Plaats voor iedereen

-- Mali --

uit: Jesse Goossens, Right To Play

 

Salif klimt juist met zijn band onder zijn arm uit het water als zijn moeder aan komt rennen.

Hij weet onder haar hand uit te duiken als ze hem een tik wil geven, maar kan niet voorkomen dat ze hem stevig bij zijn arm grijpt en meesleurt achter hun hut.

‘Heb je je verstand verloren,’ roept zijn moeder. ‘Moet je soms ziek worden? Hoe vaak heb ik je niet gezegd dat je niet bij die goot moet spelen!’

‘Maar mijn band…’ verdedigt Salif zich.

‘En juist nu de gasten aankomen,’ moppert zijn moeder door terwijl ze een jerrycan met water over Salif leeggiet en hem ruw schoonborstelt. ‘Zo,’ zegt ze, en ze geeft Salif een duwtje in de richting van de hut. ‘Trek je andere broek aan. Ik ga er vast naartoe.’ En ze loopt snel weg.

Nu weet Salif het weer. Er komen mensen op bezoek die ervoor hebben gezorgd dat er in Bakaribougou een buurthuis wordt gebouwd. Zijn moeder kijkt er al lang naar uit, want er is gezegd dat ze daar kan leren lezen en schrijven. Ze hoopt er zelfs een vak te kunnen leren, zodat ze wat geld kan verdienen. ‘Stel je toch eens voor,’ heeft ze al een paar keer gezegd. ‘Dan hebben we misschien wel genoeg om iedere dag eten te kunnen kopen!’

Salif kan zich dat nauwelijks voorstellen. Vandaag was er – zoals wel vaker – geen eten in huis, maar hij heeft geleerd niet aan zijn lege maag te denken.

Zodra hij zijn broek heeft aangetrokken rent Salif achter zijn moeder aan. De hele wijk loopt uit om de gasten te verwelkomen. De vrouwen hebben hun mooiste jurken aangetrokken. De meisjes hebben hun haren kunstig gevlochten: in ingewikkelde patronen, korte staartjes met felgekleurde kraaltjes erin of met extensions waardoor talloze millimetersdunne vlechtjes op hun rug dansen bij iedere beweging die ze maken. Salif ziet dat zelfs zijn vriendjes hun mooiste T-shirt hebben aangetrokken. Het lijkt wel feest.

In een lange optocht lopen ze naar de plek waar het buurthuis wordt gebouwd. Nu is het nog maar een half opgetrokken omheining van betonblokken met daarbinnen de muren van twee lokalen, maar over vier weken is het af.

‘Salif!’ hoort hij Kane roepen. ‘Salif, heb je het al gehoord?’ Kane komt op hem afstormen; hij ziet er helemaal opgewonden uit. ‘Als het gebouw af is,’ zegt hij buiten adem als hij voor Salif stilstaat, ‘komen er een paar keer per week mensen om speciaal met ons te spelen!’

‘Is dat echt waar?’ vraagt Salif.

‘Kom maar mee,’ zegt Kane, en hij trekt Salif door de mensenmassa mee naar een man die op een afstandje tevreden naar het bouwwerk staat te kijken. Dat is Baba, weet Salif. Baba komt vaak langs om te kijken hoe het met de bouw gaat.

‘Baba,’ zegt Kane, ‘Salif gelooft me niet. Er komen hier toch echt mensen om met ons te spelen?’

Baba draait zich lachend om naar Salif. ‘Je moet nog een paar weken wachten,’ zegt hij, ‘maar het is echt waar, dan kunnen jullie hier allemaal spellen doen. Het wordt een speelplek.’

‘Maar mama denkt dat dit gebouw voor haar is,’ zegt Salif. Hij vindt het geweldig dat hij straks zal kunnen spelen, maar zijn moeder heeft zich zo verheugd dat hij zeker weet dat ze heel teleurgesteld zal zijn.

Nu lacht Baba nog breder. ‘Het is voor jullie allebei,’ zegt hij. ‘Een speelplek voor jou en een leerplek voor je moeder.’

Salif en Kane kijken elkaar aan. Dan rennen ze weg om hun vriendjes het goede nieuws te vertellen.

 

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2005

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Right To Play.
Een wereldboek, een verhalenboek, een doeboek en een fotoboek.
Lemniscaat, 2005
ISBN: 90 5637 749 3