnse jongens zitten, en organiseren ze gemengde gymklassen.

Als ik binnenkom in het tenniscentrum zijn verschillende groepen al aan het spelen. Ik zie tientallen kinderen door elkaar rennen, over hordes lopen en door hoepels springen. Maar hoewel ik zowel Arabisch als Hebreeuws hoor spreken, kan ik niet zien wie Palestijns is en wie Israëlisch.

Degenen die het verschil tussen de kinderen wel kennen zijn de leraren: die weten natuurlijk wie er bij hen in de klas zit en wie niet. Voor deze onderwijzers is het twinnen meer wennen dan voor de kinderen zelf.

‘Dat Palestijnse kind wil niet naar me luisteren!’ roept een Israëlische leraar. ‘Hondsbrutaal dat volk!’

En een Palestijnse lerares zegt: ‘Zie je hoe dat Israëlische jongetje mijn leerling slaat? Ze hebben geen respect voor ons.’

Maar als ik naar de kinderen kijk, zie ik dat het Palestijnse kind dat niet naar de Israëlische leraar wil luisteren, ook niet luistert naar zijn eigen Palestijnse lerares. En het Israëlische jongetje dat klappen uitdeelt, geeft net zo goed een klasgenootje een mep. Lastige exemplaren heb je altijd, maar in het tenniscentrum wordt vooral veel plezier gemaakt.

 

Lees: Ongehoorzaam

 

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2005

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Right To Play.
Een wereldboek, een verhalenboek, een doeboek en een fotoboek.
Lemniscaat, 2005
ISBN: 90 5637 749 3