Moussa en de marabou

-- Mali --

uit: Jesse Goossens, Right To Play

 

Moussa loopt met zijn tomatenblikje langs de auto’s bij het kruispunt.

Het is warm, al is het nog vroeg in de ochtend. De mensen in de auto’s hebben hun raampjes opengedraaid. Overal steekt Moussa zijn blikje naar binnen en vraagt: ‘Wat geld voor de marabou alstublieft…’

Het is nu meer dan een jaar geleden dat zijn vader hem naar de marabou stuurde.

Een marabou is een wijze man: hij is tegelijkertijd een religieus leraar en een soort medicijnman. In Mali is bijna iedereen moslim, maar de meeste Malinezen geloven ook in de oeroude krachten van de natuur. Als er een probleem is, gaat een Malinees naar de marabou. Die geeft advies als iemand het moeilijk heeft, of maakt een gris-gris. Een gris-gris is een zakje dat je om je arm bindt om je te beschermen tegen het kwaad, tegen ziekten of tegen problemen. In zo’n zakje kunnen kruiden zitten, steentjes of botjes, stukjes stof, papiertjes met spreuken erop, olie, haren, nagels, gedroogde beestjes – van alles eigenlijk. Voor ieder probleem en iedere ziekte wordt een andere gris-gris gemaakt.

Vroeger woonde Moussa in een dorp, honderd kilometer buiten Bamako. Daar groeide hij op met zijn zes broertjes en zusjes. Moussa was de oudste van de kinderen en zijn vader vond dat hij een goede moslim moest worden. Omdat er in het dorp geen islamschool was, ging Moussa in de leer bij de marabou – dat betekende dat hij daar les kreeg en woonde.

De marabou had wel veertig leerlingen, maar niet genoeg geld om iedereen eten te geven. Toch was dat geen probleem in het dorp. De kinderen van de marabou gingen langs de huizen, en iedere dorpsbewoner die iets te eten over had, gaf wat aan ze mee. Zo hielp iedereen in het dorp de marabou en zijn leerlingen. Moussa vond het leuk: hij leerde veel en maakte vrienden onder de andere leerlingen.

Maar toen besloot de marabou naar de stad te verhuizen. Veel kinderen gingen met hem mee, en ook Moussa’s vader vond het een goed idee dat zijn zoon naar Bamako zou gaan. Zo’n kans had hij zelf nooit gehad; daar kon Moussa waarschijnlijk nog meer leren dan in het dorp.

In Bamako werd alles anders. De marabous in de stad lieten hun leerlingen niet om eten vragen, maar om geld, zodat ze zelf eten konden kopen. Ook Moussa’s marabou vond dat een goed idee. Net als de andere marabous verzamelde hij tomatenblikken en sneed de bovenkant eraf. Iedereen in Bamako weet namelijk: als een jongen met zo’n tomatenblikje om geld vraagt, komt hij voor de marabou. En veel mensen geven iedere dag een paar cefa aan een kind van de marabou.

De marabou zag dat hij op deze manier geld kon verdienen – niet alleen om zijn leerlingen eten te kunnen geven, maar veel meer. Dus wilde hij dat zijn jongens iedere dag met meer geld thuis zouden komen. Op een gegeven moment eiste hij zelfs drieduizend cefa per dag. En wie niet genoeg geld inzamelde werd geslagen.

Nadat Moussa voor de zoveelste keer klappen had gekregen, besloot hij niet meer terug te gaan naar de marabou. Sindsdien leeft hij op straat. Hij bedelt nog wel met zijn blikje, maar nu om geld te verzamelen om zelf te kunnen eten. Hij weet dat hij moet uitkijken, want als een marabou merkt dat hij geld voor zichzelf ophaalt met een tomatenblikje, zal hij een pak slaag krijgen dat hij niet snel zal vergeten.

Moussa schrikt dan ook als hij zijn naam hoort. ‘Jij bent toch Moussa?’ zegt een man in een kleurige traditionele boubou, die tussen de auto’s door komt lopen.

Moussa wil al wegrennen als de man zegt: ‘Niet bang zijn, ik heb je naam van Souliman.’

Moussa aarzelt. Hij kent Souliman nog uit zijn oude dorp. Hij was ook een kind van de marabou en meegekomen naar de stad. Souliman was twee maanden geleden al bij de marabou weggelopen; Moussa ziet hem af en toe op straat.

‘Ik ben Félix,’ zegt de man. ‘Ik wil je helpen. Ken je het buurthuis in Quinzambougou?’

Moussa knikt, maar zegt niks.

‘We gaan daar straks spelen,’ zegt Félix. ‘Gewoon plezier maken. Souliman is er ook. Als je op tijd komt kun je ook nog mee-eten.’

Moussa voelt zijn lege maag. Maar kan hij deze man vertrouwen?

‘Kijk maar wat je doet,’ zegt Félix. ‘Ik ben er elke dag, dus je kunt ook op een ander moment binnenlopen.’ En hij wandelt weg tussen de auto’s door.

Moussa ziet de kleurig boubou in een zijstraat verdwijnen. Hij denkt even na en loopt dan langzaam in de richting van het buurthuis.

 

copyright: Jesse Goossens / Lemniscaat, 2005

Deze tekst komt uit het rijk geïllustreerde Right To Play.
Een wereldboek, een verhalenboek, een doeboek en een fotoboek.
Lemniscaat, 2005
ISBN: 90 5637 749 3